ECLI:NL:RBAMS:2026:2539

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
C/13/784468 / HA RK 26-149
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 512 SvArt. 518 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verschoningsverzoek rechter wegens onvoldoende uitzonderlijke omstandigheden

Bij de rechtbank Amsterdam zijn twee strafzaken aanhangig die op 10 maart 2026 door een meervoudige strafkamer worden behandeld. Een lid van deze kamer, tevens universitair docent, diende op 6 maart 2026 twee verschoningsverzoeken in vanwege mogelijke schijn van vooringenomenheid door zijn nevenfunctie en de politieke gevoeligheid van de zaak.

De rechter gaf aan dat zijn betrokkenheid bij studenten en de mogelijke repercussies vanuit de studentengemeenschap zijn vrije oordeel kunnen beïnvloeden. Hij vreesde dat de legitimiteit van de uitspraak onder druk zou komen te staan en dat hij daardoor niet volwaardig zijn functie kon vervullen.

De wrakingskamer oordeelde dat het vermoeden van onpartijdigheid slechts kan worden doorbroken bij uitzonderlijke omstandigheden die zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid opleveren. De enkele omstandigheid dat de rechter universitair docent is en veel met studenten werkt, is onvoldoende uitzonderlijk. Ook het feit dat het scheiden van zijn functies nooit volledig mogelijk is, geldt niet als grond voor verschoning.

De kamer concludeerde dat de door de rechter genoemde argumenten onvoldoende zwaarwegend zijn en dat het dilemma dat hij schetst vaker kan voorkomen zonder aanleiding te geven tot verschoning. Het verzoek tot verschoning werd daarom afgewezen. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek tot verschoning van de rechter is afgewezen wegens onvoldoende uitzonderlijke omstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer

Beslissing op het onder rekestnummer C/13/784468 / HA RK 26-149 ingeschreven verzoek tot verschoning ingediend door:
mr. dr. [naam rechter], rechter-plaatsvervanger, lid van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam op 10 maart 2026, hierna: de rechter.

1.De procedure

Bij de rechtbank te Amsterdam zijn onder parketnummers [nummer 1] en [nummer 2] twee strafzaken aanhangig die op 10 maart 2026 worden behandeld door een meervoudige strafkamer. De rechter is lid van deze meervoudige strafkamer.
Op 6 maart 2026 heeft de rechter met betrekking tot deze zaken twee (inhoudelijk gelijkluidende) verschoningsverzoeken ingediend.
De verzoeken zijn behandeld ter openbare terechtzitting van 9 maart 2026. Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:
de rechter, vergezeld door mr. I. Verstraeten, de plaatsvervanger van zijn teamvoorzitter.
Na afloop van de mondelinge behandeling is, na een schorsing voor beraad in raadkamer, direct mondeling uitspraak gedaan. Deze beslissing vormt de uitwerking van die uitspraak.

2.Het verzoek

2.1.
Aan het verzoek is ten grondslag gelegd dat (in ieder geval) de schijn van vooringenomenheid kan ontstaan, omdat de rechter uit hoofde van een (voormalige) nevenfunctie of nevenbetrekking betrokken is (geweest) bij een procespartij of bij de zaak.
2.2.
De rechter heeft het verzoek als volgt toegelicht:
“Deze zaak betreft een zaak van twee studenten aan de [onderwijsinstelling] die in het kader van een pro-Palestinaprotest ervan worden verdacht een bestuurder van de [onderwijsinstelling] wederrechtelijk van zijn vrijheid te hebben beroofd. Ik heb als universitair docent in [plaats] veel contact met studenten, veel studenten zijn betrokken bij dergelijke protesten en deze rechtszaak zal onder studenten veel besproken worden en wellicht bij het grote publiek tot onrust en afkeuring leiden wat wij ook zullen beslissen. Door de voorzitter ben ik er vandaag in een gesprek op gewezen dat ik veel met studenten te maken heb en dat die betrokkenheid in ieder geval de schijn van partijdigheid zou kunnen wekken, wat er ook wordt beslist.
Zelf had ik nog niet het idee niet vrij te staan in de zaak aangezien ik als rechter-plaatsvervanger een geheel andere functie bekleed en ik die twee functies in mijn hoofd goed kan scheiden. Na het gesprek echter bekroop mij echter wel het gevoel niet vrij te staan. Er gaan nu bij mij een aantal zaken meespelen die een vrije afweging in de weg kunnen gaan staan, ten eerste het gevoel dat de buitenwacht de zaak extra kritisch zal volgen omdat er een UD in de combinatie zit. Dit kan ertoe leiden dat aan de onpartijdigheid van het college getwijfeld gaat worden. Bij nader inzien moet ik er echter ook rekening mee houden dat de zaak mogelijke repercussies tegen mij vanuit de studentengemeenschap met zich mee zal brengen. Dergelijke bedenkingen mogen ter zitting natuurlijk niet ter zake doen, maar naar ik vrees dat ze op de achtergrond toch gaan meespelen. Hierdoor zal ik kortom op eieren gaan lopen. Ik meen daarom dat ik er niet langer voor in kan staan dat ik mijn functie in deze zaak volwaardig kan vervullen. Vandaar dit verschoningsverzoek. Ik dank u hartelijk voor uw tijd en uw overweging van het verzoek.”
2.3.
Ter zitting heeft de rechter nog het volgende toegelicht. De rechter vreest dat hij als universitair docent extra kritisch wordt gevolgd, omdat studenten aan zijn universiteit en ook een aantal docenten sterke opvattingen hebben over de gebeurtenissen in Palestina. Hierdoor wordt de legitimiteit van de uitspraak ondermijnd. De rechter heeft voorts aangevoerd dat deze politiek gevoelige zaken beter beoordeeld kunnen worden door een rechter die geen banden heeft met een universiteit. De rechter is ook rechtssocioloog en weet op die grond dat het in raadkamer moeilijk zal zijn om zijn functies van docent en rechter-plaatsvervanger te scheiden en dat dit een vrije afweging in de weg kan staan. De rechter heeft wel het gevoel dat het hem vrijstaat deze zaak te behandelen, maar hij weet niet of hij in vrijheid kan beslissen gelet op de druk die hij voelt.

