ECLI:NL:RBAMS:2026:252

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
767740
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:74 BWArt. 6:119 BWArt. 6:162 BWArt. 3:44 lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens ontbreken opzettelijke verzwijging bij overname intellectuele eigendomsrechten

BFNL kocht alle aandelen van MC Child Holding van de verkopers. Na de overname werd BFNL aansprakelijk gesteld door een derde wegens vermeende inbreuk op oudere intellectuele eigendomsrechten (IE) van Stichting Blosse. BFNL stelde dat verkopers informatie over deze oudere rechten en negatief merkonderzoek niet hadden gedeeld, wat een schending van garanties in de koopovereenkomst (SPA) zou zijn. BFNL vorderde schadevergoeding op grond van wanprestatie en onrechtmatige daad.

De rechtbank oordeelde dat de vervaltermijnen voor aansprakelijkheid in de SPA waren verstreken, maar dat deze niet golden bij fraude, opzettelijk wangedrag of opzettelijke verzwijging. BFNL moest dus aantonen dat verkopers bewust informatie hadden verzwegen of onjuiste garanties hadden verstrekt. De rechtbank concludeerde dat dit niet was gebleken. Verkopers hadden een zakelijke beslissing genomen om het merk BLOS te registreren ondanks risico’s, maar dit was geen opzettelijke verzwijging.

Ook de stelling dat verkopers onrechtmatig hadden gehandeld werd verworpen, mede omdat de SPA een exclusieve aansprakelijkheidsregeling bevatte waarbij claims primair tegen de verzekeraar moesten worden gericht. BFNL werd veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank benadrukte dat het ontbreken van bewijs voor opzet of bedrog doorslaggevend was voor de afwijzing van de vorderingen.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van BFNL af wegens ontbreken van bewijs voor opzettelijke verzwijging of bedrog door verkopers.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/767740 / HA ZA 25-949
Vonnis van 21 januari 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BABILOU FAMILY NETHERLANDS B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres,
hierna: BFNL,
advocaat: mr. R.Y.H. Doorduyn,
tegen
1. de coöperatie
MENTHA CAPITAL FUND V COÖPERATIEF U.A.,
gevestigd te Amsterdam
hierna: Mentha Capital,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
hierna: [gedaagde 2] ,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 3] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
hierna: [gedaagde 3] ,
4. de stichting
STICHTING ADMINISTRATIEKANTOOR BLOS KINDEROPVANG,
gevestigd te Amsterdam,
hierna: STAK
5. de commanditaire vennootschap
[gedaagde 5] C.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 3] ,
hierna: [gedaagde 5] CV,
6. de commanditaire vennootschap
[gedaagde 6] C.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 4] ,
gedaagden,
hierna: [gedaagde 6] CV,
advocaat: mr. T.S. Jansen.
Gedaagden zullen hierna gezamenlijk Verkopers worden genoemd.

1.Samenvatting

1.1.
BFNL heeft alle aandelen van MC Child Holding van Verkopers gekocht. Na de overname en na het verstrijken van de in de koopovereenkomst (SPA) opgenomen vervaltermijnen is BFNL door een derde aansprakelijk gesteld, omdat de naam waaronder MC Child Holding kinderopvangen exploiteert (BLOS) inbreuk zou maken op haar intellectuele eigendomsrechten. BFNL vindt dat Verkopers aansprakelijk zijn voor de geleden schade, omdat zij BFNL hadden moeten informeren over de oudere IE-rechten en omdat er garanties in de SPA zijn geschonden. BFNL krijgt ongelijk. Het is niet gebleken dat Verkopers bij de overname welbewust informatie hebben verzwegen of onjuiste garanties hebben verstrekt, terwijl op grond van de SPA – kort gezegd – opzet is vereist voor aansprakelijkheid.
1.2.
De procedure
1.3.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 31 maart 2025 met producties;
- de conclusie van antwoord van 25 juni 2025 met producties;
- het tussenvonnis van 23 juli 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 14 oktober 2025 met de daarin genoemde stukken;
- de brief van de advocaat van BFNL van 3 november 2025 met opmerkingen op de door de rechtbank verstrekte zittingsaantekeningen.
1.4.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

Achtergrond
2.1.
BLOS Groep B.V. (hierna: BLOS Groep) is een familiebedrijf dat in 1992 is opgericht onder de naam Kinderopvang de Vrije Vogels. Sinds 2009 zijn zoon en dochter van een van de oprichters, [naam 1] en [naam 2] , betrokken bij de bedrijfsvoering. In 2017 was De Vrije Vogels een organisatie met vijf kinderdagverblijven en twee locaties voor buitenschoolse opvang.
2.2.
In 2017 is besloten om een kapitaalkrachtige aandeelhouder aan te trekken. In dat kader is De Vrije Vogels in contact gekomen met investeringsmaatschappij Mentha Capital. Begin 2017 heeft Mentha Capital 59,64% van de aandelen in De Vrije Vogels verworven. Nadien werden de aandelen in De Vrije Vogels middels het nieuw opgerichte MC Child B.V. gehouden door Mentha Capital (59,64%), [gedaagde 2] (19,88%), de holdingvennootschap van [naam 1] , [gedaagde 3] (19,88%), de holdingvennootschap van [naam 2] , en de STAK (0,60%). Bestuurders van De Vrije Vogels waren [gedaagde 2] en [gedaagde 3] . De bestuursvergaderingen werden sinds 2017 doorgaans bijgewoond door vertegenwoordigers van Mentha Capital, onder wie [naam 3] , [naam functie] van Mentha Capital (hierna: [naam 3] ).
2.3.
In de zomer van 2017 heeft het bestuur van De Vrije Vogels een strategisch plan opgesteld waarin een actieplan en een
buy & build-strategie is vastgelegd. In september 2017 is de eerste versie van dit plan gepresenteerd aan vertegenwoordigers van Mentha Capital. Tijdens een vergadering op 3 november 2017, waarbij ook [naam 3] aanwezig was, is ook de mogelijkheid verkend om de verschillende labels binnen de organisatie onder één merknaam te profileren. In 2018 heeft het bestuur gekozen voor de nieuwe naam BLOS (waarover later meer).
2.4.
In 2018 is MC Child Holding B.V. opgericht. MC Child Holding werd 100% aandeelhouder van MC Child B.V., die op haar beurt de aandelen hield in BLOS Groep en andere dochtervennootschappen.
2.5.
In de loop van 2018 heeft MC Child Holding 73 kinderopvanglocaties overgenomen.
De SPA
2.6.
Op 19 maart 2021 hebben enerzijds BFNL (als koper) en anderzijds Mentha Capital, [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en STAK (als verkopers) een koopovereenkomst (hierna: de SPA) gesloten. Op grond van de SPA hebben Mentha Capital, [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en STAK op 10 mei 2021 (de
Completion Date) alle aandelen in MC Child Holding overgedragen aan BFNL. De contractuele posities van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn nadien overgenomen door gedaagden [gedaagde 5] CV en [gedaagde 6] CV, de commanditaire vennootschappen van respectievelijk [naam 1] en [naam 2] .
2.7.
MC Child Holding exploiteerde (via haar dochtervennootschappen) (in de SPA samen:
the Group; hierna ook: de groep) op het moment van de overname circa tweehonderd kinderopvanglocaties verspreid over Nederland. Een groot deel van deze kinderopvanglocaties werd op dat moment geëxploiteerd onder de naam BLOS.
2.8.
In de SPA zijn, voor zover van belang, de volgende definities opgenomen:
Breachmeans any Warranty Breach and/or any other breach by the Sellers of the provisions of this Agreement;
Fundamental Warrantiesmeans the Sellers' Warranties included in paragraph 2 (Power and Authority), 3 (Effects of execution of the Agreement), 4 (Shares), paragraph 5 (Subsidiary Shares) and paragraph 6 (The Group) of Annex 10.1;
(…)
Business Warrantymeans any Sellers' Warranty that is not a Fundamental Warranty.
Voor zover van belang, is in artikel 1.2 van de SPA de volgende bepaling over de uitleg van de overeenkomst opgenomen:
(vii) reference to any foreign legal term for any action, remedy, method or form of
proceedings, court or any other legal concept or matter, whether or not a Dutch legal
term is given in brackets after such foreign legal term, shall be deemed reference to
the Dutch legal concept or matter, or to the legal concept or matter which most
nearly approximates the Dutch legal concept or matter as interpreted in a Dutch
context.
2.9.
In de SPA zijn diverse garanties opgenomen, waaronder de volgende:

23.Information

23.1
The Data Room contains any and all information that is likely to be material to a purchaser of the Group. Without limiting the generality of the foregoing, no information was intentionally withheld, or excluded, from inclusion in the Data Room for reasons other than being immaterial to a purchaser of the Group given the size and terms of this Transaction.

