4.3.Het oordeel van de rechtbank
Vrijspraak van poging tot zware mishandeling (primair tenlastegelegde)
De rechtbank is van oordeel, in lijn met de standpunten van de officier van justitie en de
de raadsman, dat niet kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1]. Uit het verhandelde ter terechtzitting en uit het dossier kan niet worden vastgesteld dat het handelen van verdachte een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel meebracht. Verdachte wordt daarom vrijgesproken van het primair tenlastegelegde.
Bewezenverklaring mishandeling (subsidiair tenlastegelegde)
Op 16 maart 2024 krijgt de politie een melding dat er een ruzie/twist heeft plaatsgevonden op de [adres] in Amsterdam. [aangever] (hierna: [aangever]), die de politie had gebeld, verklaart aan de verbalisanten dat zijn vriendin de zus van verdachte is en dat zij door hem - verdachte - is geslagen, toen [aangever] op zijn werk was. De verbalisanten zien vervolgens een geëmotioneerde vrouw komen aanlopen uit de woning, die [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]), de zus van verdachte, blijkt te zijn. Zij verklaart dat haar kaak veel pijn doet, dat zij haar kaak niet kan bewegen en dat zij denkt dat haar kaak gebroken is. Ook verklaart zij dat haar broertje, verdachte, haar heeft geslagen. De verbalisanten zien dat de kaak van [slachtoffer 1] ontzettend opgezet en erg gezwollen is. Ook zien zij dat haar lip opgezet is en blauw kleurt, en dat de hele linkerkant van haar gezicht roodkleurig en dik is. Even later neemt de verbalisant [slachtoffer 1] apart en dan verklaart zij dat haar broertje zijn eigen kracht niet kent en dat hij haar een soort van duw tegen haar kaak gaf, waarbij haar kaak verdraaide. De verbalisant ziet dat [slachtoffer 1] een koud flesje water tegen haar kaak drukt, dat zij met haar mond dicht praat en dat haar tanden op elkaar blijven. [slachtoffer 1] verklaart dat zij geen aangifte wil doen. De volgende dag verklaart [aangever] aan de politie dat men in het ziekenhuis aangaf dat [slachtoffer 1] een gekneusde kaak heeft en dat wat er gisteren is gebeurd gewoon een broer/zus ruzie is geweest en dat dat wel eens uit de hand loopt.
Op 17 februari 2025 zijn [slachtoffer 1] en [aangever] als getuige bij de rechter-commissaris gehoord. Op 19 juni 2025 zijn ook de ouders van verdachte als getuige bij de rechter-commissaris gehoord. Zij verklaren dat er een discussie tussen verdachte en [slachtoffer 1] is geweest, waarbij hun vader tussenbeide is gekomen. De vader zou het letsel per ongeluk hebben veroorzaakt toen hij zijn dochter van verdachte aftrok. Volgens de verklaringen van de familie bij de rechter-commissaris zou de politie onjuist over de gebeurtenissen en verklaringen op 16 maart 2024 hebben geverbaliseerd.
De rechtbank ziet geen reden te twijfelen aan de juistheid van de inhoud van het ambtsedige proces-verbaal waarin de bevindingen van de verbalisanten zijn opgenomen. Zowel [slachtoffer 1] als [aangever] hebben toen spontaan verklaard dat verdachte [slachtoffer 1] heeft geduwd of geslagen. Een dag later heeft [aangever] nog een keer gezegd dat het ging om een broer/zus ruzie. Zij hebben niks over de inmenging van vader gezegd. Ook vader en moeder hebben daarover op dat moment niks verklaard. Bijna een jaar later verklaren zij bij de rechter-commissaris dat het vader was die het letsel zou hebben veroorzaakt.
Op basis van het voorgaande lijkt sprake van een poging van de familie om verdachte van mogelijke strafrechtelijke gevolgen weg te houden. De rechtbank kan er enig begrip voor opbrengen dat zij hebben geprobeerd verdachte te behoeden voor strafrechtelijk ingrijpen. Hij was immers voorwaardelijk in vrijheid gesteld en liep dientengevolge in een proeftijd. Gelet echter op de feitelijke vaststellingen van de verbalisanten ter plaatse en hetgeen [slachtoffer 1] en [aangever] toen tegen hen hebben gezegd, vindt de rechtbank de verklaringen die [slachtoffer 1], [aangever] en de ouders van verdachte geruime tijd later bij de rechter-commissaris hebben afgelegd, onaannemelijk.
Gelet op het ambtsedige proces-verbaal van 16 maart 2024 waarin de bevindingen van de verbalisanten zijn opgenomen en het ambtsedig proces-verbaal van een dag later van het telefoongesprek met [aangever] vindt de rechtbank het wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] heeft mishandeld door haar tegen haar kaak te duwen.
Feit 2: Vrijspraak mishandeling [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2])
De rechtbank is van oordeel dat, in lijn met de standpunten van de officier van justitie en de
raadsman, uit het verhandelde ter terechtzitting en uit het procesdossier onvoldoende bewijs volgt om tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde mishandeling van [slachtoffer 2] te komen. Het dossier bevat onvoldoende steunbewijs voor haar verklaring. Verdachte wordt daarom hiervan vrijgesproken.
Feit 1: Bewezenverklaring mishandeling [benadeelde partij] (hierna: [benadeelde partij])
[benadeelde partij], de moeder van [slachtoffer 2], heeft verklaard dat zij op 3 februari 2021 door verdachte is aangevallen in Spanje, waarbij verdachte haar aan haar staart heeft getrokken, haar aan haar staart de stoep op heeft getrokken en in haar buik heeft geschopt. Zij is dezelfde dag onderzocht door een arts waar een medisch-forensisch rapport van is opgemaakt. Hieruit volgt dat de arts recente erosies heeft geconstateerd op haar ellebogen, knieën, vinger en buik. Deze letsels passen volgens de arts bij het door [benadeelde partij] gegeven feitenrelaas. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij op 3 februari 2021 met haar moeder [benadeelde partij] in Cala de Mijas was toen zij daar verdachte zagen.
De rechtbank overweegt dat de verklaring van [benadeelde partij] wordt ondersteund door de medische bevindingen waaruit volgt dat het waargenomen letsel past bij het feitencomplex, en door de verklaring van de dochter die heeft verklaard dat zij met haar moeder in Spanje was en dat de feiten zich voordeden in Cala de Mijas, Malaga, waar zij verdachte toen ook heeft gezien.
Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [benadeelde partij] heeft mishandeld door haar vast te pakken, aan haar hoofdharen over de grond te trekken en in de buik te schoppen.