ECLI:NL:RBAMS:2026:2465

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
13/092754-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 SrArt. 22b SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 36f Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewezenverklaring mishandeling zus en slachtoffer in Spanje, vrijspraak poging zware mishandeling

De rechtbank Amsterdam heeft in een meervoudige strafzaak bewezen verklaard dat verdachte zijn zus heeft mishandeld door haar met kracht tegen de kaak te duwen en dat hij een vrouw in Spanje heeft mishandeld door haar aan haar hoofdharen vast te pakken, over de grond te trekken en in de buik te schoppen. Verdachte is vrijgesproken van poging tot zware mishandeling van zijn zus en van mishandeling van zijn levensgezel wegens onvoldoende bewijs.

De rechtbank oordeelde dat de mishandelingen ernstige inbreuken op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers zijn, waarbij de mishandeling van de zus in haar eigen woning plaatsvond, wat huiselijk geweld betreft. Verdachte heeft een strafblad met eerdere geweldsdelicten en liep ten tijde van de mishandeling in Spanje in een proeftijd.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van vier dagen op, met aftrek van voorarrest, en een taakstraf van 180 uren, te vervangen door 90 dagen hechtenis bij niet-naleving. Tevens werd een schadevergoeding van €750,- toegekend voor immateriële schade aan het slachtoffer in Spanje, met wettelijke rente. De vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling werd afgewezen, en de tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf werd gelast met omzetting naar een taakstraf van 60 uren.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot gevangenisstraf van vier dagen en taakstraf van 180 uren voor mishandeling, vrijgesproken van poging zware mishandeling en mishandeling levensgezel.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/092754-24 en 13/238792-23 (ter terechtzitting gevoegd)
Parketnummers vorderingen: 13/005974-20 (TUL) en 99/000431-55 (herroeping VI)
Datum uitspraak: 4 maart 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,
verblijvende op het adres: [adres],
hierna te noemen: verdachte.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 februari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R.W. van Zanten en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. N. Hendriksen, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij].
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers 13/092754-24 en 13/238792-23 zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is in zaak A – samengevat – ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:
1. poging zware mishandeling op 16 maart 2024 te Amsterdam van [slachtoffer 1], subsidiair ten laste gelegd als mishandeling;
Aan verdachte is in zaak B – samengevat en na een wijziging van de tenlastelegging ten aanzien van feit 2 op de zitting van 20 februari 2025 – ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:
1. mishandeling op 3 februari 2021 te Las Lagunas de Mijas (Spanje) van [benadeelde partij];
2. mishandeling in de periode van 15 maart 2020 tot en met 9 juni 2020 te Amsterdam van zijn levensgezel, [slachtoffer 2].
De volledige tenlasteleggingen zijn opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en gelden als hier ingevoegd.

3.Voorvragen

Bevoegdheid van de rechtbank
De rechtbank oordeelt dat zij bevoegd is om van de tenlastegelegde feiten kennis te nemen.
Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde in zaak B geldt dat ten laste is gelegd dat dit feit zich in Spanje heeft afgespeeld. Dit tenlastegelegde feit kan in Nederland worden vervolgd als aan de voorwaarden van artikel 7, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is voldaan. Dit artikel luidt:
“De Nederlandse strafwet is toepasselijk op de Nederlander die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een feit dat door de Nederlandse strafwet als misdrijf wordt beschouwd en waarop door de wet van het land waar het begaan is, straf is gesteld.”
De rechtbank stelt vast dat aan deze voorwaarden is voldaan. Verdachte heeft de Nederlandse nationaliteit en het tenlastegelegde wordt door de Nederlandse strafwet als een misdrijf beschouwd (artikel 300 Sr Pro). Ook is er in Spanje een straf op dit feit gesteld volgens de wet (artikel 147 van Pro de Spaanse Código Penal).

