De rechtbank Amsterdam heeft op 7 januari 2026 uitspraak gedaan over het verzoek van de veroordeelde tot tussentijdse beëindiging van de ISD-maatregel, die op 18 december 2024 voor twee jaar is opgelegd. De ISD-maatregel is bedoeld ter beveiliging van de maatschappij en ter beëindiging van recidive.
Uit het voortgangsverslag blijkt dat de veroordeelde sinds 3 februari 2025 de maatregel ondergaat. Ondanks verslavingsproblematiek werkt hij mee aan begeleidingstrajecten en terugkeer naar zijn land van herkomst, maar beschikt hij nog niet over de benodigde reisdocumenten. De deskundige en de penitentiaire inrichting adviseren voortzetting van de maatregel vanwege het hoge recidiverisico en het ontbreken van een stabiele woon- en dagbestedingssituatie.
De verdediging betoogt dat de veroordeelde geen adequate begeleiding ontvangt en dat de maatregel daardoor een kale detentie is, wat niet in lijn is met het doel van de ISD-maatregel. De rechtbank oordeelt echter dat er wel degelijk zorg- en hulpverleningstrajecten lopen en dat voortzetting noodzakelijk is om de maatschappij te beschermen en recidive te voorkomen.
De rechtbank concludeert dat beëindiging van de maatregel op dit moment niet verantwoord is, mede gezien het ontbreken van een verblijfsrecht en het risico op terugval in crimineel gedrag. Het verzoek wordt daarom afgewezen en de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel wordt voortgezet.