Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:2446

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
C/13/775512 / HA RK 25-309
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 lid 1 AVGArt. 6 lid 1 onder f AVGArt. 79 AVGArt. 35 UAVG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot verwijdering BKR-registratie na betalingsachterstand en moeizame schuldaflossing

De verzoeker, klant bij Rabobank, had sinds 2019 een betaalrekening en sinds 2021 een creditcard met een bestedingslimiet die in november 2022 werd overschreden, wat leidde tot een betalingsachterstand. Rabobank informeerde hem over het tekort en dreigde met een BKR-melding bij uitblijven van betaling. Na blokkering van de creditcard en overdracht van de vordering aan een deurwaarder, volgden meerdere betalingsregelingen die niet altijd werden nagekomen. Pas in januari 2025 werd de schuld volledig voldaan.

De verzoeker vroeg vervolgens verwijdering van de BKR-registratie, stellende dat zijn situatie verbeterd is door stabiel inkomen, afbetaling van schulden en hulp bij gokverslaving. Rabobank weigerde dit, stellende dat de registratie noodzakelijk blijft vanwege het moeizame incassotraject en het recente karakter van de schuldaflossing.

De rechtbank overwoog dat de belangenafweging tussen de bescherming tegen overkreditering en het belang van de verzoeker om de registratie te laten verwijderen, moet worden gemaakt op basis van de actuele feiten en omstandigheden. Hoewel de verzoeker positieve stappen heeft gezet, is de registratie proportioneel en dient deze nog steeds het doel van bescherming van kredietverstrekkers en consumenten.

Daarom werd het verzoek tot verwijdering afgewezen en de verzoeker veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank benadrukte dat de verzoeker pas na een langere periode van financiële stabiliteit in aanmerking kan komen voor verwijdering van de registratie.

