Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:2576

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
8118557723
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 51 SrArt. 57 SrArt. 68 AWRArt. 69 AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling feitelijk leidinggeven aan opzettelijk niet en onjuist doen van aangiften omzetbelasting

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte veroordeeld voor feitelijk leidinggeven aan het medeplegen van opzettelijk niet (tijdig) en onjuist doen van aangiften omzetbelasting over de periode van 2018 tot en met 2022. Verdachte was de enige bestuurder en aandeelhouder van de rechtspersoon [naam bedrijf] en droeg de verantwoordelijkheid voor het indienen van de aangiften.

De rechtbank oordeelde dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangiften niet of onjuist zouden worden ingediend, ondanks dat het doen van aangiften was uitbesteed aan een boekhouder. Partiële vrijspraak werd uitgesproken voor de perioden waarin maandaangiften werden gedaan in plaats van kwartaalaangiften, en voor het medeplegen, omdat niet is gebleken dat verdachte samen met anderen handelde.

De strafmaat werd bepaald op basis van de ernst van de feiten, het benadelingsbedrag van €168.213,65, en de ondermijning van het vertrouwen in het belastingsysteem. Gelet op de landelijke oriëntatiepunten voor strafoplegging werd een gevangenisstraf van 8 maanden opgelegd, rekening houdend met het feit dat de feiten dateren uit 2018 en 2019.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 8 maanden gevangenisstraf voor feitelijk leidinggeven aan het opzettelijk niet en onjuist doen van aangiften omzetbelasting.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Team Strafrecht
Parketnummer: 81/185577-23
Datum uitspraak: 10 maart 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1971,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 3 juli 2025, 6 november 2025 en 24 februari 2026. Op 6 november 2025 heeft een inhoudelijke behandeling plaatsgevonden van deze strafzaak met een andere combinatie van rechters. Het onderzoek ter zitting is heropend bij tussenuitspraak van 20 november 2025 om verdachte in de gelegenheid te stellen bij de strafzaak aanwezig te zijn. Op 24 februari 2026 is het onderzoek opnieuw aangevangen.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.R. Paardekooper, en van wat de raadsman, mr. E.G.S. Roethof, naar voren hebben gebracht.

