ECLI:NL:RBAMS:2026:255

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
781677
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing deels conservatoir derdenbeslag wegens belangenafweging en dreigend faillissement

In deze kortgedingprocedure vordert eiser opheffing van conservatoire derdenbeslagen die door gedaagde zijn gelegd onder de ING bank en een bedrijf. Eiser voert aan dat het beslag haar voortbestaan bedreigt vanwege een aanstaand faillissement. Gedaagde vordert betaling van een geldvordering en heeft een bodemprocedure aanhangig.

De rechtbank oordeelt dat de vordering van gedaagde summierlijk deugdelijk is en dat er een overeenkomst tot stand is gekomen, maar dat eiser de overeenkomst niet is nagekomen. De belangenafweging leidt tot gedeeltelijke opheffing van het beslag onder het bedrijf, zodat eiser haar faillissement mogelijk kan afwenden. Het beslag onder de bank blijft gehandhaafd om zekerheid voor gedaagde te behouden.

De voorzieningenrechter beveelt gedaagde binnen 24 uur het beslag onder het bedrijf op te heffen en geen nieuwe beslagen te leggen, onder dwangsom. De proceskosten worden gecompenseerd en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank heft het beslag onder het bedrijf op en handhaaft het beslag onder de bank, met compensatie van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/781677 / KG ZA 26-20 MdV/MAH
Vonnis in kort geding van 16 januari 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [vestigingsplaats 2] ,
eisende partij bij (concept)dagvaarding op verkorte termijn van 14 januari 2026,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. D.A. Siddiqui,
tegen
[gedaagde] B.V,
te [vestigingsplaats 1] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
vrijwillig verschenen,
advocaat: mr. R. El Gamali.