Uitkomst: Het verzoek tot verwijdering van de BKR-registratie wordt afgewezen vanwege het recente en moeizame verloop van de schuldaflossing.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer / rekestnummer: C/13/775512 / HA RK 25-309
Beschikking van 5 maart 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mr. M. de Boorder,
tegen
de coöperatie
COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
gevestigd te Utrecht,
verwerende partij,
hierna te noemen: Rabobank
advocaat: mr. J.H. Plomp.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van 11 september 2025, met producties,
- de tussenbeschikking van 23 oktober 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- het verweerschrift van 24 november 2025 met producties,
- de e-mail van 27 november 2025 met nadere producties 9 t/m 15 aan de zijde van [verzoeker] ,
- de e-mail van 1 december 2025 met nadere productie 16 aan de zijde van [verzoeker]
- de mondelinge behandeling van 26 februari 2026,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, waarbij door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[verzoeker] is klant bij Rabobank en heeft daar vanaf 2019 een betaalrekening en vanaf december 2021 een creditcard met een bestedingslimit van € 1.000,-. Op 25 november 2022 is dit bestedingslimit verhoogd naar € 2.500,-. De afschrijvingen van de creditcard werden daarbij één keer per maand afgeboekt op de betaalrekening. Roodstand was niet toegestaan.
2.2.
[verzoeker] heeft in november 2022 verschillende betalingen verricht met zijn creditcard, waaronder een bedrag van € 2.500,- in een tijdsbestek van drie dagen aan Unibet. Ook zijn er in november 2022 bedragen afgeschreven aan Aircash en Revolut. [verzoeker] had bij deze betalingen onvoldoende saldo beschikbaar op zijn betaalrekening.
2.3.
Op 5 december 2022 heeft Rabobank [verzoeker] een brief gestuurd waarin hij is geïnformeerd over zijn saldotekort van op dat moment € 1.142,28. Rabobank heeft [verzoeker] verzocht om het tekort vóór 15 december 2022 aan te vullen. Rabobank heeft verder aangegeven dat, indien het tekort niet tijdig zou worden gezuiverd, zij verplicht is de achterstand te melden bij het Bureau Krediet Registratie (BKR).
2.4.
Op 4 januari 2023 heeft Rabobank [verzoeker] wederom een brief gestuurd en aangegeven dat het saldotekort inmiddels was opgelopen tot € 3.144,43, [verzoeker] werd verzocht het tekort binnen twee weken aan te zuiveren, bij gebreke waarvan Rabobank hiervan melding zal maken bij het BKR. Ook heeft Rabobank aangegeven dat zij de creditcard van [verzoeker] zal blokkeren.
2.5.
Op 5 januari 2023 is de creditcard van [verzoeker] geblokkeerd.
2.6.
Op 23 maart 2023 heeft Rabobank haar vordering, van inmiddels € 5.343,74 overgedragen aan een deurwaarder. Verder is er achterstandscodering en bijzonderheidscode 2 (opeising) geregistreerd per 4 april 2023.
2.7.
Op 7 juli 2023 heeft [verzoeker] telefonisch contact gehad met de deurwaarder en is er een betalingsregeling afgesproken van € 500,- per maand. [verzoeker] is de regeling niet nagekomen.
2.8.
Op 19 februari 2024 is er opnieuw een betalingsregeling afgesproken voor € 500,- per maand. Ook deze regeling is [verzoeker] niet nagekomen.
2.9.
Op 25 april 2024 is er wederom een betalingsregeling afgesproken. Dit keer voor een bedrag van € 300,- per maand in vijf termijnen per ingang van 1 mei 2024. In de maanden juni, juli en augustus 2024 heeft Rabobank geen betalingen ontvangen. In september heeft [verzoeker] wel betaald.
2.10.
Vervolgens is er na telefonisch contact met de deurwaarder weer een nieuwe betalingsregeling afgesproken. Ditmaal van € 100,- per maand. In de maanden september en oktober heeft [verzoeker] betaald. In november 2024 heeft Rabobank geen betaling ontvangen.
2.11.
Op 24 januari 2025 heeft [verzoeker] het restant van de schuld betaald.
2.12.
Op 27 januari 2025 heeft [verzoeker] een verwijderingsverzoek ingediend bij Rabobank. Rabobank heeft hierop afwijzend gereageerd bij brief van 7 februari 2025.
2.13.
Op 26 maart 2025 heeft [verzoeker] wederom een verwijderingsverzoek ingediend bij Rabobank. Ook hierop heeft Rabobank op 9 april 2025 afwijzend gereageerd.
2.14.
Op 22 juli 2025 heeft [verzoeker] bezwaar gemaakt tegen de afwijzing, hetgeen niet tot een andere beslissing heeft geleid.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoeker] verzoekt de rechtbank om, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking, Rabobank te veroordelen om de bijzonderheidscoderingen per direct te verwijderen, kosten rechtens,