12.IP Rights

12.1
The Data Room contains details of all the registered, unregistered and applications for registrations of IP Rights in respect of which a Group Company is the owner.
12.2
All IP Rights materially needed to conduct the Business at all locations of the Group in the ordinary course are (i) validly owned by, licenced to, or used by the Group, (ii) valid and enforceable and have not expired and (iii) to the Sellers' knowledge, not being infringed or opposed by any third party.
12.3
To the best of Seller's knowledge, the right of any Group Company to make use of and/or exploit the IP Rights owned or used by the Group shall not be affected by the execution or performance of this Agreement.
12.4
No Group Company is in breach of any license agreement under which it is entitled to the use of any IP Rights and no Group Company has, in the 12 months prior to the Completion Date, received a written notice alleging that any of the registered IP Rights owned by it is invalid or unenforceable.
12.5
No Group Company has granted any rights to any third party with respect to any Group Company's IP Rights, other than where such IP Rights are granted by way of a valid and binding license.
12.6
To the Sellers' knowledge, no activity carried out by any Group Company infringes or has infringed in the past, or is likely to infringe any IP Rights of any third party.
12.7
To the Sellers' knowledge, no person infringes, has infringed or threatens to infringe any of the IP Rights of any Group Company.
12.8
There are no, and there have not been any, disputes or proceedings with third parties in respect of any IP Rights. To the Seller's knowledge, there are no such disputes or proceedings threatened and there are no circumstances likely to give rise thereto.
2.10.
De SPA bevat onder meer de volgende aansprakelijkheidsbepalingen:
10.2.1
Save in the case of fraud (bedrog), wilful misconduct or intentional concealment (opzettelijke verzwijging) by any of the Sellers, notwithstanding anything to the contrary in this Agreement, the Purchaser confirms that any and all claims (a) for a Business Warranty Breach , or (b) under the Tax Indemnity (each a "W&I Claim") shall be against the W&I Insurance Policy (and not against any Seller).
10.2.2.
The Sellers' maximum aggregate liability for Business Warranty Breaches and under the Tax Indemnity shall not exceed an amount of EUR 1, other than in respect of fraud or wilful misconduct or intentional concealment (opzettelijke verzwijging) by any of the Sellers, in which case no limitation of liability included in this Agreement shall apply.
(…)
11.2
Time limitation
The liability of the Sellers in respect of a Breach shall lapse (eindigen):
(i) in case of a claim under the Fundamental Warranties, the Sellers' liability lapses 3 years after the Completion Date;
(ii) in case of a claim under the Tax Indemnity or otherwise related to Tax, the Sellers' liability lapses 3 months from expiry of the relevant statutory term of limitation for the relevant Tax or, if later, the liability lapses 7 years after the Completion Date; and
(iii) in case of any other claim, the Sellers' liability lapses 24 months after the
Completion Date.
(…)
11.5
Source of remedy
The Purchaser acknowledges and agrees that, absent fraud (bedrog), wilful misconduct or
intentional concealment (opzettelijke verzwijging) of a Seller as referred to in Clause 11.9:
(i) its sole recourse against the Sellers, if any, in respect of any claims under the Business
Warranties and the Tax Indemnity, shall be against the W&I Insurer under the W&I Insurance Policy and not against any of the Sellers or their Representatives on whatever legal basis. The Purchaser shall not be entitled to claim against any Seller if the Damages (or other claim or amounts) under or in connection with a claim pertaining to the Business Warranties and/or the Tax Indemnity are not, or not fully recovered under the W&I Insurance; and
(ii) the Sellers shall not be liable for the excess deductible (eigen risico) of the W&I Insurance Policy, which comes for the risk and account of the Purchaser against the W&I Insurer for any claim under the W&I Insurance Policy in respect of any Business Warranty Breach or under the Tax Indemnity; and
(iii) it shall not be entitled to claim against the Sellers if the Damages under or in connection with a Business Warranty Breach or the Tax Indemnity, are not, or not fully recovered under the W&I Insurance Policy.
(…)
11.9
Fraud
Nothing in this Agreement shall operate to limit any liability in case of fraud (bedrog), wilful misconduct or intentional concealment (opzettelijke verzwijging) by the Sellers. In the event of such fraud, wilful misconduct or intentional concealment by one or more individual Seller, such Seller(s) shall be liable for such actions and the consequences thereof.
(…)
19.4
The Purchaser shall not bring any claim against any director, employee or any natural person otherwise (directly or indirectly) engaged by the Sellers or any of their Affiliates under or in connection with this Agreement, except in the event of wilful intent (opzet), fraud (bedrog) or gross fault (grove schuld) or criminal charges (misdrijven) on the part of such director, employee or other natural person.
Het Merkonderzoek en registratie van de BLOS-Merken
2.11.
In 2018, drie jaar vóór de totstandkoming van de SPA, heeft [naam 1] het marketingbureau Heldergroen (hierna: Heldergroen) opdracht gegeven om een nieuwe naam en merkidentiteit voor de kinderopvanglocaties van MC Child Holding te ontwikkelen. MC Child Holding heeft gekozen voor BLOS.
2.12.
Het merkenbureau Merkwerk heeft in opdracht van [naam 1] onderzoek gedaan naar de beschikbaarheid van het merk BLOS. Op 6 maart 2018 heeft Merkwerk de resultaten van het onderzoek (hierna ook: het Merkonderzoek) met [naam 1] gedeeld. Het Merkonderzoek luidt, voor zover van belang, als volgt:

(…)
- Het merk BLOSSE ten name van Stichting Flore W.M. is niet identiek maar wel sterk gelijkend en het is voor exact dezelfde activiteiten geregistreerd. Zie [internetsite] . Het merk wordt ook voor exact dezelfde activiteiten gebruikt en ik meen dat dit merk een fataal obstakel kan blijken te zijn bij gebruik en registratie van de naam BLOS (voor kinderopvang).
De rood gemarkeerde merken kunnen naar onze mening een fataal obstakel vormen bij registratie en gebruik van uw merk. In geval van een conflict vindt er een vergelijking plaats tussen het bestaande merk en uw jongere merk. Middels een globale beoordeling wordt gekeken naar de totaalindruk, met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het concrete geval. De hierboven besproken merken kunnen naar ons idee in totaliteit met uw merk overeenstemmen, zodat gevaar voor verwarring aannemelijk is bij het relevante
publiek. Om die reden kunnen deze merken een fataal obstakel zijn bij registratie en gebruik van uw merk.
(…)
Ook uit het handelsnaamonderzoek komt BLOSSE naar voren; [internetsite] . Mede omdat deze partij, Stichting Blosse opvang (voorheen waarschijnlijk stichting Flore), ook een merkregistratie bezit voor exact dezelfde activiteiten en de naam tevens in gebruik heeft voor exact dezelfde activiteiten meen ik dat het heel goed mogelijk is dat deze partij bezwaar zal maken tegen gebruik en registratie van de naam BLOS voor kinderopvang activiteiten.
ConclusieUit het merkonderzoek (en het handelsnaamonderzoek) is een merk (BLOSSE) naar voren gekomen die verwarring bij het publiek veroorzaken. Het is mogelijk dat dit merk een fataal obstakel gaat vormen bij gebruik en registratie van het merk BLOS. Wellicht dat u desondanks toch wenst door te gaan met gebruik en registratie van de naam BLOS. Alsdan adviseer ik om de naam voor zeer specifieke producten te registreren, zodoende wordt de kans op bezwaren vanuit Sanoma een beetje kleiner. De kans op bezwaren vanuit stichting Blosse blijven ook dan onverkort bestaan.
(…).”
2.13.
[naam 1] heeft het marktonderzoek diezelfde dag per e-mail doorgestuurd aan Mentha Capital ( [naam 3] ) en [naam 2] :