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Ten aanzien van zaak A:
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het primair tenlastegelegde, omdat het dossier geen aanknopingspunten bevat dat er sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. Volgens de officier van justitie kan het subsidiair tenlastegelegde worden bewezen.
Ten aanzien van zaak B:
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het onder 2 tenlastegelegde, omdat steunbewijs ontbreekt. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 tenlastegelegde kan worden bewezen.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van zaak A:
De raadsman heeft verzocht om verdachte vrij te spreken van het primair en subsidiair tenlastegelegde, wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Er kan niet worden vastgesteld op welke wijze het letsel is ontstaan bij [slachtoffer 1], de zus van verdachte. Zij heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat zij niet tegen de politie heeft gezegd dat haar broer haar had geslagen. De ouders van verdachte, die getuige zijn geweest van het incident, hebben verklaard dat verdachte zijn zus niet heeft geslagen en dat de vader van verdachte ook een handeling bij haar heeft uitgevoerd die tot het door verbalisanten waargenomen letsel zou hebben kunnen leiden. Daarbij komt nog dat de ouders van verdachte en zijn zus de lezing van verdachte hebben bevestigd.
Ten aanzien van zaak B:
De raadsman heeft verzocht om verdachte vrij te spreken van het onder 1 tenlastegelegde, omdat de Spaanse stukken in het dossier veel vragen oproepen en de verdediging niet de overtuiging heeft dat verdachte het aan hem tenlastegelegde feit heeft gepleegd. De raadsman heeft tevens verzocht om verdachte vrij te spreken van het onder 2 tenlastegelegde, omdat het procesdossier onvoldoende wettig bewijs bevat.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van zaak A:
Vrijspraak van poging tot zware mishandeling (primair tenlastegelegde)
De rechtbank is van oordeel, in lijn met de standpunten van de officier van justitie en de
de raadsman, dat niet kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1]. Uit het verhandelde ter terechtzitting en uit het dossier kan niet worden vastgesteld dat het handelen van verdachte een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel meebracht. Verdachte wordt daarom vrijgesproken van het primair tenlastegelegde.
Bewezenverklaring mishandeling (subsidiair tenlastegelegde)
Op 16 maart 2024 krijgt de politie een melding dat er een ruzie/twist heeft plaatsgevonden op de [adres] in Amsterdam. [aangever] (hierna: [aangever]), die de politie had gebeld, verklaart aan de verbalisanten dat zijn vriendin de zus van verdachte is en dat zij door hem - verdachte - is geslagen, toen [aangever] op zijn werk was. De verbalisanten zien vervolgens een geëmotioneerde vrouw komen aanlopen uit de woning, die [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]), de zus van verdachte, blijkt te zijn. Zij verklaart dat haar kaak veel pijn doet, dat zij haar kaak niet kan bewegen en dat zij denkt dat haar kaak gebroken is. Ook verklaart zij dat haar broertje, verdachte, haar heeft geslagen. De verbalisanten zien dat de kaak van [slachtoffer 1] ontzettend opgezet en erg gezwollen is. Ook zien zij dat haar lip opgezet is en blauw kleurt, en dat de hele linkerkant van haar gezicht roodkleurig en dik is. Even later neemt de verbalisant [slachtoffer 1] apart en dan verklaart zij dat haar broertje zijn eigen kracht niet kent en dat hij haar een soort van duw tegen haar kaak gaf, waarbij haar kaak verdraaide. De verbalisant ziet dat [slachtoffer 1] een koud flesje water tegen haar kaak drukt, dat zij met haar mond dicht praat en dat haar tanden op elkaar blijven. [slachtoffer 1] verklaart dat zij geen aangifte wil doen. De volgende dag verklaart [aangever] aan de politie dat men in het ziekenhuis aangaf dat [slachtoffer 1] een gekneusde kaak heeft en dat wat er gisteren is gebeurd gewoon een broer/zus ruzie is geweest en dat dat wel eens uit de hand loopt.
