ECLI:NL:RBAMS:2026:2452

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
13/069407-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 48 SrArt. 49 SrArt. 77c SrArt. 77g Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak medeplegen, veroordeling medeplichtigheid afpersing en diefstal met geweld

Op 18 december 2024 vond in een hotel te Amsterdam een afpersing en diefstal met geweld plaats waarbij verdachte betrokken was. Verdachte liet medeverdachten via een nooddeur het hotel binnen en gaf hen informatie over de locatie van het slachtoffer. De rechtbank oordeelde dat de vereiste nauwe samenwerking voor medeplegen niet was bewezen, waardoor verdachte werd vrijgesproken van medeplegen.

Wel werd bewezen verklaard dat verdachte medeplichtig was aan de afpersing en diefstal met geweld. Verdachte had bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat geweld zou worden gebruikt door medeverdachten. De rechtbank legde een jeugddetentie van 120 dagen op, waarvan 89 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een werkstraf van 100 uren.

De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van verdachte, en het advies van de reclassering. Verdachte was meerderjarig maar jongvolwassen, waardoor toepassing van het jeugdstrafrecht passend werd geacht. Daarnaast werd een schadevergoeding van in totaal €4.282,02 aan het slachtoffer toegewezen, met hoofdelijke aansprakelijkheid van verdachte en medeverdachten.

De rechtbank sprak verdachte vrij van de primaire tenlasteleggingen medeplegen, maar veroordeelde haar voor medeplichtigheid aan de strafbare feiten. Het vonnis werd uitgesproken op 6 maart 2026 door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van medeplegen, veroordeeld voor medeplichtigheid met jeugddetentie en werkstraf.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/069407-25
Datum uitspraak: 6 maart 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen:
[de verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2006 te [geboorteplaats] ,
wonende op het adres [adres 1] ,
hierna: verdachte.

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 februari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Bont, en van wat verdachte en haar raadsvrouw mr. L.C. Fleskens, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij en van wat zijn advocaat mr. C.C. Delpeche hierover ter terechtzitting naar voren heeft gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van wat [naam 1] , medewerker van Reclassering Nederland, naar voren heeft gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort weergegeven – tenlastegelegd dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan
Feit 1: het medeplegen van afpersing door met geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] te dwingen tot afgifte van geldbedragen van 730,- euro op 18 december 2024 in Amsterdam; subsidiair is dit tenlastegelegd als medeplichtigheid;
Feit 2: het medeplegen van diefstal met geweld, van een Louis Vuitton-tas, ID-kaart, bankpas, sigaretten en een iPhone van [benadeelde partij 1] , op 18 december 2024 in Amsterdam; subsidiair is dit tenlastegelegd als medeplichtigheid.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Ibij dit vonnis.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Op grond van de aangifte, de letselverklaring met foto’s, de verklaring van de zus van [benadeelde partij 1] en het proces-verbaal met de stills van de camerabeelden, kan worden bewezen dat verdachte samen met anderen, 730 euro heeft afgeperst en de Louis Vuitton-tas met ID-kaart, bankpas, sigaretten en een iPhone met geweld heeft weggenomen. De aangifte wordt ondersteund door andere onderdelen in het dossier, waardoor de aangifte bruikbaar is voor het bewijs.
Ook het medeplegen kan worden bewezen. Door de nooddeur van het hotel voor de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] te openen heeft verdachte het mogelijk gemaakt dat zij de hotelkamer van [benadeelde partij 1] konden binnengaan. Uit de camerabeelden blijkt bovendien dat verdachte het hotel niet direct heeft verlaten nadat zij de nooddeur voor hen had geopend. Dit wijst erop dat zij wist dat er geweld werd gebruikt. Daarmee is de bijdrage van verdachte aan het delict van voldoende gewicht.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van beide feiten. Verdachte heeft verklaard dat zij dacht dat de medeverdachten naar de hotelkamer kwamen om te praten. Zij had daarom geen wetenschap van het voornemen om geweld te gebruiken. Hierdoor kan niet worden vastgesteld dat verdachte opzet had op de afpersing en diefstal met geweld. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het medeplegen, en hooguit als medeplichtige kan worden aangemerkt, vanwege haar beperkte rol.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Feiten en omstandigheden
Op 18 december 2024 heeft aangever [benadeelde partij 1] samen met een vriend kamer 1.17 geboekt in het [hotel] in Amsterdam. Verdachte komt op verzoek van [benadeelde partij 1] op bezoek en zij laat aan [medeverdachte 1] weten dat zij met [benadeelde partij 1] in het hotel verblijft. [medeverdachte 1] vraagt aan [de verdachte] of zij hem het hotel wil binnenlaten, omdat hij met [benadeelde partij 1] een gesprek wil voeren over geld dat [benadeelde partij 1] hem nog schuldig zou zijn. Vervolgens komt [medeverdachte 1] samen met [medeverdachte 2] naar het hotel. Verdachte laat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] binnen via de nooduitgang en vertelt hen dat [benadeelde partij 1] zich in kamer 1.17 bevindt. Verdachte verlaat vervolgens het hotel en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gaan naar kamer 1.17.
3.3.2.
Vrijspraak feit 1 primair en feit 2 primair
Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat zij, nadat zij had verteld dat zij met [benadeelde partij 1] op een hotelkamer zat, op verzoek van [medeverdachte 1] de nooddeur van het hotel heeft geopend om hem en [medeverdachte 2] binnen te laten en dat zij aan hen heeft medegedeeld in welke kamer [benadeelde partij 1] verbleef. Uit de bewijsmiddelen kan met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde niet meer worden afgeleid dan verdachte heeft verklaard.
De rechtbank is daarom van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten niet is komen vast te staan. Er is geen sprake van een gezamenlijke uitvoering en de bijdrage van verdachte aan de onder 1 en 2 primair tenlastegelegde feiten is van onvoldoende gewicht om haar als medepleger aan te merken. Daarom zal verdachte van deze feiten worden vrijgesproken.
3.3.3.
Bewezenverklaring feit 1 subsidiair en feit 2 subsidiair
De rechtbank staat vervolgens voor de vraag, of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de medeplichtigheid aan de afpersing en diefstal met geweld.
Medeplichtigheid is het bevorderen of gemakkelijk maken van andermans strafbaar handelen, oftewel hulp bieden aan de dader bij het begaan van een misdrijf.
Verdachte heeft verklaard dat zij via Snapchat aan [medeverdachte 1] heeft laten weten dat zij met [benadeelde partij 1] in een hotelkamer verbleef. [medeverdachte 1] heeft daarop bericht dat hij nog geld van [benadeelde partij 1] kreeg en hem daarover wilde spreken. Toen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bij het hotel arriveerden, heeft verdachte tegen [benadeelde partij 1] gezegd, dat zij even naar buiten ging om haar moeder te bellen. De rechtbank leidt hieruit af dat het bezoek van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] voor [benadeelde partij 1] onaangekondigd was. Vervolgens zag verdachte dat [medeverdachte 1] niet alleen is gekomen, maar dat ook [medeverdachte 2] aanwezig was. Verdachte heeft verklaard dat zij hierdoor een signaal kreeg dat er iets kon gebeuren en dat het anders zou kunnen aflopen dan alleen het voeren van een gesprek. Verdachte heeft [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] toch via de nooddeur het hotel binnen gelaten. Daarna heeft ze hen bovendien verteld naar welke kamer zij moesten gaan om bij [benadeelde partij 1] te komen. Vervolgens heeft [medeverdachte 1] gezegd dat verdachte het hotel moest verlaten en dat heeft verdachte na enige tijd ook gedaan.
Opzet op de ondersteunende handelingenOp grond van het voorgaande kan het handelen van verdachte naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als medeplichtigheid. Haar bijdrage heeft er immers voor gezorgd dat medeverdachten via de nooddeur toegang kregen tot het hotel en dat zij wisten in welke kamer [benadeelde partij 1] precies verbleef. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de gedragingen van verdachte dat zij daarop ook het opzet heeft gehad.
Opzet op de gronddelictenDe rechtbank acht niet bewezen dat verdachte vol opzet had op de afpersing en diefstal met geweld. Wel is bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet had. Uit de eigen verklaring van verdachte volgt dat zij wist dat [medeverdachte 1] geld van [benadeelde partij 1] wilde, dat [medeverdachte 1] [medeverdachte 2] had meegenomen om [benadeelde partij 1] op een onverwacht moment te confronteren en dat zij zich bewust was van het risico dat zij niet naar het hotel waren gekomen om alleen te praten. Door desondanks toch de deur voor hen te openen en hen te vertellen in welke kamer [benadeelde partij 1] zich bevond, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] [benadeelde partij 1] zouden afpersen en zijn spullen zouden afnemen, en daarbij geweld en bedreiging met geweld zouden gebruiken.
De ten laste gelegde medeplichtigheid aan de afpersing en diefstal met geweld acht de rechtbank dan ook bewezen.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in
bijlage IIopgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
Feit 1 subsidiair
[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 18 december 2024 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] hebben gedwongen tot de afgifte van meerdere geldbedragen (van in totaal € 730,-), die aan die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of een derde toebehoorden, door
- die [benadeelde partij 1] meermalen, in het gezicht en tegen het lichaam te slaan, en
- die [benadeelde partij 1] meermalen met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in het gezicht en/of tegen het lichaam te slaan, en/of
- vervolgens te eisen dat die [benadeelde partij 1] al zijn geld moest afgeven, en
- die [benadeelde partij 1] te dwingen om zijn contacten te bellen en hen te verzoeken om geld naar hem over te maken, en
- aan die [benadeelde partij 2] de volgende bedreigende woorden toe te voegen: "Je moet nu geld overmaken anders vermoord ik hem", althans woorden van gelijke aard en/of strekking
tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 18 december 2024 te Amsterdam, opzettelijk behulpzaam is geweest en opzettelijk gelegenheid en inlichtingen heeft verschaft door
- die [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] te informeren over de locatie waar die [benadeelde partij 1] zich bevond, en
- die [medeverdachte 1] [medeverdachte 2] (de toegang tot het hotel/de verdieping te verschaffen door de deur (van het trappenhuis) voor hen te openen;
Feit 2 subsidiair
[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 18 december 2024 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander,
- een tas (van het merk Louis Vuitton) met daarin een identiteitskaart, een bankpas en een pak sigaretten, en
- een iPhone,
die aan [benadeelde partij 1] , toebehoorde hebben weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [benadeelde partij 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door
- die [benadeelde partij 1] de kamer in te duwen, en
- vervolgens die [benadeelde partij 1] meermalen, , in het gezicht en tegen het lichaam te slaan en
- die [benadeelde partij 1] meermalen met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in het gezicht en tegen het lichaam te slaan,
tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 18 december 2024 te Amsterdam, opzettelijk behulpzaam is geweest en opzettelijk gelegenheid en inlichtingen heeft verschaft, door
- die [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] te informeren over de locatie waar die [benadeelde partij 1] zich bevond, en
- die [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de toegang tot het hotel/de verdieping te verschaffen door de deur (van het trappenhuis) voor hen te openen;

5.Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straf

7.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd het jeugdstrafrecht toe te passen. In dat licht heeft de officier van justitie gevorderd om aan verdachte een jeugddetentie van 120 dagen op te leggen met aftrek van het voorarrest, waarvan 89 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Aan deze proeftijd dienen bijzondere voorwaarden te worden gekoppeld, zoals door de reclassering geadviseerd. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om een werkstraf van 100 uren op te leggen.
7.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht het jeugdstrafrecht toe te passen. Verder heeft de raadsvrouw verzocht om bij het opleggen van de straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met het feit dat verdachte
first offenderis. Tot slot heeft de raadsvrouw verzocht om het (geschorste) bevel voorlopige hechtenis op te heffen.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte is medeplichtig geweest aan het medeplegen van afpersing en diefstal met geweld. Verdachte heeft medeverdachten het hotel binnen gelaten, waarna medeverdachten de kamer van [benadeelde partij 1] zijn binnengestormd. Zij hebben [benadeelde partij 1] gedwongen zijn geld af te staan. Zij hebben hem in zijn gezicht en tegen zijn lichaam geslagen, zowel met vuistslagen als met een (nep)vuurwapen. Ook werd hij met het wapen bedreigd met de dood. Daarnaast werd [benadeelde partij 1] gedwongen zijn zus te bellen, zodat zij geld naar zijn bankrekening zou overmaken. Zij hebben hem zijn kleding behalve zijn boxershort uitgedaan en hem ontkleed en bebloed gefilmd. Dat de gebeurtenis een grote impact heeft gehad op [benadeelde partij 1] , blijkt uit zijn aangifte en de toelichting die zijn advocaat op de zitting heeft gegeven.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 18 december 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten.
Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport van 12 februari 2026. Volgens de reclassering is de responsiviteit van verdachte voor reclasseringstoezicht en de opgelegde bijzondere voorwaarden het afgelopen jaar voldoende geweest. De reclassering is van mening dat verdere samenwerking tussen verdachte en de reclassering het recidiverisico verder kan helpen verkleinen. De reclassering heeft het afgelopen jaar in de samenwerking met verdachte haar ondersteund bij het afstand nemen van een negatief sociaal netwerk, het vervolgen van haar opleiding, het verminderen van middelengebruik en het accepteren van toeleiding naar vrijwillige hulpverlening. De reclassering geeft de rechtbank daarom in overweging om het reeds ingeslagen traject een vervolg te geven. Zij ziet contra-indicaties voor het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf, en vraagt om een substantieel voorwaardelijk strafdeel op te leggen.
Toepassing van het adolescentenstrafrecht
Verdachte was ten tijde van het plegen van het feit achttien jaar oud en dus meerderjarig. Bij een jongvolwassen verdachte, die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is maar nog onder de 23 jaar, kan het jeugdstrafrecht worden toegepast als sprake is van omstandigheden gelegen in de persoon van verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd die daartoe aanleiding geven.
Uit het reclasseringsrapport blijkt dat verdachte ontvankelijk is voor pedagogische ondersteuning en beïnvloeding door volwassenen, zowel op school als bij de reclassering en bij Bureau Leerplicht. Verdachte maakt deel uit van een gezin en woont nog thuis. Continuering van de schoolgang wordt door de reclassering als noodzakelijk gezien, omdat het verdachte ontbreekt aan een startkwalificatie voor de arbeidsmarkt. In aanloop naar het delict lijkt er sprake geweest te zijn van het slecht inschatten van de risico’s van haar eigen handelen, naast een zekere mate van impulsiviteit en kwetsbaarheid voor beïnvloeding door anderen.
Gelet op het advies van de reclassering en hetgeen op de zitting is besproken over de persoonlijke omstandigheden van verdachte gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte nog vatbaar is voor pedagogische beïnvloeding en dat zij daarbij gebaat zal zijn. De rechtbank is van oordeel dat het toepassen van het jeugdstrafrecht van belang is voor een zo gunstig mogelijk verdere ontwikkeling van verdachte en daarmee ook in het belang is van de maatschappij, omdat het zal bijdragen aan het verminderen van het recidiverisico. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat zij het contact met de reclassering prettig vindt. De rechtbank zal dan ook het jeugdstrafrecht toepassen.
Strafoplegging
Om te bevorderen dat landelijk door rechtbanken voor dezelfde feiten ongeveer dezelfde straffen worden opgelegd, zijn door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) oriëntatiepunten opgesteld. De rechtbank heeft bij de oplegging van de straf voor het bewezenverklaarde feit gekeken naar deze oriëntatiepunten. Het vertrekpunt voor de strafoplegging bij medeplichtigheid is twee derde van het vertrekpunt dat geldt voor de pleger. Voor afpersing door een jeugdige verdachte is het uitgangspunt een werkstraf vanaf 60 uren, dan wel jeugddetentie, maar in de toelichting staat opgenomen dat dit zou moeten gelden voor de lichtste variant van dit feit. In onderhavige zaak gaat het om een ernstige variant zoals hiervoor is beschreven. De rechtbank acht daarom in beginsel jeugddetentie passend en geboden. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en om verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan het plegen van strafbare feiten schuldig te maken, zal de rechtbank de jeugddetentie als voorwaardelijk strafdeel opleggen. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een taakstraf in de vorm van een werkstraf opleggen. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van de vordering van de officier van justitie.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een jeugddetentie van 120 dagen, waarvan 89 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest met een proeftijd van twee jaar passend. Daarnaast legt de rechtbank een taakstraf in de vorm van een werkstraf op van 100 uren.
Gelet op deze op te leggen straf, zal de rechtbank het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

8.Benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

8.1.
Benadeelde partij [benadeelde partij 1]
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert vergoeding van € 1.438,02 aan materiële en € 3.000, aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt officier van justitie en verdediging
De officier van justitie heeft verzocht de vordering tot schadevergoeding toe te wijzen.
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering met betrekking tot de abonnementskosten van de telefoon onvoldoende is onderbouwd en dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard dient te worden ten aanzien van dit deel van de vordering. Ten aanzien van de overige kosten tot materiële-schadevergoeding refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank. Verder heeft de raadsvrouw verzocht de vordering tot immateriële-schadevergoeding te matigen en de verplichting tot schadevergoeding niet hoofdelijk op te leggen maar naar rato van het strafaandeel te verdelen onder verdachte en medeverdachten.
Oordeel van de rechtbank
Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het onder feit 1 en feit 2 in zaak A bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.
De rechtbank wijst de materiële schadevergoeding toe tot een bedrag van € 1.282,02. Dit bedrag bestaat uit € 230,- (cash geld), € 496,02 (telefoon), € 56,- (Louis Vuitton-tas), en € 500,- (gepind geld).
Dat schade is geleden door doorlopende abonnementskosten van de gestolen telefoon is door de verdediging betwist en in dat licht onvoldoende onderbouwd. Aanhouding voor nadere bewijsvoering is een onevenredige belasting van het strafproces. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in dit deel van zijn vordering.
Verder staat vast dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade, aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel en heeft opgelopen en op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de zogenoemde Rotterdamse schaal en vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schade naar billijkheid op € 3.000,- en wijst dat toe.
SchadevergoedingsmaatregelIn het belang van [benadeelde partij 1] wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opgelegd.
8.2.
Hoofdelijkheid
Het toegewezen bedrag wordt hoofdelijk aan verdachte en de medeverdachten opgelegd, omdat zij het feit samen met hebben gepleegd. Op grond van artikel 6:102 BW Pro zijn verdachte en haar medeverdachten ieder afzonderlijk verplicht om het totale bedrag aan de benadeelde partij te betalen, behalve voor zover al door een ander/anderen is betaald.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 36f, 48, 49, 77c, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek vier is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Feit 1
Medeplichtigheid aan afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen
Feit 2
Medeplichtigheid aan diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[de verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
werkstraf van 100 (honderd) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de werkstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van
50 (vijftig) dagen.
Veroordeelt verdachte tot
jeugddetentie voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagenmet bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht.
Beveelt dat een gedeelte, groot
89 (negenentachtig) dagen, van
deze jeugddetentie niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later iets anders wordt gelast.
Stelt daarbij een proeftijd van
2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als
bijzondere voorwaarden:
Meldplicht bij reclassering
Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij haar toezichthouder de heer [naam 2] , op het adres [adres 2] .
Volgen van onderwijs
Veroordeelde rondt haar mbo-opleiding 'Zorg en Welzijn’, niveau 2 af met een diploma.
Veroordeelde kiest hierna een mbo-opleiding, niveau 4 en volgt deze twee jaar lang of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.
Beheersing middelengebruik
Veroordeelde werkt gedurende de proeftijd mee aan controles om zicht te houden op mogelijk gebruik van lachgas, alcohol en/of cannabis. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, ademonderzoek of speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
Geeft aan Reclassering Nederlandde opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht
toezicht te houdenop de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn verder dat de veroordeelde gedurende de proeftijd
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toe tot een bedrag van
€ 1.282,02 (duizend tweehonderd tweeëntachtig euro en twee cent)aan vergoeding van
materiële schadeen een bedrag van
€ 3.000,- (drieduizend euro)aan vergoeding van
immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 18 december 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag.
Veroordeelt verdachte tot hoofdelijke betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] . voornoemd en veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
SchadevergoedingsmaatregelLegt verdachte de
hoofdelijke verplichtingop ten behoeve van [benadeelde partij 1]
aan de Staat € 4.282,02 (vierduizend tweehonderd tweeëntachtig euro en twee cent)te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 18 december 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van
42 (tweeënveertig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte of een ander aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.B.W. Beekman, voorzitter,
mrs. M.R.J. van Wel en C. Wildeman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.S. Eisses, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 maart 2026.
[--]

1.[--]