Verzoek om graag het advies door te nemen om vervolgens verder af te stemmen of we hiermee verder gaan.”
2.14.
[naam 3] (Mentha Capital) reageerde vrijwel meteen met het volgende bericht:

[naam 1] , Blosse blijkt dus ook in de opvang te zitten.
Met de trademark kennis die ik heb (en het advies van deze persoon) lijkt het inderdaad vrijwel onmogelijk deze naam succesvol te registreren. Wellicht goed om Merkwerk nog even te bellen en te overleggen voordat we def op zoek gaan naar een andere naam.”
2.15.
[naam 1] stuurde het Merkonderzoek ook door aan Heldergroen. Heldergroen heeft hem daarop per e-mail bericht dat er volgens hen nog altijd geen barrière is voor registratie van het merk BLOS. Deze e-mail luidt, voor zover van belang, als volgt:

Nogmaals bedankt voor het sturen van de documenten en het delen van je zorgen.
Ik ben er ingedoken en ik zie op basis van deze documenten geen grote problemen. Hieronder mijn toelichting.
Wij zijn natuurlijk (en uitdrukkelijk) geen advocatenbureau en kunnen daarmee geen juridisch advies geven.
Wel weten we - vanuit onze rol als merkbouwers - dat een merk met een krachtige naam,
identiteit en positionering een bepaalde breinpositie in kan nemen waardoor mensen Blos
Kinderopvang jullie organisatie totaal niet zullen associëren met Blos - de lente-editie van Libelle.
(…)
Wat betreft de organisatie ‘Blosse’: dit is de enige organisatie in de lijst die enigszins risicovol is, omdat het lijkt op ‘Blos’ én zich in dezelfde markt bevindt. Weliswaar zitten ze alleen in [plaats] en omgeving en kunnen we met een andere identiteit en uitstraling de organisatie Blos compleet anders neerzetten. Daarbij vind ik Blosse (twee lettergrepen, ‘softer’) ook echt anders dan Blos (1 lettergreep, kort en krachtig), maar ik kan me voorstellen dat dit wellicht niet voor iedereen zo geldt. Des te belangrijker dat het merk Blos in logo en uitstraling totaal niet op Blosse lijkt. Dát is onze job en gaan we ook zeker realiseren. Dit is tevens wat ik teruglees in het advies van Merkwerk; dat middels een globale beoordeling wordt gekeken naar de mogelijke overlap in de totaalindruk.
Wat mij betreft zijn de onderzoeksresultaten van Merkwerk dan ook geen enkele barrière – gezien vanuit ons als merkbouwers. (…)”.
2.16.
[naam 3] (Mentha Capital) heeft [naam 1] na lezing van deze e-mail per e-mail geschreven:

Volgens mij hebben ze het document niet goed gelezen: ze vergeten iig dat er dus wel een partij is met bijna dezelfde naam in dezelfde sector.
2.17.
Hierop heeft [naam 1] gereageerd dat hij zich over Stichting Blosse geen zorgen maakt:

(…) Dit is een stichting (IKC) in [plaats] . Die gaan echt niet moeilijk doen. Is wel net een andere naam en die hebben de energie en middelen niet om de strijd met ons aan te gaan. (…)
Ik heb morgen nog even overleg met MerkWerk hoe zij de risico’s verder inschatten.
2.18.
Op 8 maart 2018 heeft [naam 1] aan MerkWerk de opdracht gegeven om het woordmerk BLOS aan te vragen in het Benelux-merkenregister. Op 4 juli 2018 is dit merk op naam van BLOS Groep geregistreerd.
2.19.
Op 19 augustus 2019 hebben Verkopers contact opgenomen met MerkWerk, omdat zij ook een beeldmerk wilden laten registreren. MerkWerk heeft Verkopers toen per e-mail als volgt bericht:

Mocht het beeldmerk al zijn ingeschreven, dan is het aan de eigenaar van dat beeldmerk om bezwaar te maken. Bij een conflictsituatie gaat het om wie de oudste rechten heeft en in geval onverhoopt een bezwaar volgt dan zullen wij jullie assisteren en adviseren hoe we het beste kunnen omgaan met het conflict en trachten deze op te lossen. Gaat het trouwens om het beeldmerk onderaan jouw handtekening? Indien dat zo is dan verwacht ik geen fataal obstakel omdat we immers het woordmerk BLOS met succes hebben kunnen inschrijven. Het voordeel van een registratie van het beeldmerk is dat je bescherming krijgt op de vormgeving van het logo van de naam BLOS en niet enkel op de naam BLOS. Bescherming van het woordmerk is het belangrijkste (en dat is reeds in orde), maar indien jullie de vormgeving / het logo ook belangrijk vinden, dan is registratie van het logo aan te bevelen.
2.20.
Op 16 oktober 2019 is het beeldmerk aangevraagd. Dit beeldmerk is vervolgens geregistreerd op naam van BLOS Kinderopvang B.V., een dochtervennootschap van MC Child Holding.
2.21.
Het woord- en beeldmerk worden hierna de BLOS-Merken genoemd.
De totstandkoming van de SPA
2.22.
In 2020 zijn Verkopers met BFNL in onderhandeling getreden over de koop van de aandelen in MC Child Holding (de transactie kreeg de projectnaam ‘
Project Robust’). Op 18 november 2020 vond een overleg plaats tussen de CFO van BLOS Groep (bijgestaan door advocaten van DeBreij en financieel adviseur Jefferies International) en twee bestuurders van de moedervennootschap van BFNL (bijgestaan door advocaten van Clifford Chance). In de notulen van dit overleg staat het volgende:
2.23.
Clifford Chance heeft voor BFNL een
due diligenceonderzoek verricht. Verkopers hebben een digitale omgeving beschikbaar gesteld met relevante informatie over (de onderneming van) MC Child Holding en haar dochtervennootschappen (hierna: de Data Room). De Data Room bevatte een overzicht van de BLOS-Merken:
en
In de folder 13.1 VDR “
Intellectual Property” was enkel een document (‘VDR ref: 13.1’) opgenomen dat vermeldde: “
Not applicable”. Verder was, voor zover van belang, de volgende informatie opgenomen in de Data Room (onder “
Information Request List – Legal”):
2.24.
In het kader van het
due diligence-onderzoek heeft BFNL 509 vragen gesteld aan Verkopers over (de onderneming van) MC Child Holding en haar dochtervennootschappen. Twee van de vragen waren toegespitst op intellectuele eigendomsrechten. Op het volgende informatieverzoek hebben de Verkopers op 25 november 2021 geantwoord met “
Not applicable”:

Please inform us of any pending or threatened litigation with respect to any of the intellectual property rights owned or used by the Group. Please inform us of any past material litigation involving intellectual property rights.
2.25.
Op de vraag “
Please confirm that the Group has all intellectual property rights in place that it requires to properly conduct the business of each Group Company” hebben Verkopers geantwoord: “
To our best knowledge, we have all intellectual property rights in place to properly conduct the business of each group Company”.
2.26.
DeBreij heeft namens Verkopers een eerste concept (
auction draft) van de SPA opgesteld die in de Data Room is opgenomen. Op 18 december 2020 heeft Clifford Chance namens (BFNL) opmerkingen op deze concept SPA met Verkopers gedeeld. Hierbij heeft zij de IE-garanties deze per ongeluk verwijderd. DeBreij (Verkopers) heeft deze garanties in het daarop volgende concept van 8 januari 2021 weer teruggeplaatst. Clifford Chance heeft namens BFNL in haar mark-up van 18 februari 2021 aan de IE-garanties drie garanties (12.1, 12.3 en 12.8, zie hiervoor onder 2.9) toegevoegd. Verkopers hebben deze toevoegingen vervolgens zonder opmerkingen geaccepteerd.
2.27.
De adviezen van Heldergroen en MerkWerk (waaronder het Merkonderzoek) bevonden zich niet in de Data Room. Verkopers hebben deze adviezen en het bestaan van het merk BLOSSE voorafgaand aan de overname ook niet op andere wijze gedeeld met BFNL.
Verloop na de SPA
2.28.
Na de aandelenoverdracht heeft BFNL de overgenomen kinderopvanglocaties in haar organisatie geïntegreerd. Meer dan tweehonderd kinderopvanglocaties worden inmiddels geëxploiteerd onder de naam BLOS. Na effectuering van de SPA is [naam 1] enige tijd aangebleven als CEO van MC Child Holding. In de loop van 2022 heeft hij zijn resterende aandelenbelang overgedragen aan BFNL.
2.29.
In augustus 2024 is BFNL benaderd door Stichting Blosse onderwijs (hierna: Stichting Blosse), houder van het in 2017 ingeschreven Benelux-woordmerk BLOSSE (hierna: het BLOSSE-Merk). Nadien heeft BFNL zich laten adviseren door twee advocatenkantoren, welke beide concludeerden dat Stichting Blosse op basis van haar oudere BLOSSE-Merk waarschijnlijk met succes zou kunnen optreden tegen het gebruik van de BLOS-Merken door de kinderopvanglocaties van (inmiddels) BFNL.
2.30.
Op 11 september 2024 ontving BFNL een sommatiebrief van Stichting Blosse, waarin zij BFNL sommeerde om het gebruik van de BLOS-Merken te staken, en de BLOS-Merken door te halen. BFNL en Stichting Blosse hebben, ondanks verschillende briefuitwisselingen en besprekingen, geen onderlinge regeling getroffen op grond waarvan BFNL het gebruik van de BLOS-Merken kan voortzetten. BFNL heeft besloten tot een volledige
rebrandingover te gaan.
2.31.
Op 1 oktober 2024 heeft BFNL aan Verkopers per brief gemeld dat de BLOS-Merken mogelijk een inbreuk vormen op het BLOSSE-Merk en dat dit potentieel een schending van verschillende garanties van de SPA oplevert. Deze brief luidt, voor zover van belang, als volgt:

(…)
This letter serves as a notice to Sellers pursuant to clause 10.4 of the SPA (…)
Purchaser has the preliminary observation that certain Benelux trademark registrations of BLOS Kinderopvang B.V. potentially infringe on certain Benelux trademark registrations of Stichting Blosse onderwijs. This (potentially) constitutes a Breach under the SPA of Sellers' obligations under clause 11.9 SPA and the Fundamental and/or Business Warranties. (…)
We are currently investigating these facts and circumstances. Purchaser reserves its rights to provide further substantiation of this Notice, or of any other facts, circumstances or matters that come to light following this further investigation.
2.32.
[naam 3] heeft daarop per e-mail als volgt gereageerd:

We hebben jullie brief van 1 oktober 2024 in goede orde ontvangen. In reactie kan ik je melden dat deze vermeende inbreuk ons niets zegt. Wij wachten de resultaten van jullie onderzoek verder af en merken bovendien op dat het op jullie weg ligt om een en ander richting de W&I verzekeraar op te pakken.”
2.33.
Bij brief van 1december 2024 heeft BFNL haar bevindingen uit het onderzoek met Verkopers gedeeld. In deze brief, waarin de adviezen van Heldergroen en MerkWerk, het Merkonderzoek en diverse (interne) correspondentie die daarmee verband houdt staan vermeld en worden geciteerd, staat verder, voor zover van belang:

(…)
Undisclosed information
27. It is clear that the aforementioned email exchanges and the advice of MerkWerk and Heldergroen were not disclosed as part of the Project Robust transaction. It is equally clear that Purchaser, on various occasions, requested the information, that the Sellers were obligated to provide during the due diligence phase of Project Robust. Sellers failed to do so. For the avoidance of doubt, Babilou is of the opinion that these facts constitute an event of fraud, willful misconduct, or intentional concealment by Sellers and that Sellers shall be liable for such actions and their consequences without any limitation of liability (cf. clause 11.6 of the SPA).
(…)
Breach of Warranties
28. The aforementioned findings indicate that SBO [Stichting Blosse, rb] holds an earlier trademark registration and a prior tradename registration. It is evident that Sellers were aware of SBO’s prior rights. Sellers were also informed of the potential legal implications by their advisors (i.e., MerkWerk and Heldergroen) but proceeded to register the name, disregarding SBO’s earlier rights. Since Sellers have not disclosed this information as part of Project Robust, they have breached clause 10.1.1 of the SPA, which stipulates that Sellers represent and warrant to Babilou that the Business Warranties are true, accurate, and not misleading on the Signing Date and Completion Date. (…)
(…)
Conclusion & Request
30. We believe that Sellers breached various warranties under the SPA and deliberately concealed information. We hereby ask you to acknowledge liability and coverage, respectively, and we propose to organise an all-party meeting to discuss the settlement of damages already suffered and to be suffered, including a practical workaround to handle the costs yet to be incurred for the rebranding operation. (…)
2.34.
Op deze brief hebben Verkopers op 20 december 2024 als volgt gereageerd:

(…)
However, following Article 11.2 SPA, liability in respect of such breaches lapsed on 10 May 2024 at the latest. To circumvent this lapse of liability, Babilou claimed that its preliminary findings constitute an event of fraud, wilful misconduct, or intentional concealment. Leaving aside the personal offense taken because of the nature of the allegations made, this claim is meritless.
The circumstances mentioned in your letter of 11 December 2024, merely reflect a rational
business decision taken in Q1 2018, based on a sound assessment of risks and benefits. Given the facts that the BLOS brand was registered on 8 March 2018, that SBO did not oppose this registration, that the design of the BLOS brand identity and visualisation materially differs from the Blosse brand and SBO remained silent until August 2024, there was no reason or obligation to disclose the circumstances in the acquisition process that resulted in the consummation of the SPA on 10 May 2021. Sellers acted in good faith and did not withhold relevant information from Purchaser.
In light of the above, we reject liability and do not see a reason for an all-party meeting, other than to further explain our good faith and legal position.”
2.35.
BFNL heeft Verkopers daarop per brief van 23 december 2024 aansprakelijk gesteld voor de schade die zij stelt te hebben geleden door de vermeende schendingen van de garanties in de SPA.