Op 17 februari 2025 zijn [slachtoffer 1] en [aangever] als getuige bij de rechter-commissaris gehoord. Op 19 juni 2025 zijn ook de ouders van verdachte als getuige bij de rechter-commissaris gehoord. Zij verklaren dat er een discussie tussen verdachte en [slachtoffer 1] is geweest, waarbij hun vader tussenbeide is gekomen. De vader zou het letsel per ongeluk hebben veroorzaakt toen hij zijn dochter van verdachte aftrok. Volgens de verklaringen van de familie bij de rechter-commissaris zou de politie onjuist over de gebeurtenissen en verklaringen op 16 maart 2024 hebben geverbaliseerd.
De rechtbank ziet geen reden te twijfelen aan de juistheid van de inhoud van het ambtsedige proces-verbaal waarin de bevindingen van de verbalisanten zijn opgenomen. Zowel [slachtoffer 1] als [aangever] hebben toen spontaan verklaard dat verdachte [slachtoffer 1] heeft geduwd of geslagen. Een dag later heeft [aangever] nog een keer gezegd dat het ging om een broer/zus ruzie. Zij hebben niks over de inmenging van vader gezegd. Ook vader en moeder hebben daarover op dat moment niks verklaard. Bijna een jaar later verklaren zij bij de rechter-commissaris dat het vader was die het letsel zou hebben veroorzaakt.
Op basis van het voorgaande lijkt sprake van een poging van de familie om verdachte van mogelijke strafrechtelijke gevolgen weg te houden. De rechtbank kan er enig begrip voor opbrengen dat zij hebben geprobeerd verdachte te behoeden voor strafrechtelijk ingrijpen. Hij was immers voorwaardelijk in vrijheid gesteld en liep dientengevolge in een proeftijd. Gelet echter op de feitelijke vaststellingen van de verbalisanten ter plaatse en hetgeen [slachtoffer 1] en [aangever] toen tegen hen hebben gezegd, vindt de rechtbank de verklaringen die [slachtoffer 1], [aangever] en de ouders van verdachte geruime tijd later bij de rechter-commissaris hebben afgelegd, onaannemelijk.
Gelet op het ambtsedige proces-verbaal van 16 maart 2024 waarin de bevindingen van de verbalisanten zijn opgenomen en het ambtsedig proces-verbaal van een dag later van het telefoongesprek met [aangever] vindt de rechtbank het wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] heeft mishandeld door haar tegen haar kaak te duwen.
Ten aanzien van zaak B:
Feit 2: Vrijspraak mishandeling [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2])
De rechtbank is van oordeel dat, in lijn met de standpunten van de officier van justitie en de
raadsman, uit het verhandelde ter terechtzitting en uit het procesdossier onvoldoende bewijs volgt om tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde mishandeling van [slachtoffer 2] te komen. Het dossier bevat onvoldoende steunbewijs voor haar verklaring. Verdachte wordt daarom hiervan vrijgesproken.
Feit 1: Bewezenverklaring mishandeling [benadeelde partij] (hierna: [benadeelde partij])
[benadeelde partij], de moeder van [slachtoffer 2], heeft verklaard dat zij op 3 februari 2021 door verdachte is aangevallen in Spanje, waarbij verdachte haar aan haar staart heeft getrokken, haar aan haar staart de stoep op heeft getrokken en in haar buik heeft geschopt. Zij is dezelfde dag onderzocht door een arts waar een medisch-forensisch rapport van is opgemaakt. Hieruit volgt dat de arts recente erosies heeft geconstateerd op haar ellebogen, knieën, vinger en buik. Deze letsels passen volgens de arts bij het door [benadeelde partij] gegeven feitenrelaas. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij op 3 februari 2021 met haar moeder [benadeelde partij] in Cala de Mijas was toen zij daar verdachte zagen.
De rechtbank overweegt dat de verklaring van [benadeelde partij] wordt ondersteund door de medische bevindingen waaruit volgt dat het waargenomen letsel past bij het feitencomplex, en door de verklaring van de dochter die heeft verklaard dat zij met haar moeder in Spanje was en dat de feiten zich voordeden in Cala de Mijas, Malaga, waar zij verdachte toen ook heeft gezien.
Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [benadeelde partij] heeft mishandeld door haar vast te pakken, aan haar hoofdharen over de grond te trekken en in de buik te schoppen.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde (zaak A):
op 16 maart 2024 te Amsterdam zijn zus [slachtoffer 1] heeft mishandeld door haar met kracht tegen de kaak, te duwen.
ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde (zaak B):
op 3 februari 2021 te Las Lagunas de Mijas, [benadeelde partij], heeft mishandeld door die [benadeelde partij] bij haar hoofdharen vast te pakken en vervolgens die [benadeelde partij] aan haar hoofdharen over de grond te trekken en in de buik van die [benadeelde partij] te schoppen.

