ECLI:NL:RBAMS:2026:2516

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
11722639 CV EXPL 25-7711
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:233 BWArt. 6:248 BWArt. 6:74 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering boete wegens niet retourneren designer tas wegens oneerlijk boetebeding

In deze civiele zaak vordert verhuurster een boete van €15.000,- wegens het niet retourneren van een gehuurde designer tas door de huurder. Bij een eerder tussenvonnis was vastgesteld dat het boetebeding waarop de vordering is gebaseerd oneerlijk is. Verhuurster stelde dat het beding gesplitst kon worden en dat in ieder geval de wettelijke schadevergoeding kon worden gevorderd.

De kantonrechter oordeelt dat het boetebeding niet gesplitst kan worden omdat de bepalingen in samenhang oneerlijk zijn. De boetebepalingen bevatten geen maximum en kunnen leiden tot een onbeperkte boete die losstaat van de daadwerkelijke schade. Dit is in strijd met de jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie, dat het geheel schrappen van oneerlijke bedingen vereist om de afschrikkende werking te behouden.

Verhuurster kon ook niet worden gevolgd in haar beroep op de terugvalleer en het Kanyeba-arrest, omdat hier sprake is van een geldige overeenkomst met oneerlijke bedingen en niet van buitencontractuele aansprakelijkheid. De vordering wordt daarom afgewezen en verhuurster wordt veroordeeld in de proceskosten, die nihil zijn aan de zijde van de huurder.

Uitkomst: De vordering tot boete wegens niet retourneren van de designer tas wordt afgewezen wegens oneerlijk boetebeding.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 11722639 CV EXPL 25-7711
vonnis van: 27 februari 2026
fno.: 515

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

[eiseres] , h.o.d.n. [handelsnaam] ,

wonende te [woonplaats 1] ,
eiseres,
nader te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. R. Teyhoff,
t e g e n

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde,
nader te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.

VERDER VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Op 7 oktober 2025 is een tussenvonnis gewezen. Ter uitvoering van dat tussenvonnis heeft [eiseres] een akte ingediend. Deze akte is ook aan [gedaagde] gestuurd, maar die heeft daarop niet gereageerd.
Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Beoordeling

Bij voormeld tussenvonnis, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast geldt, is overwogen dat het in de overeenkomst opgenomen boetebeding dermate nadelig is voor [gedaagde] dat daardoor het evenwicht tussen de rechten en plichten van partijen aanzienlijk is verstoord en daarom oneerlijk wordt bevonden. [eiseres] is in de gelegenheid gesteld zich daarover uit te laten.
Namens [eiseres] is het volgende aangevoerd, zakelijk weergegeven. Het boetebeding hoeft niet integraal als oneerlijk te worden beschouwd en dient te worden gesplitst in drie onderdelen. Het beding bestaat uit drie zelfstandige onderdelen die op inhoudelijke gronden kunnen worden onderscheiden, aldus [eiseres] . Zij verschillen wezenlijk voor wat betreft hun doel, hun temporale bereik en hun berekening voor het bedrag dat moet worden betaald. Het eerste onderdeel, eenmalig 100% van de handelswaarde van de tas, heeft ten doel de verantwoordelijkheid voor het gehuurde bij de huurder neer te leggen. Het tweede deel, per dag 50% van de huurprijs voor 14 dagen, heeft ten doel de verhuurder te vergoeden voor het langere gebruik van het gehuurde en het derde deel, per dag 200% van de huurprijs vanaf 14 dagen na afloop van de huurperiode, heeft ten doel om een koop zonder teruggave-actie te voorkomen. De eerste twee onderdelen kunnen volgens [eiseres] in stand blijven mocht het derde onderdeel als oneerlijk worden beoordeeld. Daarvoor bestaat ook voldoende rechtvaardiging. Verder kan de subsidiaire vordering, gebaseerd op de contractuele aansprakelijkheid van [gedaagde] worden toegewezen. De Europese terugvaljurisprudentie is gebaseerd op het doel van de richtlijn, de bescherming van de zwakkere positie van de consument. In dit geval is [eiseres] degene die zich in een zwakkere positie bevindt. Bovendien berust de subsidiaire vordering volgens [eiseres] op de buitencontractuele aansprakelijkheid. De contractuele aansprakelijkheid levert tevens een onrechtmatige daad op die losstaat van de contractuele rechtsverhouding tussen partijen. Met verwijzing naar het Kanyeba-arrest (HvJ EU 7 november 2019, ECLI:EU:C:2020:179) betoogt [eiseres] dat de Richtlijn oneerlijke bedingen geen bepaling bevat over niet-contractuele aansprakelijkheid.
De bedingen waar het over gaat luiden, voor zover van belang, als volgt:

(..)