3.Het geschil

3.1.
BFNL vordert, na vermeerdering van eis, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
Primair
( i) voor recht verklaart dat Verkopers, althans één of meerdere van hen, toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de nakoming van de SPA wegens schending van één of meerdere van de garanties en aansprakelijk zijn voor BFNL’s schade;
(ii) Verkopers, althans één of meerdere van hen, hoofdelijk, althans één of meerdere van hen afzonderlijk, veroordeelt tot betaling van EUR 735.725,85 op grond van artikel 6:74 BW Pro, te vermeerderen met wettelijke rente;
(iii) Verkopers, althans één of meerdere van hen, voor het overige hoofdelijk, althans één of meerdere van hen afzonderlijk, veroordeelt tot vergoeding aan BFNL van de schade die zij heeft geleden en/of nog zal lijden als gevolg van de tekortkoming in de nakoming van de SPA wegens schending van één of meerdere garanties, nader op te maken bij staat en te vermeerderen met wettelijke rente;
Subsidiair
( i) Mentha, [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , STAK, althans één of meer van hen, hoofdelijk, althans één of meerdere van hen afzonderlijk, veroordeelt tot betaling van EUR 735.725,85 op grond van artikel 6:162 BW Pro, te vermeerderen met wettelijke rente;
(ii) Mentha, [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , STAK, althans één of meerdere van hen, voor het overige hoofdelijk, althans één of meerdere van hen afzonderlijk, veroordeelt tot vergoeding aan BFNL van de schade die zij heeft geleden en nog zal lijden op grond van artikel 6:162 BW Pro, nader op te maken bij staat en vermeerderd met wettelijke rente,
met hoofdelijke veroordeling van Verkopers tot vergoeding van de proceskosten en nakosten te vermeerderen met wettelijke rente.
Standpunt BFNL
3.2.
Aan haar vorderingen legt BFNL het volgende ten grondslag. Verkopers hebben hun mededelingsplicht en garanties uit de SPA geschonden door BFNL niet te informeren over het bestaan van het Blosse-Merk, de adviezen van MerkWerk (het Merkonderzoek) en Heldergroen en de (interne) correspondentie hierover. Artikel 11.9 SPA is van toepassing, omdat er sprake is van ‘
fraud(bedrog)’, ‘
wilful misconduct’ en/of ‘
intentional concealment’. Verkopers hebben daardoor ook onrechtmatig gehandeld. Daarom zijn Verkopers aansprakelijk voor de schade die BFNL heeft geleden, welke schade met name bestaat uit de kosten voor de onvermijdelijke
rebranding.
3.2.1.
Volgens BFNL hebben Verkopers hun mededelingsplicht geschonden, omdat zij het bestaan van de oudere rechten van Stichting Blosse en de adviezen van Heldergroen en MerkWerk niet met BFNL hebben gedeeld. Gedurende ruim vier maanden hebben Verkopers uitgebreid – onderling én met MerkWerk en Heldergroen – gecorrespondeerd over de keuze voor BLOS en over de bijbehorende juridische risico’s. Verkopers waren zich ervan bewust dat bij de keuze van een nieuw merk een risicoanalyse nodig was. Zij maakten daarvoor ook kosten en kregen een negatief advies. Op basis van hun eigen inschatting dat Stichting Blosse niet zou gaan “
moeilijk doen” maakten Verkopers ondanks dat advies (in weerwil van hun eigen intuïtie en tegen beter weten in) de keuze om tegen het advies van MerkWerk in te gaan en voor BLOS te kiezen. Dat was een besluit over een essentieel onderwerp dat de kern van de onderneming raakt. Verkopers hebben het BLOS-label bovendien als grootste en belangrijkste bedrijfsonderdeel aan BFNL gepresenteerd. Het is onaannemelijk dat Verkopers dit hele proces op het moment van de overname waren vergeten en onvoorstelbaar dat bij een grote deal zoals deze, waarbij partijen juridisch advies genoten en bekend zijn met
due dilligence-onderzoeken, niemand van de Verkopers eraan dacht om dit te
disclosenen BFNL over de merkenrechtelijke risico’s in te lichten. Dat geldt temeer nu BFNL, onder meer door haar informatieverzoeken, het stellen van vragen en het bedingen van garanties, aan Verkopers kenbaar heeft gemaakt dat zij behoefte had aan informatie over het bestaan van de intellectuele eigendomsrechten en eventuele risico’s dat die in rechte zouden kunnen worden aangetast.
3.2.2.
Verkopers zijn aansprakelijk omdat zij meerdere garanties hebben geschonden en omdat de aansprakelijkheidsbepaling van artikel 11.9 van de SPA van toepassing is. Er is immers sprake van ‘
fraud(bedrog)’, ‘
wilful misconduct’ of ‘
intentional concealment(opzettelijke verzwijging)’. Voor toepassing van deze bepaling (‘
wilful misconduct’) is voorwaardelijke opzet voldoende. Voor de (Nederlandse) betekenis van
‘wilfull misconduct’ moet worden aangehaakt bij het rechtsbegrip roekeloosheid. Het is immers een buitenlands juridisch begrip, waarvoor de SPA bepaalt dat aansluiting moet worden gezocht bij een Nederlands rechtsbegrip en in de Engelse rechtspraak is ‘
wilfull misconduct’ gelijkgesteld aan roekeloosheid.
3.2.3.
Uit de volgende omstandigheden volgt dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet aan de zijde van Verkopers:
Verkopers waren op de hoogte van de oudere IE-rechten van Stichting Blosse;
Verkopers zijn door MerkWerk expliciet gewezen op het fatale risico dat de oudere rechten van Stichting Blosse opleveren;
Dit risico is doorgedrongen tot Verkopers, aangezien [naam 3] heeft aangegeven dat het vrijwel onmogelijk zou zijn om de naam BLOS als merk te registreren;
Heldergroen heeft bij het geven van haar visie dat zij geen barrière zien voor gebruik van BLOS gewaarschuwd dat dit niet als juridisch advies kan worden gezien;
[naam 1] heeft intern over Stichting Blosse aangegeven dat hij denkt dat deze partij niet moeilijk gaat doen en Stichting Blosse geen energie en middelen heeft om de strijd aan te gaan;
Een medewerker van De Vrije Vogels heeft [naam 1] gewezen op het bestaan van Stichting Blosse, waarop [naam 1] reageerde Stichting Blosse te kennen, maar niet als risico te zien;
Slechts drie jaar na het Merkonderzoek zijn partijen in onderhandeling getreden over de overname;
BFNL heeft expliciet kenbaar gemaakt dat het voor haar essentieel was dat er geen omstandigheden bestonden die mogelijk aanleiding zouden geven tot een geschil wat betreft de intellectuele eigendomsrechten;
Verkopers hebben hun kennis van Stichting Blosse en de adviezen van Heldergroen en het Merkonderzoek niet gedeeld;
Verkopers hebben verklaringen afgelegd en garanties afgegeven die onverenigbaar zijn met de achtergehouden kennis over Stichting Blosse en het BLOSSE-Merk;
[naam 1] en [naam 2] hebben de inhoud van de aan BFNL overgedragen e-mailboxen verwijderd bij de overname;
Na de aansprakelijkheidsstelling gaf [naam 3] namens de Verkopers eerst aan dat de vermeende inbreuk hen niets zei, terwijl Verkopers op een nadere uitwerking van de aansprakelijkheidsstelling hebben gemeld dat het besluit voor BLOS een “
rational business decision”was “
based on a sound assessment of risks and benefits”.
Standpunt Verkopers
3.3.
Verkopers betwisten de vorderingen en concluderen tot afwijzing. Volgens Verkopers zijn er geen garanties in de SPA geschonden en is aansprakelijkheid onder de garanties vervallen. Verkopers zijn hoe dan ook niet aansprakelijk, omdat er geen bedrog, opzettelijk wangedrag of opzettelijke verzwijging aan de orde is, waardoor artikel 11.9 SPA niet van toepassing is. Verder hebben Verkopers gevorderd dat BFNL wordt veroordeeld tot betaling van hun proceskosten, begroot op achtmaal het toepasselijke liquidatietarief.
3.3.1.
Partijen zijn in de uitvoerig en met juridische bijstand uitonderhandelde SPA een duidelijke risicoverdeling overeengekomen, waarbij Verkopers drie jaar na de
Completion Dateniet meer aansprakelijk gehouden kunnen worden voor een inbreuk op de garanties. Er is een
Warrenty & Indemnity(W&I) verzekering afgesloten met als doel om bepaalde risico’s die voortvloeien uit de garanties onder te brengen bij de verzekeraar. Verkopers hebben met de garanties ingestemd en daarbij uitdrukkelijk aangegeven dat dit meebrengt dat “
er geen restaansprakelijkheid voor de verkopers resteert”. De intellectuele eigendomsrechten van MC Child Holding en haar dochtervennootschappen hebben tijdens de onderhandelingen over de SPA nauwelijks een rol gespeeld. Bij het aangaan van de SPA hebben Verkopers in goede gemoede kunnen verklaren en garanderen dat de groep “
to our best knowledge” alle intellectuele bezat die nodig waren om de bedrijfsactiviteiten op reguliere wijze uit te oefenen en dat er nooit een juridische procedure over de intellectuele eigendomsrechten was geweest of aangekondigd. Ook BFNL heeft de BLOS-Merken nog in ieder geval tot medio 2024 probleemloos kunnen exploiteren.
3.3.2.
Verkopers hebben garanties afgegeven waarvan zij overtuigd waren dat deze juist, accuraat en niet misleidend waren. Van ‘
fraud(bedrog)’, ‘
wilful misconduct’ of ‘
intentional concealment(opzettelijke verzwijging)’ is in ieder geval geen sprake. Daardoor is artikel 11.9 van de SPA niet van toepassing. Verkopers betwisten ook dat voor toepassing van dit artikel voldoende is dat er voorwaardelijke opzet aanwezig is. Voor de uitleg van bedrog en opzettelijke verzwijging moet worden aangesloten bij artikel 3:44 lid 3 BW Pro. Dat ziet enkel op opzet in strikte zin. ‘
Wilful misconduct’ moet niet worden gelijkgesteld aan roekeloosheid. Dit begrip laat zich immers eenvoudig vertalen naar het Nederlandse begrip opzettelijk wangedrag, waarbij aansluiting moet worden gezocht. BFNL heeft verder het verwijderen van ‘
gross neglicence’ uit de SPA geaccepteerd. Daarmee heeft zij er uitdrukkelijk mee ingestemd dat in geval van roekeloosheid geen beroep op artikel 11.9 van de SPA openstaat.
3.3.3.
De keuze voor BLOS is tot stand gekomen na zorgvuldige afweging en intensief intern (telefonisch) overleg, waarbij de adviezen van MerkWerk en Heldergroen als basis hebben gediend. Verkopers waren zich bewust van het risico op een eventuele oppositie, maar achtten dat risico gering:
Het advies van MerkWerk was niet ondubbelzinnig en definitief. Op het moment dat MerkWerk de opdracht om het merk BLOS te registreren aanvaardde, heeft zij geen voorbehoud gemaakt. Uit de e-mails van [naam 1] aan [naam 3] en de medewerker van De Vrije Vogels blijkt dat hij op basis van hetgeen Heldergroen had geadviseerd meende dat zich geen merkenrechtelijk risico voordeed indien de BLOS-Merken voldoende onderscheidend waren van het BLOSSE-Merk;
In de kinderopvangsector bestaan veel namen die op elkaar lijken (zoals Bloei en Bureau Bloei, Bloem, Bloom en Bloesem, of Baloe, Baloo en Baloeke) en deze namen lijken zonder problemen naast elkaar te bestaan;
In de kinderopvangsector baseren ouders hun keuze op kwaliteit, ervaringen van bekenden en nabijheid van de locatie, niet op de naam van een kinderopvang. Daarom is de kans op verwarring nihil;
Heldergroen heeft aan [naam 1] bericht dat het Merkonderzoek voor hen geen barrière vormde als de identiteit en de uitstraling van de organisatie anders neergezet zou worden;
Bij de registratie van het beeldmerk bevestigde MerkWerk het gevoel van Verkopers dat met de succesvolle registratie van de merknaam BLOS de bescherming van het merk in orde was;
Stichting Blosse was een relatief kleine speler, vooral actief in de omgeving van [plaats] . Verkopers hadden ten tijde van de merkaanvragen geen intentie om zich in die regio te vestigen;
De BLOS-Merken zijn probleemloos en zonder bezwaar geregistreerd, waarna Stichting Blosse en het BLOSSE-Merk van de radar van Verkopers zijn verdwenen;
Verkopers waren ervan overtuigd dat er geen risico was en na registratie van de BLOS-Merken is Stichting Blosse eenvoudigweg niet meer ter sprake gekomen bij Verkopers;
In de jaren na de registratie van de BLOS-Merken heeft Stichting Blosse geen bezwaar gemaakt en heeft geen enkele partij zich met klachten gemeld, terwijl de onderneming van de groep zich onder de naam BLOS intussen had ontwikkeld tot een landelijk bekende organisatie, waarvoor ook landelijk veel reclame werd gemaakt (het bestaan van de BLOS-Merken kan Stichting Blosse dan ook niet zijn ontgaan);
Verkopers hebben grootschalig geïnvesteerd in de BLOS-Merken na registratie. Dat hadden zij nooit gedaan als ze zich bewust waren van het risico dat de merknaam niet houdbaar zou zijn;
Na de registratie speelden – en ging de aandacht van Verkopers uit naar – andere strategische en operationele vraagstukken, waaronder het begeleiden van overnames en de complexe COVID-periode waarin kinderopvang onder zware druk kwam te staan.
3.3.4.
Onder deze omstandigheden bestond er op het moment dat Verkopers met BFNL in gesprek traden over de mogelijke overname – toen de BLOS-Merken al twee jaar succesvol en zonder problemen werden geëxploiteerd – geen aanleiding voor Verkopers om BFNL hierover actief te informeren. Zij hebben er eenvoudigweg niet aan gedacht om de adviezen van Heldergroen en MerkWerk in de Data Room op te nemen. Verkopers zagen op dat moment geen risico meer waarvoor gewaarschuwd moest worden. Er zijn geen aanwijzingen voor opzettelijke verzwijging van deze informatie; er zijn juist aanwijzingen waaruit blijkt dat het bedrieglijke oogmerk tot misleiding van BFNL heeft ontbroken:
  • i) [naam 1] is na de overname aangebleven als CEO van MC Child Holding om de continuïteit van de onderneming te waarborgen en de overgang naar een nieuwe CEO zorgvuldig te begeleiden;
  • ii) [naam 1] heeft BFNL bij zijn vertrek uit de organisatie toegang verleend tot zijn zakelijke mailbox, waarin alle correspondentie over de merkregistratie van BLOS en de e-mailcorrespondentie met Heldergroen en MerkWerk (waaronder het Merkadvies) zich bevond waarop BFNL haar vorderingen op Verkopers thans baseert;
  • iii) De oprechtheid van de Verkopers blijkt uit de eerste reactie van [naam 3] op de aansprakelijkheidsstelling waarin hij aangaf dat de vermeende inbreuk hem niets zei; hij wist toen simpelweg niet meer waar het over ging.
3.3.5.
Uit deze omstandigheden blijkt dat Verkopers ervan overtuigd waren dat de afgegeven garanties juist en niet misleidend waren. Ook volgt uit deze omstandigheden dat zij niet opzettelijk onjuiste mededelingen hebben gedaan aan BFNL of informatie hebben verzwegen met als doel om BFNL oneigenlijk te bewegen tot het aangaan van de SPA.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Vaststaat dat BFNL Verkopers pas na het voltooien van de in artikel 11.2 van de SPA overeengekomen vervaltermijnen aansprakelijk heeft gesteld voor de schade die zij stelt te hebben geleden door de vermeende schendingen (‘
Breach’) van de garanties (‘
Sellers’ Warranties’) in de SPA.
Vervaltermijnen
4.2.
Verkopers stellen dat met het voltooien van de vervaltermijnen iedere aansprakelijkheid van Verkopers is komen te vervallen. BFNL doet evenwel een beroep op artikel 11.9 van de SPA. Volgens Verkopers ziet deze uitzondering niet op de vervaltermijnen. Hierin worden Verkopers niet gevolgd. Artikel 11 SPA Pro draagt de titel “
Limitation of Sellers’ liability”. Vervolgens staan in lid 2 (“
Time limitation”) de vervaltermijnen. In de leden 3 tot en met 8 staan andere beperkingen. Artikel 11 sluit Pro af met lid 9 (“
Fraud”):