3.2.
[verzoeker] legt hieraan ten grondslag dat de schuld is ontstaan doordat hij tijdens de coronacrisis te maken had met werkloosheid en een gokverslaving. Inmiddels heeft hij alle schulden afbetaald en heeft hij hulp gekregen bij zijn verslaving. Ook staat hij ingeschreven bij het Cruks-register, heeft hij vast inkomen en woont hij samen met zijn vriendin.
3.3.
Rabobank voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of de BKR registratie moet worden verwijderd. De rechtbank licht hierna eerst in het algemeen toe wat de regels zijn als iemand wil dat een BKR registratie wordt verwijderd en op welke manier een verzoek tot verwijdering wordt beoordeeld. Daarna zal de rechtbank het verzoek van [verzoeker] beoordelen aan de hand van dat toetsingskader.
4.2.
Een BKR registratie is aan te merken als het verwerken van persoonsgegevens waarop de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) van toepassing is. Op grond van artikel 21 lid 1 AVG Pro kan een persoon (hier [verzoeker] ) vanwege zijn of haar specifieke situatie bezwaar maken tegen de verwerking van hem of haar betreffende persoonsgegevens op basis van artikel 6 lid 1 onder Pro f AVG. De verwerkingsverantwoordelijke (in dit geval Rabobank) moet het bezwaar honoreren, tenzij deze dwingende gerechtvaardigde gronden aanvoert voor de verwerking die zwaarder wegen dan de belangen, rechten en vrijheden van de betrokken persoon of die verband houden met de instelling, uitoefening of onderbouwing van een rechtsvordering. Als de verwerkingsverantwoordelijke het bezwaar niet honoreert, dan kan de betrokkene de rechter zo nodig om een doeltreffende voorziening vragen (artikel 79 AVG Pro en artikel 35 van Pro de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (UAVG). De rechter toetst of de verwerkingsverantwoordelijke aannemelijk heeft gemaakt dat zijn dwingende gerechtvaardigde belangen (het doel van de kredietregistratie) in dit specifieke geval zwaarder wegen dan de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene (overweging 69 AVG). Het doel van de kredietregistratie is tweeledig: enerzijds het beschermen van de consument tegen overkreditering en anderzijds het beschermen van kredietverstrekkers tegen consumenten die financiële verplichtingen niet (kunnen) nakomen.
4.3.
De belangenafweging moet worden gemaakt aan de hand van de feiten en omstandigheden die op het moment van de afweging bekend zijn. Bij deze afweging kunnen dus ook feiten en omstandigheden worden betrokken die zich na de registratie hebben voorgedaan. Omstandigheden die een rol kunnen spelen bij de beoordeling van het verzoek tot verwijdering van de BKR registratie zijn bijvoorbeeld:
  • de omvang van de schuld en/of de achterstand;
  • of een eventuele betalingsregeling goed is nagekomen;
  • de reden voor (het ontstaan en voortbestaan van) de achterstand en de mate van verwijtbaarheid;
  • de huidige financiële situatie van betrokkene (waaronder het inkomen) en als deze weer stabiel is: hoe lang al;
  • of betrokkene andere schulden heeft;
  • of sprake is geweest van ernstige (al dan niet structurele) wanbetaling;
  • de omstandigheid dat betrokkene met de lening (bijvoorbeeld voor de koop van een woning) niet kan wachten tot de vijfjaarstermijn is verstreken (bijvoorbeeld vanwege gezins- en woonsituatie);
  • het verstrijken van de tijd sinds het inlossen van de schuld.
Daarnaast moet bij een dergelijke registratie en de handhaving daarvan zijn voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dat betekent dat de inbreuk op de belangen van de betrokkene niet onevenredig mag zijn in verhouding tot het doel van de verwerking en dat dit doel in redelijkheid niet op een andere, voor hem of haar minder nadelige wijze kan worden verwezenlijkt.
Belangenafweging
4.4.
[verzoeker] heeft een aantal argumenten aangedragen voor de verwijdering van de BKR registratie. Allereerst bevindt hij zich in een compleet andere situatie dan voorheen. Zo heeft hij een andere baan, waarbij hij netto een stuk meer verdient, heeft hij een woning gekocht en heeft hij zijn auto verkocht. Ook heeft hij ongeveer € 5.000,- aan spaargeld. Daarnaast heeft hij een partner die werkt. [verzoeker] heeft aangegeven dat het van belang is om zijn woning te verbouwen. Hij woont momenteel met zijn partner op 29 m2 en zij willen in de toekomst graag een kind. Een verbouwing waarbij er een extra kamer wordt gerealiseerd is dan ook van belang. Het bedrag dat nodig is voor deze verbouwing zal hij samen met zijn partner lenen.