2.Beschuldiging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:
1. feitelijk leidinggeven aan het medeplegen van opzettelijk niet (tijdig) aangifte omzetbelasting doen over het vierde kwartaal van 2018 tot en met het derde kwartaal van 2021 en het vierde kwartaal van 2022, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, in de periode van 1 oktober 2018 tot en met 7 november 2023 in Assendelft;
2. feitelijk leidinggeven aan het medeplegen van opzettelijk onjuiste of onvolledige aangifte omzetbelasting doen over het eerste kwartaal van 2018 tot en met het derde kwartaal van 2018 en het vierde kwartaal van 2021 tot en met het derde kwartaal van 2022, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, in de periode van 22 april 2018 tot en met 11 juli 2022 in [plaats 1] en/of [plaats 2] .
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot partiële vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde, namelijk ten aanzien van de tijdvakken van het vierde kwartaal van 2019 tot en met het derde kwartaal van 2021 en het vierde kwartaal van 2022. [naam bedrijf] is met ingang van het vierde kwartaal van 2019 uitgenodigd tot het doen van maandaangiften, in plaats van kwartaalaangiften. Om dezelfde reden heeft de officier van justitie partiele vrijspraak verzocht van het onder 2 ten laste gelegde, ten aanzien van de tijdvakken van het vierde kwartaal van 2021 tot en met het derde kwartaal van 2022. Verdachte moet ook partieel te worden vrijgesproken ten aanzien van het medeplegen, omdat daarvan niet is gebleken.
Voor het overige onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft de officier van justitie gerekwireerd tot een bewezenverklaring.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. Verdachte heeft het doen van aangiften uitbesteed aan een boekhouder, waardoor er geen sprake is van opzet.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Partiële vrijspraak feiten 1 en 2
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat verdachte vrijgesproken moet worden van het onder 1 ten laste gelegde opzettelijk niet doen van kwartaalaangiften omzetbelasting voor het vierde kwartaal van 2019 tot en met het derde kwartaal 2021 en het vierde kwartaal van 2022 en van het doen van onjuiste aangiften over het vierde kwartaal van 2021 tot en met het derde kwartaal 2022. [naam bedrijf] is met ingang van 1 oktober 2019 door de Belastingdienst uitgenodigd om maandaangiften te doen, in plaats van kwartaalaangiften zoals ten laste is gelegd. Daarmee zijn de maandaangiften te beschouwen als aangiften die bij wet zijn voorzien.
De rechtbank is voorts van oordeel dat verdachte vrijgesproken moet worden van het onder feit 1 en 2 ten laste gelegde medeplegen aangezien niet is gebleken dat verdachte samen met anderen heeft gehandeld.
3.3.2.
Bewijsoverweging
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen zoals opgenomen in bijlage II bij dit vonnis, wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten. De rechtbank overweegt daartoe in het bijzonder het volgende.
Ten aanzien van feit 1:
Namens [naam bedrijf] zijn over het vierde kwartaal van 2018 tot en met het derde kwartaal van 2019 geen kwartaalaangiften omzetbelasting ingediend, terwijl uit het boekenonderzoek van de belastingdienst blijkt dat [naam bedrijf] in bovengenoemde periode € 617.820,- aan omzet heeft ontvangen. Het totaal fiscaal nadeel over de gehele periode waarover geen aangifte is ingediend bedraagt € 107.225,-.
Artikel 69, eerste lid en tweede lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) richt zich tot ‘degene die een bij de belastingwet voorziene aangifte’ onjuist, onvolledig of niet (tijdig) doet. Als pleger van het onjuist, onvolledig of niet (tijdig) doen van een bij de belastingwet voorziene aangifte, moet worden aangemerkt degene die tot het doen van de aangifte gehouden is. Die gehoudenheid tot het doen van aangifte kan worden vastgesteld bij eenieder die tot het doen van aangifte is uitgenodigd als voorzien in art. 8, eerste lid AWR. In dit geval is dat de rechtspersoon [naam bedrijf] .
Aan verdachte is het feitelijk leidinggeven aan het opzettelijk niet (tijdig) doen van aangifte omzetbelasting door [naam bedrijf] ten laste gelegd. Voor het ‘feitelijke leidinggeven’ is vereist dat ten minste sprake moet zijn van feitelijke zeggenschap over de gedraging van de rechtspersoon. Verdachte was sinds 2016 de enige bestuurder en aandeelhouder van [naam bedrijf] . Het dossier bevat geen aanwijzingen dat andere personen binnen of buiten de onderneming beslissingsbevoegdheid of zeggenschap hadden. De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte als feitelijke leidinggever kan worden aangemerkt.
Verdachte was als feitelijk leidinggever verantwoordelijk voor het juist en volledig indienen van deze aangiften bij de Belastingdienst. De rechtbank is van oordeel dat verdachte dat opzettelijk heeft nagelaten. Ter terechtzitting heeft de raadsman bepleit dat verdachte deze taken uitbesteedde aan een boekhouder. Indien een ondernemer het opstellen van de aangiften uitbesteedt aan een ander, rust op de ondernemer verplichting om de in te dienen aangiften vooraf op juistheid en volledigheid te controleren. Door niet te controleren of de aangiften omzetbelasting (op de juiste wijze) zijn ingediend, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de aangiften niet (tijdig) zouden worden ingediend.
Ten aanzien van feit 2
