Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Wrakingskamer
1.De procedure
2.Het verzoek
3.De beoordeling
leden, en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
Rechtbank Amsterdam
Bij de rechtbank Amsterdam zijn twee strafzaken aanhangig die op 10 maart 2026 door een meervoudige strafkamer worden behandeld. Een lid van deze kamer, tevens universitair docent, diende op 6 maart 2026 twee verschoningsverzoeken in vanwege mogelijke schijn van vooringenomenheid door zijn nevenfunctie en de politieke gevoeligheid van de zaak.
De rechter gaf aan dat zijn betrokkenheid bij studenten en de mogelijke repercussies vanuit de studentengemeenschap zijn vrije oordeel kunnen beïnvloeden. Hij vreesde dat de legitimiteit van de uitspraak onder druk zou komen te staan en dat hij daardoor niet volwaardig zijn functie kon vervullen.
De wrakingskamer oordeelde dat het vermoeden van onpartijdigheid slechts kan worden doorbroken bij uitzonderlijke omstandigheden die zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid opleveren. De enkele omstandigheid dat de rechter universitair docent is en veel met studenten werkt, is onvoldoende uitzonderlijk. Ook het feit dat het scheiden van zijn functies nooit volledig mogelijk is, geldt niet als grond voor verschoning.
De kamer concludeerde dat de door de rechter genoemde argumenten onvoldoende zwaarwegend zijn en dat het dilemma dat hij schetst vaker kan voorkomen zonder aanleiding te geven tot verschoning. Het verzoek tot verschoning werd daarom afgewezen. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek tot verschoning van de rechter is afgewezen wegens onvoldoende uitzonderlijke omstandigheden.