6.Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte
uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straffen en maatregel

8.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van vier dagen, met aftrek van voorarrest en een taakstraf voor de duur van 180 uren, te vervangen door 90 dagen hechtenis, zal worden opgelegd.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om aan verdachte, als de rechtbank tot een veroordeling komt, een lagere taakstraf op te leggen dan de officier van justitie heeft geëist.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van zijn zus [slachtoffer 1] en de mishandeling van [benadeelde partij]. Daarmee heeft hij een ernstige inbreuk gemaakt op hun lichamelijke integriteit. Zij hebben beiden letsel opgelopen als gevolg van de mishandeling. De rechtbank rekent het verdachte aan dat de mishandeling van zijn zus plaatsvond in haar eigen woning, bij uitstek een plek waar zij zich veilig zou moeten kunnen voelen. De rechtbank typeert deze mishandeling dan ook als huiselijk geweld.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennis genomen van het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 7 januari 2026. Uit het strafblad blijkt dat verdachte meermaals is veroordeeld voor geweldsdelicten, waaronder een veroordeling op 29 april 2022 voor mishandeling in de context van huiselijk geweld. Verdachte is toen veroordeeld tot een taakstraf. Ten tijde van de mishandeling van [benadeelde partij] liep verdachte bovendien in een proeftijd. Deze omstandigheid heeft hem er niet van weerhouden opnieuw een strafbaar feit te plegen.
De rechtbank heeft daarnaast kennis genomen van het advies van Reclassering Nederland van 5 februari 2026. Hieruit volgt – kort gezegd – dat de reclassering het zorgelijk vindt dat verdachte in het verleden wegens geweldszaken is veroordeeld. Vanwege de vele jaren tussen de delicten en het feit dat verdachte na de verdenking in zaak A niet meer met justitie in aanraking is gekomen, kan volgens de reclassering niet worden gesproken van een delictpatroon. Risicofactoren ziet de reclassering in het psychosociaal functioneren van verdachte. De reclassering vindt het positief dat verdachte een ambulante behandeling bij De Waag goed heeft afgerond. In juni 2025 heeft verdachte namelijk een toezicht bij Reclassering Nederland in het kader van voorwaardelijke invrijheidstelling positief afgesloten. De reclassering heeft gerapporteerd dat verdachte een stabiele huisvesting, een eigen bedrijf met meerdere werknemers en een gezonde financiële situatie heeft. Volgens de reclassering lijkt het vaderschap hem te hebben veranderd, waardoor hij gemotiveerd is om te zorgen dat hij zijn leven op orde heeft en zijn criminele verleden wil achterlaten. Daarnaast heeft de reclassering gerapporteerd dat de kans op recidive als laag wordt ingeschat en dat zij bij een veroordeling een straf adviseren zonder bijzondere voorwaarden, nu zij interventies of toezicht niet nodig vindt.
Op te leggen straf
Bij het bepalen van de op te leggen straf beoogt de rechtbank recht te doen aan de ernst van de feiten en de gevolgen daarvan voor de slachtoffers, rekening houdend met wat in soortgelijke zaken wordt opgelegd. De rechtbank heeft bij de bepaling van de hoogte van de straf ook gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Nu sprake is geweest van huiselijk geweld ten aanzien van zaak A is de rechtbank van oordeel dat een geldboete in beginsel niet passend is. De rechtbank houdt daarnaast bij de straftoemeting rekening met hetgeen bepaald is in artikel 63 Sr Pro. De ernst van de mishandelingen maakt dat aan verdachte een forse taakstraf moet worden opgelegd. De rechtbank constateert dat het taakstrafverbod van toepassing is gelet op artikel 22b lid 2 onder 1 Sr. Dit betekent dat niet enkel een taakstraf aan verdachte kan worden opgelegd. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de straf zoals geëist door de officier van justitie - een gevangenisstraf voor de duur van vier dagen, met aftrek van voorarrest en een taakstraf voor de duur van 180 uren, te vervangen door 90 dagen hechtenis - passend en geboden is.

