ECLI:NL:RBAMS:2026:253

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
764148
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling gebruiksvergoeding en incassokosten voor CTP-machine toegewezen

In deze civiele zaak vordert eiser betaling van een gebruiksvergoeding voor een CTP-machine en bijkomende kosten van gedaagden. Gedaagde 2 moest bewijzen dat zij op 20 november 2020 was gestopt met het gebruik van de machine, maar slaagde hier niet in. De enige overgelegde factuur voldeed niet als voldoende bewijs, mede doordat getuigenverklaringen ontbraken en de factuur onduidelijkheden bevatte.

De rechtbank oordeelde dat het gebruik van de CTP-machine niet eerder dan 31 december 2020 was gestaakt, waardoor geen grond bestond voor vermindering van de gebruiksvergoeding. Gedaagden werden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 28.335,83 plus 12% contractuele rente vanaf 1 januari 2025.

Daarnaast werd een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 1.058,36 toegewezen, conform het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten, met wettelijke rente. Gedaagden werden ook veroordeeld tot betaling van de proceskosten van € 5.258,21. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagden worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de volledige gebruiksvergoeding, contractuele rente, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/764148 / HA ZA 25-291
Vonnis van 21 januari 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. F.T. Zoutberg,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

wonend in [woonplaats] ,
niet verschenen,
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
2.
[gedaagde 2] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 2] ,
hierna te noemen: [gedaagde 2] ,
advocaat: mr. M.A.J. Kemps,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden]

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 22 oktober 2025 en de daarin vermelde stukken,
- de akte van [gedaagde 2] van 5 november 2025, met productie 1,
- de antwoordakte van [eiser] van 3 december 2025.
1.2.
Hierna is opnieuw vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

De bewijsopdracht
2.1.
Bij tussenvonnis is [gedaagde 2] opgedragen te bewijzen dat zij op 20 november 2020 is gestopt met het gebruik van de CTP-machine. Ter uitvoering van de bewijsopdracht heeft [gedaagde 2] één document, te weten een kopie van een op naam van [gedaagde 2] gestelde “
Service Faktuur” van [bedrijf] met als datum 4 mei 2021 ingediend. Op deze factuur is het volgende vermeld:
2.2.
Volgens [gedaagde 2] blijkt uit deze factuur dat [bedrijf] (de eigenaar van de CTP-machine) op 20 november 2020 is begonnen met de demontage van de CTP-machine. Dit toont aan dat [gedaagde 2] de CTP-machine vanaf die datum niet meer heeft gebruikt, aldus [gedaagde 2] .
2.3.
[eiser] betwist de echtheid van de factuur, vindt het opvallend dat deze nu pas wordt overgelegd en stelt zich op het standpunt dat met de factuur niet bewezen is dat het gebruik van de CTP-machine eerder is gestopt dan 31 december 2020.
De bewijswaardering
2.4.
De rechtbank komt tot het oordeel dat [gedaagde 2] niet is geslaagd in het bewijs. Niet bewezen is dat [gedaagde 2] eerder dan 31 december 2020 is gestopt met het gebruik van de CTP-machine. Daartoe is het volgende redengevend.
2.5.
Op de mondelinge behandeling is door de advocaat van [gedaagde 2] gesteld dat het bewijs van het gestaakt zijn van het gebruik van de CTP-machine op 20 november 2020 kan worden geleverd door [gedaagde 1] en werknemers van [bedrijf] te horen als getuigen. In het kader van de mogelijkheid tot bewijslevering heeft [gedaagde 2] echter noch [gedaagde 1] noch werknemers van [bedrijf] als getuige(n) laten horen. Van [gedaagde 1] en de werknemers van [bedrijf] is ook anderszins geen (schriftelijke) verklaring beschikbaar, terwijl zij bij uitstek degene zijn die iets zouden kunnen verklaren over wanneer het gebruik van de CTP-machine is gestopt. Bovendien was [gedaagde 1] , hoewel hij bestuurder is van [gedaagde 2] , ook niet aanwezig tijdens de mondelinge behandeling. Op die zitting heeft [gedaagde 2] zich uitsluitend laten vertegenwoordigen door haar advocaat. Een verklaring van [gedaagde 1] tijdens de mondelinge behandeling ontbreekt dus eveneens.
2.6.
Verder is onduidelijk hoe de inhoud van de factuur zich verhoudt tot de namens [gedaagde 2] tijdens de mondelinge behandeling gegeven toelichting. De advocaat van [gedaagde 2] heeft tijdens die zitting verklaard dat de oude CTP-machine in [locatie] is gedemonteerd en opgehaald, terwijl de nieuwe machine in [vestigingsplaats 2] is geïnstalleerd. Uit de overgelegde factuur blijkt echter niet op welke locatie de demontage en installatie hebben plaatsgevonden. Op de factuur wordt bovendien slechts eenmaal voorrijdkosten in rekening gebracht. Dit strookt niet met de verklaring ter zitting dat de werkzaamheden op twee verschillende locaties zouden zijn verricht.
2.7.
Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden is de enkele overlegging van de factuur door [gedaagde 2] , zonder bijkomende bewijsmiddelen, onvoldoende om aan de bewijsopdracht te voldoen. De rechtbank acht op basis van alleen die factuur dus niet bewezen dat het gebruik door [gedaagde 2] van de CTP-machine eerder is gestopt dan 31 december 2020. Hierdoor is er geen grond voor vermindering van de overeengekomen gebruiksvergoeding voor de CTP-machine.
[gedaagden] moeten € 28.335,83 met contractuele rente betalen
2.8.
Zoals in het tussenvonnis is bepaald, betekent dit dat betaling van het bedrag van € 28.335,83, vermeerderd met de contractuele rente van 12% per jaar vanaf 1 januari 2025, wordt toegewezen. [gedaagde 2] en [gedaagde 1] zijn hoofdelijk aansprakelijk voor dit bedrag.
Buitengerechtelijke incassokosten
2.9.
[eiser] vordert € 1.088,36 aan vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Deze vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). In het tussenvonnis is vastgesteld dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. Het in hoofdsom toewijsbare bedrag van € 28.335,83 levert volgens de staffel in het Besluit een vergoeding op van € 1.058,36 aan buitengerechtelijke kosten, zodat dit lagere bedrag zal worden toegewezen. Over de buitengerechtelijke kosten is de contractuele rente niet toewijsbaar. In plaats daarvan zal de subsidiair gevorderde wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro worden toegewezen.
Proceskosten
2.10.
[gedaagde 2] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
120,21
- griffierecht
2.995,00
- salaris advocaat
1.965,00
(2,5 punt × € 786,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
5.258,21

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 28.335,83, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 12% per jaar over het toegewezen bedrag, met ingang van 1 januari 2025, tot de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.058,36 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
3.3.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 5.258,21, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
3.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T. Kruis, rechter, bijgestaan door mr. N.T. Weessies, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.