3.De beoordeling

3.1.
Op grond van het bepaalde in artikel 518 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) dient in een verschoningsprocedure te worden beslist of er sprake is van de in artikel 512 Sv Pro genoemde feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
Verschoning is een middel ter verzekering van (het vertrouwen in) de rechterlijke onpartijdigheid.
3.3.
De rechtbank overweegt dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
3.4.
De rechter heeft desgevraagd geantwoord dat hij geen vooringenomenheid koestert jegens één van partijen in de hoofdzaak (het subjectieve aspect van de onpartijdigheid). Het gaat in deze zaak dus om de vraag of sprake is van een objectieve vrees van vooringenomenheid. De rechter heeft aangevoerd dat hij “een ongemakkelijk gevoel” heeft bij de behandeling van deze zaak, maar het recht laat verschoning om enkel die reden niet toe. De rechter werkt aan een andere universiteit dan de [onderwijsinstelling] en heeft publiekelijk geen standpunt ingenomen over Palestina of over de gijzeling. Vanuit zijn rechtssociologische achtergrond weet de rechter dat het scheiden van zijn functie als universitair docent en rechter-plaatsvervanger nooit helemaal mogelijk is. De Wrakingskamer oordeelt daarover als volgt. Het moge in zijn algemeenheid zo zijn dat een rechter zijn persoonlijke achtergrond, opvattingen en ervaringen niet kan uitwissen als hij als rechter een zaak beoordeelt, maar dat laat onverlet dat een rechter geacht wordt kritisch naar zijn eigen oordeelsvorming te kunnen kijken. De enkele omstandigheid dat de rechter werkzaam is bij een niet-betrokken universiteit en dat hij veel met studenten werkt, is niet zo uitzonderlijk dat het vermoeden van onpartijdigheid daardoor opzij wordt gezet. Het feit dat het (ook voor de rechter) onmogelijk is zijn werk volledig te scheiden van zijn persoonlijke achtergrond, opvattingen en ervaringen, vormt geen uitzonderlijke omstandigheid als bedoeld in r.o. 3.3. De rechter verschilt daarin immers niet van andere rechters. De Wrakingskamer is van oordeel dat de door de rechter genoemde argumenten onvoldoende uitzonderlijk zijn. Het dilemma dat de rechter heeft geschetst kan zich vaker voordoen en is onvoldoende grond tot verschoning.
3.5.
Het verzoek wordt daarom afgewezen.
De rechtbank:
 wijst het verzoek tot verschoning af.
 beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 518, tweede lid Sv wordt toegezonden aan:
 mr. D. Gaasbeek,
 mr. W. Jebbink,
 mr. L.C. van Leeuwen,
 de officier van justitie mr. R. van Zanten;
 de rechter.
Aldus gegeven door mrs. N.C.H. Blankevoort, voorzitter, K.A. Brunner en I.M. Bilderbeek,
leden, en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.