9.De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij, [benadeelde partij], vordert een totaalbedrag van € 600.250,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij vordert een immateriële schadevergoeding van € 100.000,- in verband met het toegebrachte lichamelijk letsel, het oplopen van een post traumatische stressstoornis en angst die is veroorzaakt door het voorval.
Zij vordert ook € 500.000,- aan affectieschade, wegens het leed dat haar dochter [slachtoffer 2] is aangedaan door verdachte. Daarnaast verzoekt zij een materiële schadevergoeding van € 250,- bestaande uit de volgende posten:
  • kleding; en
  • het plaatsen van camera’s met alarm.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht de gevorderde schadevergoeding van de benadeelde partij in zijn geheel niet-ontvankelijk te verklaren, wegens de verzochte vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de gevorderde immateriële schadevergoeding van de benadeelde partij te beperken tot een bedrag van € 750,-, zoals door de officier van justitie is verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van het immateriële deel toe te wijzen tot een bedrag van € 750,- inclusief wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de benadeelde partij voor het restant van de vordering tot immateriële schadevergoeding niet-ontvankelijk te verklaren. Ten aanzien van de gevorderde materiële schade heeft de officier van justitie verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, omdat deze schade onvoldoende is onderbouwd. Ten aanzien van de gevorderde affectieschade heeft de officier van justitie verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, gezien de verzochte vrijspraak ten aanzien van het tweede feit in zaak B en nu dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd.
Het oordeel van de rechtbank
Materieel
De rechtbank is van oordeel dat de materiële schadeposten niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat deze onvoldoende zijn onderbouwd. De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van deze schadeposten daarom niet-ontvankelijk verklaren.
Affectieschade
Verdachte wordt vrijgesproken van het aan hem in zaak B onder 2 tenlastegelegde feit dat verband houdt met de door de benadeelde partij gevorderde affectieschade. Ook overigens kan niet worden vastgesteld dat sprake is van affectieschade. De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van de affectieschade daarom niet-ontvankelijk verklaren.
Immaterieel
De rechtbank acht, gelet op het letsel van de benadeelde partij, de ernst van de normschending, de gevolgen die de benadeelde partij hiervan heeft ondervonden en gelet op schadevergoedingen die in vergelijkbare zaken worden toegewezen en met inachtneming van de Rotterdamse schaal (aangesloten wordt bij de schadevergoeding die toegewezen kan worden voor licht letsel), een schadebedrag van € 750,- billijk. Ten aanzien van het meer gevorderde zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren.
Concluderend wordt een bedrag van € 750,- toegewezen als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2021 tot aan de dag der algehele voldoening.
Daarnaast zal de rechtbank in het belang van de benadeelde partij als extra waarborg voor betaling aan haar de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opleggen.

10.De vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling (13/005974-20)

Bij de stukken bevindt zich de op 29 januari 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/005974-20, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 29 april 2022 van de politierechter van de rechtbank Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.
10.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Ter terechtzitting heeft de officier van justitie toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging gevorderd.
10.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen, gelet op de door hem verzochte vrijspraak van de tenlastegelegde feiten. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de vordering tot tenuitvoerlegging om te zetten in een taakstraf.
10.3.
Het oordeel van de rechtbank
Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf te gelasten.
Gelet op de omstandigheid dat het feit waar de vordering tot tenuitvoerlegging op ziet al geruime tijd geleden is zal de rechtbank in plaats van de twee weken gevangenisstraf gelasten dat verdachte een taakstraf van 60 uren, te vervangen door 14 dagen hechtenis, moet verrichten, conform het omzettingstabel voor voorwaardelijke vrijheidsstraffen in de LOVS.
11.
Vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling (99/000431-55)
Bij onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof Amsterdam van 21 september 2018, onder parketnummer 23/004814-16 is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden. Verdachte is hierna in cassatie gegaan tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 21 september 2018. Bij onherroepelijk geworden arrest van de Hoge Raad van 22 september 2020, onder nummer 18/04172 is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 17 maanden.
Verdachte is op grond van artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering voorwaardelijk in vrijheid gesteld onder de algemene voorwaarde dat de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke invrijheidstelling kan worden herroepen als verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt (artikel 6:2:11 lid 1 Sv Pro).
Verdachte is op 29 oktober 2023 feitelijk in vrijheid gesteld. Op dat moment was het strafrestant nog 590 dagen.
Bij de stukken bevindt zich de vordering, d.d. 3 april 2024 tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13/654302-14, met v.i.-zaaknummer 99/000431-55.
De vordering van de officier van justitie strekt tot het gedeeltelijk herroepen van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor de duur van 60 dagen. De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd om de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling af te wijzen, omdat het Openbaar Ministerie gelet op de inhoud van het reclasseringsadvies van 5 februari 2026 en de eerdere afwijzende beslissing van de rechtbank van 3 juni 2025 de toewijzing van de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling niet langer opportuun acht.
De verdediging heeft eveneens verzocht de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling af te wijzen.
De rechtbank is – met de officier van justitie en de verdediging – van oordeel dat de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling dient te worden afgewezen.

12.De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 22b, 22c, 22d, 36f, 57, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

13.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. De rechtbank:
Verklaart het primair tenlastegelegde in zaak A en het onder feit 2 tenlastegelegde in zaak B niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
ten aanzien van zaak A subsidiair en zaak B onder feit 1:
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van zaak A subsidiair en zaak B onder feit 1:
telkens: mishandeling
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte],daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstraf van 4 (vier) dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Veroordeelt verdachte tot een
taakstrafbestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van
180 (honderdtachtig) uren,met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 (negentig) dagen.
Vordering benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe tot een bedrag van € 750,- (zevenhonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 3 februari 2021 tot aan de dag van de voldoening.
Verklaart de benadeelde partij ten aanzien van het overige deel van haar vordering niet-ontvankelijk.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van, [benadeelde partij], aan de Staat € 750,- (zevenhonderdvijftig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 3 februari 2021 tot aan de dag van de voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 7 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijk veroordeling (13/005974-20)
Gelast– in plaats van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 2 (twee) weken –
de omzettingvan deze voorwaardelijke straf naar
een taakstrafbestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van
60 (zestig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 14 (veertien) dagen.
Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.-zaaknummer 99/000431-55)
Wijst afde vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling.
Heft ophet geschorste bevel tot voorlopige van verdachte.
Dit vonnis is gewezen door
mr. B. Vogel, voorzitter,
mrs. A.S. Dogan en B.J. Blok, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.L. van Tellingen, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 maart 2026.
[…]
[…]