ECLI:NL:RBAMS:2026:2556

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
13/332202-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 38m SrArt. 38n SrArt. 285 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling bedreiging met speelgoedpistool en oplegging ISD-maatregel

Op 5 december 2025 bedreigde een 31-jarige man een beveiliger op het station in Amsterdam door hem een vuurwapen gelijkend voorwerp, een speelgoedpistool, te tonen. De beveiligers werden hierdoor ernstig bedreigd en schakelden de politie in. Bij fouillering werd het speelgoedpistool aangetroffen bij verdachte.

De rechtbank achtte het wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig maakte aan bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling. Verdachte ontkende het tonen van het speelgoedpistool, maar de verklaringen van het slachtoffer en camerabeelden overtuigden de rechtbank van zijn schuld.

Verdachte voldoet aan de harde en zachte criteria voor oplegging van een ISD-maatregel. Hij heeft een uitgebreide justitiële geschiedenis en verbleef onrechtmatig in Nederland, waardoor reclasseringstoezicht niet uitvoerbaar is en het recidiverisico hoog blijft. De rechtbank legde een ISD-maatregel van twee jaar op zonder aftrek van voorarrest.

Het speelgoedpistool werd verbeurd verklaard, terwijl andere in beslag genomen voorwerpen aan verdachte werden teruggegeven. De uitspraak werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam op 25 februari 2026.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot twee jaar ISD-maatregel wegens bedreiging met een vuurwapen gelijkend speelgoedpistool.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/332202-25, 13/226384-25 (TUL), 15/124816-21 (TUL) en 16/345875-21 (TUL).
Datum uitspraak: 25 februari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1994,
niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen
ter terechtzitting opgegeven verblijfadres: [verblijfadres] ,
thans gedetineerd in de [Penitentiaire Inrichting] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 februari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. H.F. van Kregten, en wat verdachte en zijn raadsman mr. G. Palanciyan, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Verdachte wordt verweten dat hij op of omstreeks 5 december 2025 te Amsterdam [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen en/of met voornoemd voorwerp te zwaaien.

3.Waardering van het bewijs

Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Standpunt van de verdediging
De raadsman verzoekt verdachte vrij te spreken, omdat hij geen opzet had op het bedreigen van [slachtoffer] .
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard niet het speelgoedwapen maar een telefoon in zijn hand te hebben gehad, en ontkent de beveiligers te hebben benaderd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen, zoals opgenomen in
bijlage Ibij dit vonnis, wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het bedreigen van [slachtoffer] door hem een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen. De rechtbank overweegt daartoe in het bijzonder het volgende.
Uit de aangifte van [slachtoffer] , zijn nadere verklaring en het proces-verbaal met een beschrijving van de camerabeelden, leidt de rechtbank het volgende af. Verdachte bevond zich in de vroege ochtend van 5 december 2025 naast het [station] in Amsterdam en liep richting een groepje beveiligers, onder wie [slachtoffer] . Verdachte trekt zijn bovenkleding een stukje omhoog en met zijn rechterhand pakt hij een voorwerp uit zijn broeksband en laat dit aan het groepje zien. [slachtoffer] herkende dit als een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en schrok daar erg van. Hij is vervolgens met zijn collega’s naar binnen gerend en heeft zijn werkgever ingelicht. Die heeft de politie ingeschakeld. De verbalisanten die vervolgens ter plaatse kwamen troffen bij verdachte tijdens de fouillering een speelgoedpistool aan in de broeksband bij zijn buik. Dit speelgoedpistool is onderzocht en hieruit blijkt dat het geschikt is voor bedreiging of afdreiging, gelet op de aard en omstandigheden waaronder het werd aangetroffen. Voor zover verdachte op deze bedreiging geen vol opzet had, heeft hij in ieder geval door het in de nachtelijke uren bij het [station] tonen van een dergelijk speelgoedpistool aan een hem onbekende persoon bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat dit ervaren zou worden als een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsman dat verdachte geen opzet had op de bedreiging van [slachtoffer] .

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte
op 5 december 2025 te Amsterdam [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling, door die [slachtoffer] een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen en met voornoemd voorwerp te zwaaien.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd.
Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.Strafbaarheid