4.5.
Verder heeft [verzoeker] gemotiveerd dat hij in het verleden dubbele woonlasten had, namelijk van de huurwoning waar hij destijds woonde en van zijn huidige koopwoning. De huurovereenkomst is inmiddels opgezegd. Kans op herhaling van gokproblematiek is ook niet aan de orde, hij heeft namelijk vanaf 9 november 2023 een gokstop. Tot slot wijst [verzoeker] erop dat hij in het verleden nog een andere BKR registratie had door een lening bij de gemeente Amsterdam. De gemeente Amsterdam heeft per mail van 1 augustus 2025 laten weten dat zij akkoord is met het verwijderen daarvan.
4.6.
Rabobank stelt dat de belangen bij de instandhouding van de BKR registratie zwaarder wegen dan de belangen bij de verwijdering daarvan. [verzoeker] heeft aangegeven dat hij in augustus 2023 meer is gaan verdienen, maar hij heeft desondanks de vordering pas in januari 2025 voldaan. Het deurwaardersverloop was daarbij erg moeizaam en uiteindelijk zijn er vier aanpassingen in de betalingsregeling nodig geweest, omdat [verzoeker] zijn afspraken niet nakwam. Dat de codering inzake de lening bij de gemeente Amsterdam is verwijderd, betekent niet dat Rabobank dit ook moet doen. [verzoeker] heeft onvoldoende inzicht gegeven in zijn financiële situatie en daarbij is de vordering pas kort geleden voldaan. [verzoeker] komt op zijn vroegst drie jaar na afbetaling van de vordering in aanmerking voor verwijdering van de BKR registratie. Die periode is nodig om te laten zien dat [verzoeker] financieel stabiel is en blijft.
4.7.
Het belang van Rabobank weegt in dit geval zwaarder dan het belang van [verzoeker] . Hierna wordt toegelicht waarom de rechtbank tot dit oordeel is gekomen.
4.8.
Vooropgesteld wordt dat het innen van de vordering een moeizaam proces is geweest. Vaststaat dat er meerdere betalingsregelingen zijn afgesproken die soms, maar vaak ook niet, werden nagekomen. Meerdere malen is daarbij het af te lossen bedrag verlaagd totdat uiteindelijk in januari 2025 de vordering was voldaan. De rechtbank is het met Rabobank eens dat [verzoeker] pas kort schuldenvrij is. Hierdoor kan er geen goede inschatting worden gemaakt van de financiële stabiliteit van [verzoeker] . Daarbij is niet relevant dat de gemeente Amsterdam is overgegaan tot verwijdering van de BKR registratie. Rabobank maakt daarin haar eigen afweging.
4.9.
Wel is zichtbaar dat [verzoeker] stappen heeft gezet om financiële stabiliteit te creëren. [verzoeker] heeft werk, heeft hulp gezocht bij zijn gokverslaving en heeft schulden afbetaald. Ook de situatie dat hij inmiddels meer verdient, een huis heeft kunnen kopen en samenwoont met zijn vriendin geeft blijk van een positieve ontwikkeling. Het is op zich begrijpelijk dat [verzoeker] en zijn partner graag een extra kamer willen om zo ruimte te creëren voor gezinsuitbreiding. Aan dat belang komt echter op zichzelf onvoldoende gewicht toe. Zo is uit de stukken niet gebleken van een nijpende situatie. Weliswaar is de woonruimte van [verzoeker] beperkt, maar hij beschikt wel over woonruimte en kan daar tevens blijven wonen.
4.10.
Voor zover er sprake is van spaargeld, gaat de rechtbank daaraan voorbij. Zoals [verzoeker] ook heeft toegelicht tijdens de mondelinge behandeling is de screenshot van de spaarrekening die hij heeft overgelegd niet van hem, maar van zijn vriendin. Voor de onderhavige belangenafweging gaat het om de eigen financiële situatie van [verzoeker] en van zijn eigen spaarrekening zijn geen stukken overgelegd.
4.11.
De conclusie van het voorgaande is dat de BKR registratie op dit moment nog proportioneel is en nog steeds zijn doel dient, namelijk [verzoeker] beschermen tegen overkreditering en kredietverleners beschermen tegen niet-kredietwaardige kredietnemers.
4.12.
Het verzoek tot verwijdering van de registratie wordt afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij wordt [verzoeker] veroordeeld in de proceskosten, aan de kant van Rabobank begroot op:
- griffierecht
714,00
- proceskosten
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.209,00

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst het verzoek af,
5.2.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 2.209,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3.
verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. Voetelink, rechter, bijgestaan door mr. S.C.C. Valk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2026.