Nothing in this Agreement shall operate to limit any liability in case of fraud (…), wilful misconduct or intentional concealment (…) by Sellers. In the event of such fraud, wilful misconduct or intentional concealment (…) Seller(s) shall be liable for such actions and the consequences thereof.
4.3.
De SPA is een gedetailleerde overeenkomst waarover door partijen – bijgestaan door deskundige adviseurs – uitvoerig is onderhandeld. In dat geval komt aan de bewoordingen van het contract veel betekenis toe. Uit de tekst van artikel 11.9 “
nothing in this agreement” en de plaats van deze bepaling in de SPA (artikel 11 met Pro als titel “
Limitation of Sellers’ liability”) kan niet anders worden afgeleid dan dat de uitzondering van artikel 11.9 ziet op
allebeperkingen van aansprakelijkheid (die in dit artikel zijn opgenomen), dus ook de beperking in de tijd. Er zijn geen aanwijzingen – Verkopers hebben daartoe in ieder geval niets concreets gesteld – om aan te nemen dat partijen deze uitzondering niet van toepassing hebben willen laten zijn op de vervaltermijnen.
‘Fraud (bedrog)’, ‘wilful misconduct’ of ‘intentional concealment (opzettelijke verzwijging)’?
4.4.
Dit betekent dat BFNL mogelijk wel een vordering heeft op Verkopers in het geval dat sprake is van ‘
fraud(bedrog)’, ‘
wilful misconduct’ of ‘
intentional concealment(opzettelijke verzwijging)’ aan de zijde van Verkopers, maar ook alleen als daarvan sprake is. Eerst moet dus de vraag worden beantwoord wat partijen hiermee hebben bedoeld.
4.4.1.
Wat bedoeld wordt met ‘
intentional concealment(opzettelijke verzwijging)’ is duidelijk en tussen partijen ook niet in geschil.
4.4.2.
Ook zijn partijen het erover eens dat de maatstaf van artikel 3:44 lid 3 BW Pro moet worden toegepast, waarin is bepaald dat bedrog aanwezig is wanneer iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door (i) enige opzettelijk daartoe gedane onjuiste mededeling, (ii) het opzettelijk daartoe verzwijgen van enig feit dat de verzwijger verplicht was mede te delen, of (iii) een andere kunstgreep. Partijen verschillen van mening of voor bedrog ook ‘voorwaardelijk’ opzet voldoende is. BFNL meent van wel, Verkopers menen van niet. In de literatuur wordt ook wel verdedigd dat ‘voorwaardelijk’ opzet voldoende is. Dit zou dan betekenen dat voldoende is dat de bedrieger niet zozeer bewust de ander beweegt tot een bepaalde rechtshandeling, maar de aanmerkelijke kans hierop voor lief neemt. [1] In het midden kan blijven of van bedrog ook sprake kan zijn in het geval van ‘voorwaardelijk’ opzet in deze zin, aangezien wat betreft de rechtbank ook die lat niet wordt gehaald. Zoals hierna zal worden toegelicht, hebben Verkopers geen (bewuste) keuze gemaakt om – kort gezegd – de informatie over de BLOS-Merken niet te delen.
4.4.3.
Partijen verschillen voorts van mening over de betekenis van het begrip ‘
wilful misconduct’. Volgens BFNL moet voor de (Nederlandse) betekenis van
‘wilfull misconduct’ worden aangehaakt bij het rechtsbegrip roekeloosheid. BFNL wijst erop dat het een buitenlands juridisch begrip is, waarvoor de SPA bepaalt dat aansluiting moet worden gezocht bij een Nederlands rechtsbegrip. Volgens BFNL wordt in de Engelse rechtspraak ‘
wilfull misconduct’ gelijkgesteld aan roekeloosheid. BFNL wordt in haar uitleg niet gevolgd. Niet gesteld of gebleken is dat partijen hebben onderhandeld over de betekenis van dit begrip. Dus zal (weer) moeten worden gekeken naar de tekst van de overeenkomst en wat zich in de onderhandelingen wél heeft voorgedaan. Allereerst hebben Verkopers onweersproken gesteld dat ‘
gross neglicence’ in een eerder concept van de SPA was opgenomen, maar dat BFNL het verwijderen daarvan zonder meer heeft geaccepteerd. Dit is een aanwijzing dat partijen roekeloosheid hebben willen uitsluiten. Ook valt in de SPA geen aanknopingspunt te vinden dat een daarin opgenomen Engelstalig begrip de betekenis zou hebben die daar in het Engelse recht aan wordt gegeven. Integendeel, in artikel 1.2 (vii) staat juist dat zoveel mogelijk aansluiting moet worden gezocht bij “
the Dutch legal concept or matter”. Ook het feit dat in artikel 19.4 van de SPA ‘
wilful intent’ door partijen is vertaald als ‘opzet’ is, zoals Verkopers terecht betogen, een aanwijzing dat met ‘
wilful misconduct’ ‘opzettelijk’ wangedrag is bedoeld, wat ook de letterlijke vertaling van dit Engelse begrip in het Nederlands is (en de vertaling volgens het Juridisch-Economisch Lexicon). Roekeloos handelen is dus onvoldoende voor aansprakelijkheid van Verkopers.
4.5.
De vraag die voorligt is dus niet of Verkopers hun mededelingsplicht hebben geschonden – en hun
disclosure-verplichtingen (de
disclosure-garantie in artikel 23.1 SPA) hebben geschonden – of onjuiste mededelingen hebben gedaan door andere garanties (‘
Sellers’ Warranties’) te geven waarvan zij wisten (of behoorden te weten) dat die onjuist waren, maar of zij dat welbewust hebben gedaan. Het gaat erom of zij het bestaan van het BLOSSE-Merk (en de eerdere inschrijving daarvan) welbewust niet hebben gemeld en/of de adviezen van Heldergroen en MerkWerk en de (interne) correspondentie daarover welbewust niet hebben opgenomen in de Data Room. Geoordeeld wordt dat dit niet het geval is en dat van ‘
fraud(bedrog)’, ‘
wilful misconduct’ of ‘
intentional concealment(opzettelijke verzwijging)’ als bedoeld in (artikel 11.9 van) de SPA dan ook geen sprake is. Hetgeen BFNL (op wie de bewijslast rust) heeft aangevoerd is onvoldoende om hiertoe te kunnen concluderen, integendeel. Dit wordt hierna toegelicht.
4.6.
Verkopers hebben met hun beslissing om voor BLOS te kiezen welbewust het – in hun ogen aanvaardbare – risico aanvaard dat was gesignaleerd door MerkWerk. Dat is een
business decisiongeweest. Het nemen van dergelijke beslissingen is wat ondernemers doen en mogen doen, ook als een adviseur heeft gesproken van een “fataal obstakel” en een van de betrokkenen ( [naam 3] ) eerder heeft geschreven dat het hem “vrijwel onmogelijk [leek] deze naam succesvol te registreren”. Met BFNL vindt de rechtbank het opmerkelijk dat er kennelijk geen enkele schriftelijke vastlegging is van de (interne) afweging die tot deze beslissing heeft geleid in de vorm van notulen van bestuursvergaderingen of e-mails, maar dat neemt niet weg dat Verkopers deze beslissing hebben genomen en opdracht hebben gegeven tot registratie van het woordmerk BLOS. Naar aanleiding van de vraag van de rechter hoe het mogelijk is dat zij voor BLOS hebben gekozen in de wetenschap dat MerkWerk Blosse een fataal obstakel had genoemd, heeft [naam 1] de beslissing om voor BLOS te kiezen ter zitting – zoals zakelijk weergegeven vastgelegd in de zittingsaantekeningen – als volgt toegelicht:

Ik ben dagelijks bezig met risico’s. Het stuk met MerkWerk heb ik praktisch moeten inschatten. Heldergroen heeft daarbij geholpen. Ik vond BLOS en Blosse echt anders. Dat vond Heldergroen ook. Er zijn in de markt veel partijen met vergelijkbare namen. Het is niet in de aard van een partij uit de kinderopvang om er hard in te gaan. Om überhaupt een merk te registreren is vooruitstrevend. Heldergroen heeft een stellige positie ingenomen en er is ook contact geweest met MerkWerk. Wij vonden het risico aanvaardbaar. De registratie was succesvol; er werd geen oppositie ingesteld. Dat was voor mij een bevestiging dat het risico verwaarloosbaar was. We hadden anders nooit zoveel in het merk geïnvesteerd.
4.7.
Dat Verkopers met deze beslissing welbewust een risico hebben genomen, is echter niet van belang voor de beoordeling. Relevant is dat, zoals Verkopers stellen en in hun schriftelijke verklaringen en ter zitting hebben toegelicht, dit (fatale) risico dat MerkWerk zag daarna volledig van de radar is verdwenen, en dat dit in het licht van het tijdsverloop en de ontwikkelingen in die periode begrijpelijk is. Het eerder gesignaleerde en gepercipieerde risico bleek zich in de praktijk immers niet voor te doen:
  • de registratie van het woordmerk BLOS verliep zonder problemen (ook geen oppositie van Stichting Blosse of een andere partij);
  • dit geldt ook voor de registratie van het beeldmerk BLOS, een jaar later;
  • bovendien schreef MerkWerk toen dat zij bij de inschrijving van het beeldmerk BLOS “geen fataal obstakel” verwachtte, omdat het woordmerk BLOS inmiddels met succes was ingeschreven, en dat bescherming van het woordmerk het belangrijkste was en reeds in orde;
  • de uitrol van de BLOS-Merken gebeurde zonder problemen, ondanks het feit dat de BLOS-Merken landelijk steeds zichtbaarder werden;
  • de aandacht en tijd van Verkopers (in het bijzonder de bestuurders en [naam 3] ) werd daarna opgeslokt door de snelle groei van de onderneming, COVID en de gewone bedrijfsvoering.
In het licht daarvan is het geloofwaardig dat Verkopers eenvoudigweg niet meer hebben gedacht aan het bestaan van het BLOSSE-Merk en de adviezen van Heldergroen en MerkWerk (die op het moment dat de gesprekken over de mogelijke overname door BFNL een aanvang namen en de Data Room werd ingericht meer dan tweeënhalf jaar ‘oud’ waren en ingehaald door de tijd).
4.8.
Hetgeen BFNL heeft aangevoerd om te onderbouwen dat wél sprake is van ‘
fraud(bedrog)’, ‘
wilful misconduct’ of ‘
intentional concealment(opzettelijke verzwijging)’, maakt dit, zoals hierna wordt besproken, niet anders.
4.8.1.
Dat, zoals BFNL betoogt, Verkopers wél bewust de beslissing hebben genomen deze informatie niet te delen, volgt niet uit passages uit de conclusie van antwoord en de schriftelijke verklaringen van Verkopers die BFNL citeert. De zin uit de conclusie van antwoord die BFNL aanhaalt (“
Deze informatie werd door Verkopers niet gezien als voor de overname van MC Child Holding relevante informatie in het kader van de verkoop van MC Child Holding.”) impliceert, anders dan BFNL het brengt, niet dat “willens en wetens” een “inschatting” is gemaakt of deze informatie wel of niet moest worden gedeeld. Ook hier leest de rechtbank dat Verkopers er gewoon niet aan hebben gedacht.
4.8.2.
Ook is niet onbegrijpelijk dat tijdens het
due diligenceonderzoek en de onderhandelingen over de (tekst van de) SPA bij Verkopers niet alsnog een belletje is gaan rinkelen. Anders dan BFNL het wil doen voorkomen, hebben de intellectuele eigendomsrechten niet veel aandacht gehad tijdens het verkoopproces en heeft BFNL daar ook niet de nadruk op gelegd. BFNL heeft slechts twee vragen gesteld (en die waren ook nog niet erg specifiek), en zelf abusievelijk de IE-garanties uit het eerste concept verwijderd. De door BFNL – nadat Verkopers de garanties weer hadden teruggeplaatst – aangebrachte toevoegingen zijn door Verkopers zonder meer aanvaard. Over de IE-garanties is dus hoegenaamd niet onderhandeld.
4.8.3.
Ook het feit dat [naam 3] in reactie op de eerste aansprakelijkheidsstelling reageerde met de woorden dat “
deze vermeende inbreuk ons niets zegt”, maar dat Verkopers zich later weer wisten te herinneren dat het besluit voor BLOS een “
rational business decision” was “
based on a sound assessment of risks and benefits” en hoe die beslissing tot stand was gekomen, is ook geen reden om aan te nemen dat Verkopers hebben geprobeerd iets te verbergen. Het past bij de gang van zaken zoals door Verkopers geschetst: het was van de radar verdwenen. Dat men na de tweede aansprakelijkheidsstelling – waarin ook alle adviezen en e-mailcorrespondentie rond de keuze voor en de registratie van de BLOS-Merken werden opgesomd en geciteerd – kon reconstrueren hoe het was gegaan, is niet vreemd.
4.8.4.
Voor zover al van belang heeft BFNL in het licht van de betwisting door Verkopers onvoldoende onderbouwd dat Verkopers nu zouden beweren dat MerkWerk, hoewel zij in haar advies sprak van een ‘fataal obstakel’ later zou hebben gezegd dat het allemaal wel mee zou vallen (hetgeen MerkWerk in een op verzoek van BFNL opgemaakte verklaring ontkent). Dat volgt niet uit de verklaring van [naam 1] waaruit BFNL een enkele zin citeert. De advocaat van Verkopers stelt terecht (ter zitting): “
Er is helemaal niet door Verkopers gesteld dat MerkWerk geen barrière zag. Dat is een quote uit de email van Heldergroen. Eiseres haalt dat uit de context.
4.8.5.
BFNL heeft nog aangevoerd dat [naam 1] bij zijn vertrek bij MC Child Holding zijn e-mails zou hebben gewist. Dat is eenvoudigweg niet waar. Ter zitting werden Verkopers en de rechter opeens geconfronteerd met screenshots van de mailboxen van [naam 1] en [naam 2] . [naam 1] heeft, na bestudering daarvan tijdens een korte schorsing, toegelicht dat hij zijn inbox altijd heeft opgeruimd en dan worden de e-mails verplaatst naar de prullenbak. Alle e-mails die hij in de loop der jaren toen hij werkzaam was bij de onderneming heeft ontvangen waren daar nog te vinden, waaronder alle correspondentie met Heldergroen en MerkWerk en de verdere (interne) e-mailcorrespondentie over de merken BLOS en BLOSSE. BFNL heeft nota bene in de ‘prullenmand’ van [naam 1] kennelijk alle stukken gevonden waarop zij haar vorderingen in deze procedure baseert (al die stukken zijn al genoemd en daaruit is uitvoerig geciteerd in de brief van 1 december 2024). Als [naam 1] deze informatie daadwerkelijk had willen wissen en voor BFNL onvindbaar had willen maken, had hij wel geweten dat verplaatsen naar de prullenbak daarvoor onvoldoende was en had hij wel geweten hoe hij deze items permanent had moeten verwijderen. Hij voerde – zo heeft hij ter zitting onweersproken verklaard – het beheer van de IT van de onderneming en had de ‘
admin rights’. Hij voegde hieraan toe: “
Als ik kwaad had gewild, dan had ik alles verwijderd.” Ook dit argument kan BFNL dus niet baten. Integendeel: het geeft de rechtbank de overtuiging dat Verkopers geen kwade bedoelingen hadden.
4.9.
Dit alles betekent dat de vorderingen die zijn gegrond op wanprestatie (schending van de SPA) stranden.
Onrechtmatige daad?
4.10.
Datzelfde lot treffen de vorderingen die zijn gegrond op onrechtmatige daad. Partijen zijn in de SPA overeengekomen (artikel 11.5):