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders

Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) wordt opgelegd voor de duur van twee jaar zonder aftrek van het voorarrest. Verdachte voldoet naast de harde criteria, ook aan de zachte criteria blijkens het meest recente reclasseringsrapport van 2 februari 2026. Verdachte is onrechtmatig en ongewenst in Nederland, en op alle leefgebieden is er sprake van instabiliteit.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om in het geval van een bewezenverklaring niet de ISD-maatregel maar een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest op te leggen.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard absoluut niet te zullen meewerken indien aan hem voor de tweede keer een ISD-maatregel wordt opgelegd. In dat geval wil hij terugkeren naar [geboorteland] .
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en ernst van wat bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon van verdachte zoals daarvan is gebleken bij het onderzoek ter terechtzitting.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling van een beveiliger op het [station] in Amsterdam, door aan hem een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen. Verdachte heeft door zijn handelen niet alleen gevoelens van angst bij het slachtoffer veroorzaakt, maar dergelijke feiten brengen bij burgers in het algemeen angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg. In deze zaak heeft ook een getuige de bedreiging van het slachtoffer als zeer beangstigend ervaren.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het reclasseringsadvies betreffende verdachte van 2 februari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte een 31-jarige man met de Guineese nationaliteit is, die sinds 2019 veelvuldig in aanraking is gekomen met politie en justitie en daarmee een uitgebreide justitiële geschiedenis heeft opgebouwd. Van augustus 2022 tot augustus 2024 heeft verdachte reeds een onvoorwaardelijke ISD-maatregel doorlopen. Momenteel voldoet hij opnieuw aan de harde criteria.
Blijkens diverse bronnen verblijft verdachte onrechtmatig en ongewenst in Nederland. Zijn asielaanvragen zijn meermaals afgewezen. Omdat verdachte niet beschikt over een vervangend reisdocument kan hij niet gedwongen worden uitgezet. In tegenstelling tot eerder, zou verdachte nu wel uit Nederland willen vertrekken en zou hij naar eigen zeggen hiervoor ook de nodige documenten kunnen regelen.
Doordat verdachte niet over een legale verblijfsstatus beschikt en het hem daardoor ontbreekt aan enig perspectief in Nederland, is er sprake van instabiliteit op vrijwel alle leefgebieden. Ook zijn er zorgen over zijn psychische problematiek omdat hij in het verleden psychotische klachten zou hebben ervaren. Omdat verdachte geen toestemming heeft gegeven aan de reclassering om contact te leggen met het Centrum voor Transculturele Psychiatrie Veldzicht, alwaar hij bijna een jaar verbleef gedurende zijn eerste ISD-maatregel, is niet duidelijk geworden of verdachte hiervoor is behandeld.
Gelet op het bovengenoemde lijken interventies geïndiceerd om het risico op recidive te verlagen. Verdachte kan echter vanwege zijn onrechtmatige verblijfsstatus geen aanspraak maken op structurele sociale voorzieningen, waardoor aan een hulpverleningstraject en/of een drang/dwangtraject onvoldoende inhoud kan worden gegeven. Een reclasseringstoezicht is derhalve niet uitvoerbaar.
De reclassering schat het risico op recidive in als hoog, en het risico op letsel als gemiddeld tot hoog. Gelet op al het bovenstaande ziet de reclassering geen andere mogelijkheid dan het adviseren van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel, omdat daar de juiste begeleiding en behandeling voor de psychische klachten van verdachte geboden kan worden en er opnieuw gepoogd kan worden om hem naar [geboorteland] uit te zetten.
ISD-criteria
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van het bewezenverklaarde feit aan alle voorwaarden
is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht voor het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte een misdrijf heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het strafblad van verdachte blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan 5 december 2025 ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf terwijl het in dit vonnis bewezenverklaarde feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, ernstig rekening mede moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Blijkens het strafblad is ook voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijfjaren processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit.
Zolang verdachte onrechtmatig en ongewenst in Nederland verblijft, blijkt zijn toekomstperspectief uitzichtloos, is reclasseringstoezicht niet uitvoerbaar en zal het recidiverisico onverminderd hoog blijven. Verdachte voldoet daarmee ook aan de zachte ISD-criteria.
Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van 2 jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.

8.Beslag

Onder verdachte is in beslag genomen:
- 1 speelgoedpistool (registratienummer: 251205-329-762);
- 1 schaar (registratienummer: PL1300-2025306237-12);
- 1 zegeltang (registratienummer: PL1300-2025306237-13).
Het speelgoedpistool behoort toe aan verdachte. Nu met behulp hiervan het bewezen geachte is begaan, wordt dit goed verbeurd verklaard.
De schaar en zegeltang kunnen worden teruggegeven aan verdachte.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op artikelen 33, 33a, 38m, 38n en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Legt op de
maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige dadersvoor de duur van
2 (twee) jaren.
Verklaart
verbeurd:
- 1 speelgoedpistool (registratienummer: 251205-329-762).
Gelast de
teruggaveaan verdachte van:
- 1 schaar (registratienummer: PL1300-2025306237-12);
- 1 zegeltang (registratienummer: PL1300-2025306237-13).
Dit vonnis is gewezen door:
mr. C.P.E. Meewisse, voorzitter
mrs. A.L. op ’t Hoog en C.J.M. in ’t Veld-Vernooij, rechters
in tegenwoordigheid van mr. J.J.M. Smolders, griffier
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 februari 2026.
[…]

[…]

[…]

[…]

[…]