Over het eerste tot en met derde kwartaal van 2018 heeft de Belastingdienst wel aangiften omzetbelasting ontvangen van [naam bedrijf] . In deze kwartaalaangiften is over de eerste kwartalen van 2018 in totaal € 96.657 als omzet aangegeven, inclusief daarover verschuldigde omzetbelasting van € 20.298. Na verrekening met de aangegeven voorbelasting is in totaal in deze drie kwartaalaangiften een bedrag van € 13.113 aangegeven als omzetbelasting. [naam bedrijf] heeft echter in de eerste drie kwartalen van 2018 een omzet van € 426.972,47, inclusief omzetbelasting, op haar bankrekeningen ontvangen. Dit komt neer op een bedrag van € 74.102,65 aan omzetbelasting die aangegeven had moeten worden. De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat de door [naam bedrijf] ingediende kwartaalaangiften onjuist zijn, waardoor een bedrag van € 60.989,65 minder omzetbelasting is aangegeven dan daadwerkelijk door [naam bedrijf] had moeten worden betaald.
De rechtbank heeft hiervoor onder feit 1 geoordeeld dat verdachte met opzet heeft gehandeld en feitelijke leiding heeft gegeven aan de door [naam bedrijf] gepleegde strafbare feiten. Dit geldt om dezelfde redenen eveneens voor het onder feit 2 tenlastegelegde.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
Ten aanzien van feit 1:
[naam bedrijf] in de periode 1 oktober 2018 tot en met 31 december 2020 in Nederland, telkens opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een of meer digitale aangiften voor de omzetbelasting ten name van [naam bedrijf] over:
‐ het vierde kwartaal van het jaar 2018,
‐ het eerste kwartaal van het jaar 2019,
‐ het tweede kwartaal van het jaar 2019,
‐ het derde kwartaal van het jaar 2019,
telkens niet heeft gedaan en/of laten doen, terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting wordt geheven;
aan welke boven omschreven verboden gedragingen verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;
Ten aanzien van feit 2:
[naam bedrijf] in de periode 22 april 2018 tot en met 25 oktober 2022 in Nederland, telkens opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een of meer digitale aangiften voor de omzetbelasting ten name van [naam bedrijf] over:
‐ het eerste kwartaal van het jaar 2018
‐ het tweede kwartaal van het jaar 2018
‐ het derde kwartaal van het jaar 2018
telkens onjuist heeft gedaan en/of laten doen, door telkens in de ingediende aangiften een onjuist bedrag aan verschuldigde omzetbelasting en/of voor aftrek in aanmerking komende omzetbelasting op te geven terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting wordt geheven,
aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden.
7.2.
Strafmaatverweer van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en geen gevangenisstraf op te leggen.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan belastingfraude, door als feitelijke leidinggever van [naam bedrijf] geen dan wel onjuiste aangiften omzetbelasting in te dienen bij de Belastingdienst. Verdachte heeft dit bewust gedaan met als doel dat te lage belasting werd geheven en dus te weinig belasting door [naam bedrijf] werd betaald. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij, nadat in 2022 een boekenonderzoek door de Belastingdienst bij de vennootschap plaatsvond, niet heeft meegewerkt aan het onderzoek en geen gegevens of administratie heeft verstrekt. Hij heeft met zijn handelwijze de Belastingdienst en daarmee de samenleving ernstig benadeeld. De rechtbank heeft als gevolg van het niet doen van de aangiften en het doen van onjuiste aangiften een benadelingsbedrag van €168.213,65,- vastgesteld. Verdachte heeft de werking van het systeem van omzetbelasting, dat gebaseerd is op het vertrouwen dat de ondernemer een juiste aangifte doet, ondermijnd. Bovendien wordt het algemeen vertrouwen in het belastingsysteem, waarbinnen sprake zou moeten zijn van eerlijke lastenverdeling, door dergelijk handelen geschaad. Gelet op het bovenstaande kan niet worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf rekening gehouden met de straffen die voor soortgelijke feiten in belastingfraude zaken worden opgelegd. De rechtbank heeft hiervoor aansluiting gezocht bij de Landelijke Oriëntatiepunten voor Strafoplegging die de rechtbanken en hoven onderling hebben afgesproken. Het oriëntatiepunt voor algemene fraude met een benadelingsbedrag tussen € 125.000,- en € 250.000,- bij een first offender is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 9 tot 12 maanden.
In strafmatigende zin houdt de rechtbank rekening met het gegeven dat de bewezenverklaarde feiten dateren uit 2018 en 2019.
Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van 8 maanden.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 68 en Pro 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

9.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1:
feitelijk leidinggeven aan het door een rechtspersoon begaan van het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;
Ten aanzien van feit 2:
feitelijk leidinggeven aan het door een rechtspersoon begaan van het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van
8 (acht) maanden.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Vaandrager, voorzitter,
mrs. J.M. Van Hall en N.A.M. Buurman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. T. Brouwer, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 maart 2026.
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
2.1.
[...]