The Purchaser acknowledges and agrees that (…) its sole recourse against the Sellers, if any, in respect of any claims under the Business Warranties (….) shall be against the W&I Insurer (…) and not against the Sellers (…) on whatever legal basis. (…)”.
4.11.
De uitleg die BFNL aan deze bepaling probeert te geven – te weten dat dit artikel uitsluitend ziet op contractuele aansprakelijkheid – is niet te volgen. De woorden “
whatever legal basis” omvatten ‘
obviously’ ook aansprakelijkheid op
allegronden, dus ook onrechtmatige daad. Er zijn geen aanwijzingen – BFNL heeft daartoe in ieder geval niets concreets gesteld – om aan te nemen dat partijen dit niet zo hebben bedoeld. Ook voor een vordering op grond van onrechtmatige daad is dus ‘
fraud(bedrog)’, ‘
wilful misconduct’ of ‘
intentional concealment(opzettelijke verzwijging)’ vereist.
4.12.
Dit betekent dat alle vorderingen worden afgewezen en dat BFNL zal worden veroordeeld in de proceskosten.
Geen van liquidatietarief afwijkende proceskostenveroordeling
4.13.
Verkopers hebben gevorderd dat de proceskosten worden begroot op achtmaal het toepasselijke liquidatietarief, omdat BFNL misbruik van procesrecht heeft gemaakt, dan wel onrechtmatig heeft geprocedeerd, aangezien BFNL haar vorderingen heeft gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende of had behoren te kennen en op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden.
4.14.
Deze vordering wordt afgewezen. Voor toewijzing ervan bestaat geen grond.
4.15.
De proceskosten van Verkopers worden aldus aan de hand van het toepasselijke liquidatietarief begroot op:
- griffierecht
6.861,00
- salaris advocaat
7.004,00
(2 punt × € 3.502)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
14.043,00
4.16.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van BFNL af,
5.2.
veroordeelt BFNL in de proceskosten van € 14.043,00, te betalen binnen acht dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening, als BFNL niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt BFNL tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen acht dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, rechter, bijgestaan door mr. N.T. Weessies, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.

Voetnoten

1.Bijv. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/252