2. Vergoedingen voor te laat retourneren van een designer bag: Als je een designer bag niet op het afgesproken tijdstip inlevert, kun je aansprakelijk worden gesteld voor extra vergoedingen.
3. Vergoedingen voor laattijdige betalingen worden berekend tot het volgende:1. Wij rekenen per dag dat je te laat bent 50% van de huur prijs met een maximaal van14 dagen.2. Na deze 14 dagen hanteren wij 200% toeslag om ‘koop zonder teruggave’-actie te voorkomen.(..)7. DE DESIGNER BAG(S) VERLOREN/GEEN TERUGKEER: als je een Designer bag na de gehuurde overeenkomst niet retourneert, wordt er per dag dat je te laat bent 50% van de huurprijs met een maximaal van 14 dagen berekent.Na deze 14 dagen hanteren wij 200% toeslag om ‘koop zonder teruggave’-actie te voorkomen.
4. Het betoog van [eiseres] dat deze bedingen gesplitst kunnen worden, wordt gepasseerd. Het door [eiseres] thans gemaakte onderscheid is allereerst niet te lezen in de voorwaarden. Het gaat in deze bepalingen, onder het hoofdstuk “betalingen en kosten” stuk voor stuk om vergoedingen voor te laat retourneren en te laat betalen, dat wil zeggen sancties op tekortkomingen aan de zijde van [gedaagde] als huurster. Er zijn twee bedingen die betrekking hebben op te laat betalen (artikel 3 lid 1 en Pro lid 2), die in samenhang oneerlijk zijn. Artikel 3 lid 1 kent Pro weliswaar een maximum, maar in samenhang met lid 2 wordt deze bepaling oneerlijk in verband met het ontbreken van enig maximum. Ook zijn er twee bedingen die betrekking hebben op het niet tijdig retourneren (artikel 2 en Pro artikel 7) die in samenhang oneerlijk zijn. De door [eiseres] voorgestane splitsing is op grond van de geldende jurisprudentie niet mogelijk. Voor de beoordeling wordt uitgegaan van het moment van het sluiten van de overeenkomst. Nu er geen maximum is op de beide boetebepalingen heeft [eiseres] de mogelijkheid om een onbeperkte boete te eisen die volledig los staat van de daadwerkelijke schade die [eiseres] kan hebben. In het voortraject is namens [eiseres] ook aanspraak gemaakt op een dergelijke onevenredig hoge boete.
5. Daarbij komt nog dat volgens vaste jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie het '
herzien' van de inhoud van een oneerlijk beding niet is toegestaan, omdat daarmee de afschrikkende werking geweld wordt aangedaan. Verder dient ook gekeken te worden naar het cumulatieve effect van de verschillende bedingen, die in dit geval evenzeer tot het oordeel leiden dat de bedingen oneerlijk zijn. De bedingen zoals hiervoor zijn opgenomen moeten dus in zijn geheel worden geschrapt en [eiseres] kan daaraan geen rechten ontlenen.
6. [eiseres] wordt ook niet gevolgd in haar redenering over de terugvalleer en de verwijzing naar het Kanyeba-arrest. Allereerst niet nu het daaraan gekoppelde betoog over de buitencontractuele aansprakelijkheid van [gedaagde] in de onderhavige zaak zowel feitelijke als juridische grondslag mist. [eiseres] en [gedaagde] hebben een overeenkomst gesloten en in die overeenkomst heeft [eiseres] bedingen opgenomen waarover niet is onderhandeld. Daarmee is de Richtlijn oneerlijke bedingen op de rechtsverhouding van toepassing en is geen sprake van buitencontractuele aansprakelijkheid waarover in het Kanyeba-arrest wordt opgemerkt dat de Richtlijn bij een dergelijke rechtsverhouding toepassing mist. Het Kanyeba-arrest ziet op een situatie waarin door de consument, Kanyeba, in aanvang onrechtmatig wordt gehandeld (hij stapt zonder kaartje in de trein) wat niettemin tot gevolg heeft dat de definitie van de vervoersovereenkomst op hem van toepassing wordt verklaard en de oneerlijke bedingen een rol gaan spelen. Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor. [eiseres] en [gedaagde] hebben rechtsgeldig een overeenkomst gesloten. [eiseres] heeft in haar algemene voorwaarden oneerlijke bedingen opgenomen en op grond van de jurisprudentie van het Europees Hof moet het dan niet mogelijk zijn om terug te vallen op de wettelijke regels. Deze jurisprudentie is bedoeld om de doelstelling van de Richtlijn te bereiken, te weten het uitbannen van oneerlijke bedingen in overeenkomsten met consumenten. Ter bescherming van de consument, maar ook om de eerlijke concurrentie tussen handelaren te bevorderen. Door de handelaar de mogelijkheid te geven om terug te vallen op de wettelijke bepalingen, is er geen enkele prikkel voor de handelaar om oneerlijke bedingen uit de overeenkomst te halen. Daarbij verdient aantekening dat slechts een klein gedeelte van de zaken bij de rechter komt en de handelaar buiten rechte daarmee de mogelijkheid houdt om onverkort een beroep te doen op de oneerlijke voorwaarden. Dat heeft [eiseres] overigens ook gedaan door in de buitengerechtelijke fase te melden dat [gedaagde] € 57.471,00 aan boete zou moeten betalen. Daarmee wordt de consument benadeeld, maar ook de handelaar die wel eerlijke voorwaarden hanteert en dit oneerlijke voordeel niet kan inroepen. Een te milde aanpak in de rechtspraak, die door [eiseres] als kennelijke voorstander van de Kanyeba-leer wordt bepleit omdat de terugvalleer in het individuele geval tot een niet redelijke uitkomst zou kunnen leiden, zal daardoor niet het door de Richtlijn beoogde resultaat bewerkstelliggen.
7. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt ertoe dat de vorderingen van [eiseres] worden afgewezen. [eiseres] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten, aan de zijde van [gedaagde] begroot op nihil.

BESLISSING

De kantonrechter:
wijst de vordering af;
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten die aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot worden op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink, kantonrechter en op 27 februari 2026 in het openbaar uitgesproken door mr. L. van Berkum, kantonrechter, in tegenwoordigheid van de griffier.