1.De procedure

1.1.
Bij de zitting op 15 januari 2026 waren aanwezig, voor zover relevant:
- aan de kant van [eiser] : [naam 1] (indirect enig aandeelhouder en bestuurder) met mr. Siddiqui,
- aan de kant van [gedaagde] : [naam 2] (enig aandeelhouder en bestuurder) met mr. El Gamali.
1.2.
Tijdens de zitting heeft [eiser] de dagvaarding toegelicht en heeft [gedaagde] verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht.
1.3.
Vonnis is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[eiser] heeft van [bedrijf] B.V. ( [bedrijf] ) opdracht gekregen om de glazen (ramen en dergelijke) in het pand van de Bijenkorf in Amsterdam te vervangen.
2.2.
Rond 11 juni 2025 heeft [eiser] met [gedaagde] gesproken over een vorm van samenwerking op dit project, waarbij [gedaagde] glaszetters en een voorman zou leveren.
[gedaagde] heeft een voorschotnota gestuurd, die [eiser] niet heeft betaald. [gedaagde] is niet aan het werk gegaan. Het project Bijenkorf is door [eiser] zelf gedaan.
2.3.
Op 30 juli 2025 heeft [gedaagde] aan [eiser] een ingebrekestelling verzonden.
2.4.
Met verlof van 14 oktober 2025 heeft [gedaagde] ten laste van [eiser] conservatoir beslag gelegd onder de ING bank en onder [bedrijf] .
2.5.
De bodemprocedure, waarin [gedaagde] betaling van ruim € 65.000,00 vordert, is inmiddels aanhangig.
2.6.
[eiser] is opgeroepen om dinsdag 20 januari 2026 te verschijnen op de faillissementszitting van deze rechtbank, naar aanleiding van een tegen haar ingediend faillissementsrekest.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I.. [gedaagde] te gebieden binnen 24 uur na vonnisdatum ofwel binnen 24 uur na bete-
kening van het vonnis de gelegde beslagen per omgaande op te heffen, opgeheven te houden en geen nieuwe beslagen te leggen op grond van het verleende verlof van 14 oktober 2025 totdat in een bodemprocedure eindvonnis is gewezen, dan wel een deurwaarder per omgaande opdracht te geven die beslagen per omgaande op te heffen, en [eiser] hiervan gelijktijdig op de hoogte te stellen, op straffe van verbeurte van dwangsommen van € 5.000,00 per dag/dagdeel met een maximum van € 50.000,00;
II. [gedaagde] te veroordelen in de kosten en nakosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro na betekening van het vonnis.
3.2.
[gedaagde] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen indien summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of op grond van een belangenafweging.
4.2.
Voor de beoordeling van de opheffingsvordering is niet doorslaggevend hoe de (volgens [eiser] niet gesloten) overeenkomst moet worden gekwalificeerd. Of het nu een overeenkomst van opdracht of van aanneming is, feit is dat [gedaagde] niet aan het werk is gegaan op het project Bijenkorf. Voorshands is voldoende aannemelijk dat er wel een overeenkomst tot stand is gekomen. Uit het dossier blijkt dat een medewerker van [eiser] aan [gedaagde] heeft geappt dat [gedaagde] maandag 28 juli 2025 om 06.45 uur bij de Bijenkorf moest zijn, nadat [eiser] eerder al een werkmap, toegangspassen en codes had toegestuurd. [gedaagde] stond dus klaar om voor [eiser] aan de slag te gaan. Niet voorstelbaar is dat dat niet op basis van afspraken zou gaan gebeuren.
4.3.
Het lijkt er verder op dat in het weekend voor de start discussie is ontstaan over de door [gedaagde] aan [eiser] gestuurde voorschotnota. Die nota is niet betaald, waarna [gedaagde] haar werkzaamheden niet op 28 juli 2025 is gestart, maar zich is gaan beroepen op opschorting. Daarna is [eiser] gaan construeren dat er geen overeenkomst was gesloten (omdat de verkeerde entiteit op de offerte staat, of omdat [eiser] niet bevoegd werd vertegenwoordigd, of omdat nog niet alle onderdelen van de overeenkomst rond waren), maar die constructie achteraf overtuigt vooralsnog niet.
4.4.
Voorshands is aannemelijk dat de overeenkomst (vooral) door (toedoen van) [eiser] niet is nagekomen. Aannemelijk is dat [gedaagde] hierdoor schade heeft geleden. Zij vordert in de bodemprocedure € 12.000,00 voor een afgezegde onderaannemer en € 53.600,00 voor gemiste winst. Het kan best zijn dat bij precieze beschouwing die berekening te hoog is; niet helemaal duidelijk is bijvoorbeeld of [gedaagde] haar schade niet heeft beperkt, of dat had kunnen doen. Voor de beoordeling van de opheffingsvordering is dat echter niet van belang (er is alleen opheffing gevorderd en geen herbegroting van de vordering).
4.5.
[eiser] wordt vooralsnog niet gevolgd in haar stelling dat [gedaagde] in een telefoongesprek van 28 juli 2025 afstand heeft gedaan van de vordering, dan wel heeft toegegeven dat zij geen schade heeft geleden. [gedaagde] betwist die stelling en in kort geding kan niet worden vastgesteld wie het gelijk aan haar zijde heeft. Zo glashelder is het heimelijk door [eiser] opgenomen telefoongesprek namelijk niet.
4.6.
Gelet op het voorgaande kan niet gezegd worden dat de vordering van [gedaagde] geen enkele kans van slagen heeft. Op die grond worden de beslagen dan ook niet opgeheven. Een afweging van de belangen over en weer leidt echter wel tot de conclusie dat de beslagen, deels, moeten worden opgeheven. Dat wordt hierna toegelicht.
4.7.
Op korte termijn wordt het tegen [eiser] ingediende faillissementsrekest behandeld. Bij de huidige stand van zaken mag ervan worden uitgegaan dat het verzoek zal worden toegewezen en [eiser] dus failliet wordt verklaard. [eiser] heeft toegelicht dat de enige manier om dit te voorkomen is om de aanvrager van het faillissement (en andere schuldeisers) te betalen. Op dit moment is dat niet mogelijk omdat zowel de banktegoeden als de betaling die [bedrijf] gaat doen, beslagen zijn. [eiser] heeft 25 mensen in dienst en heeft op zichzelf een langjarige goede staat van dienst. Blijkbaar is zij recent in de problemen gekomen door toedoen van enkele (inmiddels ontslagen) medewerkers. Het belang van [eiser] bij haar voortbestaan is evident van groot gewicht. Daar tegenover staat het belang van [gedaagde] bij zekerheid voor haar - summierlijk deugdelijke - vordering. Of dat belang het beste gediend is met handhaving van alle door haar gelegde beslagen is echter maar de vraag, omdat daarmee een faillissement van [eiser] onafwendbaar wordt. Indien het faillissement wordt uitgesproken, is [gedaagde] haar zekerheid kwijt en moet zij maar afwachten of de curator haar vordering erkent en zo ja, of er uiteindelijk iets uit te keren valt. De belangenafweging leidt dan ook tot de conclusie dat [eiser] in staat moet worden gesteld om haar aanstaande faillissement zo mogelijk af te wenden.
4.8.
Het onder [bedrijf] gelegde beslag dient daarom te worden opgeheven. Dit beslag heeft, zo bleek ter zitting, doel getroffen voor ruim € 183.000,00. Dat zou voldoende moeten zijn om met de aanvrager van het faillissement een regeling te treffen, en met eventuele andere dringende schuldeisers. Het beslag onder de ING bank mag blijven liggen. Opheffing daarvan zou [eiser] niet verder helpen, omdat dan nog steeds de beslagen resteren die door drie andere crediteuren onder de ING bank zijn gelegd. Bovendien houdt [gedaagde] zo nog enige zekerheid over voor haar summierlijk deugdelijke vordering.
4.9.
Nu beide partijen deels in het gelijk zijn gesteld, worden de proceskosten tussen hen gecompenseerd.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
gebiedt [gedaagde] binnen 24 uur na vonnisdatum de beslagen die zij heeft gelegd onder [bedrijf] op te heffen, opgeheven te houden en geen nieuwe beslagen onder [bedrijf] te leggen op grond van het verlof van 14 oktober 2025, totdat in een bodemprocedure eindvonnis is gewezen, een en ander op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per dag of dagdeel, met een maximum van € 50.000,00,
5.2.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.M. de Vries, bijgestaan door mr. M.A.H. Verburgh, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2026.
Type: MAH
Coll: