ECLI:NL:RBAMS:2026:2448

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
25/3390
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • T.L. Fernig - Rocour
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.10 WaboArt. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetHoofdstuk 8.8b WelstandsnotaHoofdstuk 6 WelstandsnotaArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing omgevingsvergunning serre wegens strijd met welstandseisen bevestigd

Eiser vroeg een omgevingsvergunning aan voor het plaatsen van een serre op het dakterras van zijn woning, onderdeel van een rij zelfbouwkavels. Het college wees de aanvraag af omdat de serre niet voldeed aan de welstandseisen, ondanks dat het bouwplan ruimtelijk inpasbaar was volgens een andere gemeentelijke afdeling. De rechtbank bevestigt dat het college de vergunning mocht weigeren op basis van het advies van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK), dat inzichtelijk, logisch en begrijpelijk was.

Eiser voerde aan dat de serre wel in het straatbeeld paste en dat de gemeente met twee maten zou meten, mede omdat andere afwijkende bouwwerken in de straat wel waren toegestaan. De rechtbank oordeelt dat zonder deskundig tegenadvies geen reden is om aan het CRK-advies te twijfelen. De afwijkingen in de straat zijn anders van aard en de CRK heeft terecht geoordeeld dat de serre afbreuk doet aan de eenheid en rust in het straatbeeld.

Daarnaast wijst de rechtbank erop dat eiser zonder vergunning heeft gebouwd en dat hij het risico daarvan zelf draagt. Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar het college wordt veroordeeld tot een schadevergoeding van €1.000,- wegens overschrijding van de redelijke termijn bij de behandeling van het bezwaar. Het griffierecht wordt niet teruggegeven en er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard, maar het college moet een schadevergoeding van €1.000,- betalen wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/3390

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college

(gemachtigde: [gemachtigde verweerder] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een omgevingsvergunning op grond van de Wabo. [1] Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag heeft mogen afwijzen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Het college moet eiser wel een schadevergoeding betalen, omdat onredelijk laat op zijn bezwaarschrift is beslist. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Het college heeft eisers aanvraag van 15 december 2022 met het primaire besluit van 17 juli 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 22 april 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college.
Het bestreden besluit
3. Eiser is eigenaar van de woning aan het [adres] (de woning). De woning maakt deel uit van een reeks individueel ontworpen woningen (zelfbouwkavels). Eisers aanvraag betreft het plaatsen van een serre/veranda (verder serre) op het dakterras van zijn woning. De serre is inmiddels gebouwd, maar het college heeft de vergunning afgewezen.
4. Met het bestreden besluit heeft het college de afwijzing van de vergunning, onder aanvulling van de motivering, in stand gelaten. Het bouwplan voldoet volgens het college niet aan de bouwbepalingen van het bestemmingsplan ‘ [naam bestemmingsplan] ’, omdat de minimale afstand tot de bouwgrens aan de achterzijde 4.40 meter moet bedragen. De afstand bedraagt nu 2.40 meter. Het college wil wel afwijken van deze bepaling, omdat het bouwwerk niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Maar het college heeft de vergunning toch geweigerd, omdat de serre niet voldoet aan de welstandseisen van de gemeente. Het college volgt daarmee het welstandsadvies van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK).
Beoordeling door de rechtbank
5. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Deze wet bundelt alle wetgeving op het gebied van ruimtelijk ordening in één wet. Omdat de omgevingsvergunning vóór 1 januari 2024 is aangevraagd blijft op grond van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet het recht, zoals dat gold voor 1 januari 2024, van toepassing.
Welstand
6.1.
Eiser vindt de weigering op grond van de redelijke eisen van welstand onterecht. Hij betwist de juistheid van het advies en vindt, anders dan de CRK, de serre wel in het straatbeeld passen. Hij wijst er onder meer op dat de afdeling Ruimte en Duurzaamheid (R&D) van de gemeente het met hem eens is. De gemeente mag niet met twee maten meten.
6.2.
De rechtbank overweegt dat op grond van de Wabo [2] - voor zover hier van belang - een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor bouwen wordt geweigerd als het uiterlijk van het bouwwerk waar het om gaat, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving, in strijd is met redelijke eisen van welstand, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend.
6.3.
Voor de vraag wat wordt verstaan onder redelijke eisen van welstand mag het college zich baseren op een deskundigenadvies, zoals een advies van de CRK. Dat advies moet - voor zover het wordt betwist - wel inzichtelijk, logisch en begrijpelijk zijn. Het gaat er dus niet om of eiser iets mooi of lelijk vindt, maar of het college zich heeft mogen laten leiden door het advies van de CRK. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en licht dat hieronder toe.
6.4.
Het welstandsadvies van de CRK luidt:
“De serre doet afbreuk aan de eenheid in het straatbeeld. Deze rij woningen is ontwikkeld als zelfbouwkavels. Uiteindelijk zijn bijna alle woningen naar hetzelfde ontwerp gebouwd, met slechts kleine individuele verschillen. Dat zorgt, samen met de op hoofdlijnen gelijke massa-opbouw, voor rust en eenheid in het straatbeeld. De zonder vergunning geplaatste serre doet afbreuk aan deze eenheid en verrommelt het beeld doordat die geen enkele relatie heeft met de woning.”
6.5.
De rechtbank is van oordeel dat de inhoud van het advies is te herleiden tot de kaders van de wet en die van de criteria voor welstand die zijn neergelegd in de beleidsnota van het college; ‘De schoonheid van Amsterdam’ [3] (verder de welstandsnota). Dat is ook niet betwist door eiser. Bij de nadere invulling van die kaders gaat het hier om een opgeplaatste glazen serre, zonder verdere samenhang met het pand. De serre is - anders dan eiser mogelijk veronderstelt - zichtbaar vanuit de openbare ruimte.
6.6.
Eiser betwist de juistheid van het advies, omdat de eenheid van de omgeving al wordt verstoord door de bebouwing van [huisnummer 1] en [huisnummer 2] . De woning op [huisnummer 1] heeft een prominente houten uitbouw. De gemachtigde van het college heeft toegelicht dat het gaat om een liftkoker voor een minder valide bewoner. De CRK heeft daarover destijds positief geadviseerd omdat de liftkoker op passende wijze in het ontwerp is opgenomen. De woning van [huisnummer 2] heeft een iets afwijkende hoogte en diepte dan de omliggende panden.
6.7.
Het betoog van eiser slaagt niet. Zonder deskundig tegenadvies, en dat heeft eiser niet overgelegd, heeft de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoudelijke juistheid van het welstandsadvies. De rechtbank kan aan de hand van de overgelegde foto’s bovendien plaatsen dat de serre anders is beoordeeld dan de opbouw van [huisnummer 1] , omdat de bouwwerken er heel anders uitzien. Ook kan de rechtbank volgen dat de CRK vindt dat, ondanks de verschillen in de bouw bij [huisnummer 1] en [huisnummer 2] , sprake is van een bepaalde rust en eenheid in het straatbeeld waar de serre afbreuk aan doet.
6.8.
De rechtbank vindt het advies daarmee inzichtelijk, logisch en begrijpelijk en is dus van oordeel dat het advies deugt. Dat het hier gaat om zelfbouwkavels maakt daarvoor niet uit. De CRK heeft mee mogen nemen hoe de uiteindelijke bebouwing er uit is komen te zien.
Het advies van de afdeling Ruimte en Duurzaamheid
7.
7.1.
Eiser heeft er met juistheid op gewezen dat het advies van de afdeling R&D in deze zaak een van de CRK afwijkend standpunt inneemt over de inpassing in het straatbeeld. Het advies van R&D luidt (voor zover van belang): “
Het realiseren van de onderhavige serre, waarbij het resterende deel van het dak conform het bestemmingsplan gebruikt wordt als dakterras, is gerechtvaardigd. De eenheid in het straatbeeld gaat niet verloren en goede ruimtelijke kwaliteit blijft behouden.
7.2.
Hoewel de rechtbank eisers verwarring kan plaatsen, maakt dat niet dat de vergunning had moeten worden verleend. De afdeling R&D en de CRK beoordelen twee verschillende voorwaarden die allebei voor de vergunning gelden. R&D is leidend waar het gaat om de vraag of een bouwplan ruimtelijk inpasbaar is. Dat is in dit geval zo, zo blijkt uit het advies van R&D. Maar daarnaast moet ook worden voldaan aan de (specifiekere) redelijke eisen van welstand over de inpassing in de omgeving. De deskundigheid daarvoor ligt bij de CRK, niet bij de afdeling R&D. R&D toetst, anders dan de CRK, ook niet of aan de eisen van de welstandsnota wordt voldaan. Waar sprake is van overlap tussen de adviezen, heeft het college daarom terecht voorrang gegeven aan het advies van de CRK, voor zover het gaat om de welstandsbeoordeling. Nu het CRK advies bovendien, zoals eerder al bleek, past binnen de kaders van de welstandsnota en logisch en begrijpelijk is, heeft het college de vergunning mogen weigeren op grond van dit advies.
Overige gronden
8. Eiser heeft nog gewezen op de email in het dossier van 18 juni 2024 van een ambtenaar van de gemeente die betrokken is geweest bij de besluitvorming in deze zaak. In deze email leest de rechtbank geen reden om aan te nemen dat het college de vergunning heeft moeten verlenen. Er worden geen toezeggingen aan eiser in deze email gedaan. Ook het argument van eiser dat geen van de buren in de [straat] [huisnummer 3] tot en met [huisnummer 4] bezwaar heeft tegen de serre slaagt niet. Ondanks de instemming van de buren mag het college vasthouden aan de welstandscriteria. Voor zover eiser economische schade lijdt omdat hij de serre weer af moet breken, leidt dat ook niet tot een andere uitkomst. Het college mag dit voor eigen risico van eiser laten komen, omdat hij gebouwd heeft zonder de vereiste bouwvergunning. Eiser had zich voordat hij de serre plaatste bij de gemeente kunnen laten informeren over de bouwvergunningsplicht.
Overschrijding van de redelijke termijn
9. Eiser voert aan dat het allemaal heel lang heeft geduurd. Hij heeft in augustus 2023 zijn bezwaar ingediend en pas 22 april 2025 een reactie ontvangen. De rechtbank vat dit op als een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn [4] en zal dit verzoek toewijzen.
9.1.
Volgens vaste rechtspraak [5] mag de behandeling van zaken als deze, waarin van een bezwaar- en beroepsprocedure sprake is, maximaal twee jaar duren. Voor elk half jaar dat deze termijn wordt overschreden, wordt een schadevergoeding van € 500,- toegekend. De termijn vangt aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan en eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet.
9.2.
Het college heeft het bezwaar van eiser op 13 augustus 2023 ontvangen en met het besluit van 25 april 2025 op het bezwaar beslist. De rechtbank heeft met de uitspraak van vandaag op het beroep beslist. Sinds 13 augustus 2023 en de uitspraak van vandaag zijn afgerond twee jaar en zeven maanden verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn met afgerond zeven maanden is overschreden. De overschrijding is geheel toe te schrijven aan het college. Gelet op het uitgangspunt dat een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn overschreden is, stelt de rechtbank het door het college te betalen bedrag aan immateriële schadevergoeding vast op € 1.000,-.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Niet gebleken is van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten. Eiser krijgt dus wel een schadevergoeding van het college, omdat de behandeling van het bezwaarschrift te lang heeft geduurd.

Beslissing

De rechtbank
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt het college tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser van
€ 1.000,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.L. Fernig - Rocour, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Kalse-Spoon, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026.
griffier
De rechter is verhinderd
om deze uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
2.artikel 2.10, aanhef en eerste lid, onder d, van de Wabo.
3.Zie de criteria in hoofdstuk 8.8b en hoofdstuk 6 van de welstandsnota.
4.Als bedoeld in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 11 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5123.