ECLI:NL:RBAMS:2026:2445

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
11857244 \ CV EXPL 25-11859
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:267 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning medehuurderschap dochter naast moeder in Amsterdamse huurwoning

De moeder en haar 38-jarige dochter, die al sinds 1997 samen in een woning in Amsterdam wonen, vorderen dat de dochter medehuurder wordt naast haar moeder. De moeder is sinds het overlijden van haar echtgenoot in 2021 de huurder. De dochter heeft een wajong-uitkering en verricht vrijwilligerswerk, daarnaast verzorgt zij haar moeder die diverse medische klachten heeft.

Verhuurder Stichting De Alliantie heeft het verzoek tot medehuurderschap in 2023 afgewezen, stellende dat er geen duurzame gemeenschappelijke huishouding is en dat de verzorging niet verder gaat dan gebruikelijk is voor een inwonend kind. De rechtbank beoordeelt dat de dochter al meer dan twee jaar haar hoofdverblijf in de woning heeft en dat er sprake is van een duurzame en wederkerige gemeenschappelijke huishouding, waarbij de dochter ook mantelzorg verleent.

De rechtbank acht de gezamenlijke huishouding duurzaam en wijst de vordering toe. Verhuurder wordt veroordeeld in de proceskosten. De dochter wordt met ingang van het vonnis medehuurder van de woning aan het adres in Amsterdam.

Uitkomst: De dochter wordt medehuurder naast haar moeder en verhuurder wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11857244 \ CV EXPL 25-11859
Vonnis van 6 maart 2026
in de zaak van

1.[eiseres 1] ,

hierna te noemen: moeder,
2.
[eiseres 2],
hierna te noemen: dochter,
beiden wonende te [woonplaats] ,
eiseressen,
gemachtigde: mr. J. Wolfrat,
tegen
STICHTING DE ALLIANTIE,
gevestigd te Hilversum,
gedaagde,
hierna te noemen: verhuurder,
gemachtigde: mr. H. Sevim.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 7 augustus 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord, met producties,
- het instructievonnis van 7 november 2025, waarin een mondelinge behandeling van de zaak is gelast,
- de aanvullende producties van moeder en dochter.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 februari 2026. Eiseressen zijn verschenen, vergezeld door [naam 1] en de gemachtigde. Namens verhuurder is [naam 2] met de gemachtigde verschenen. Partijen zijn gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. Ten slotte is vonnis gevraagd en is een datum voor vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Verhuurder is in 1997 een huurovereenkomst aangegaan met [naam vader] (hierna: de vader) met betrekking tot de woning aan het adres [adres] . Na het overlijden van de vader in 2021 is zijn echtgenote, de moeder, van rechtswege huurder van de woning geworden.
2.2.
De vader en de moeder hebben samen twee kinderen. De dochter van thans 38 jaar oud en [naam 1] (hierna: de zoon), van thans 47 jaar oud. Moeder en dochter wonen al sinds de aanvang van de huur samen in het gehuurde met vader, tot zijn overlijden. De dochter is nooit uitwonend geweest. De zoon woonde tot voor kort met zijn gezin in Guyana, maar is vanwege de politieke instabiliteit in buurland Venezuela in januari 2026 teruggekeerd naar Nederland. Hij woont nu met moeder en dochter in het gehuurde.
2.3.
De dochter heeft een wajong-uitkering. Zij werkt drie dagen in de week als vrijwilliger bij Cordaan.
2.4.
In 2023 heeft de moeder verhuurder verzocht om ermee in te stemmen dat de dochter medehuurder van de woning zou worden. De verhuurder heeft dit verzoek bij brief van 25 januari 2023 afgewezen.

3.Het geschil

3.1.
Moeder en dochter vorderen dat de kantonrechter bepaalt dat de dochter met ingang van de datum van het vonnis medehuurder zal zijn van de woning en dat verhuurder wordt veroordeeld in de proceskosten van dit geding.
3.2.
Moeder en dochter leggen aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat de dochter aan alle eisen van artikel 7:267 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) voldoet, zodat kan worden bepaald dat zij medehuurder wordt. Ten eerste heeft de dochter sinds 1997 haar hoofdverblijf in de woning. Er is ook al jarenlang sprake van een duurzame gemeenschappelijke huishouding tussen de moeder en de dochter. Dat blijkt uit het feit dat de dochter naast haar vrijwilligerswerk al haar tijd besteed aan het huishouden, en mantelzorger is voor haar moeder. De moeder is inmiddels 71 jaar en heeft diverse medische klachten zoals diabetes mellitus, osteoporose, verhoogde bloeddruk, hernia en klachten aan haar knieën. De dochter helpt haar moeder met douchen en aankleden, maakt ontbijt voor haar en zorgt dat de moeder haar medicijnen inneemt. Daarnaast gaan moeder en dochter vaak samen wandelen, maken zij samen het huis schoon, zij koken samen, kijken ’s avonds samen televisie en gaan met elkaar op vakantie. Als de moeder naar het ziekenhuis of (dokters)afspraken moet, gaat de dochter met haar mee. Ook betaalt de dochter de boodschappen, het Ziggo-abonnent en maakt zij maandelijks € 100,- over aan haar moeder. De dochter heeft benadrukt dat zij geen enkele behoefte heeft om ‘uit te vliegen’ en zichzelf in de toekomst altijd samen met haar moeder ziet wonen. Moeder en dochter stellen dat geen van de afwijzingsgronden van artikel 7:267 BW Pro van toepassing zijn.
3.3.
Verhuurder betwist de vordering en voert aan – samengevat – dat er geen sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding tussen de dochter en haar moeder. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden waardoor de, in beginsel aflopende samenlevingssituatie tussen een ouder en een kind, in dit geval toch als duurzaam moet worden aangemerkt. Uit de overgelegde bankafschriften volgt volgens verhuurder bovendien niet dat moeder en dochter ten minste twee jaar een gemeenschappelijke huishouding voeren. De bijdragen van dochter zien op een vergoeding van haar eigen kosten in de huishouding, wat niet ongebruikelijk is voor een inwonend meerderjarig kind. Daarnaast zijn de uitgaven voor boodschappen te gering om voor meerdere personen te zijn gedaan; daaruit kan dan ook niet worden afgeleid dat de uitgaven van de dochter ten behoeve van haar moeder zijn geweest. Verhuurder neemt verder wel aan dat sprake is van een mantelzorgrelatie tussen de dochter en de moeder, maar objectieve informatie over welke hulp moeder nodig heeft en dat zij niet zonder hulp zelfstandig kan blijven wonen, ontbreekt. Verhuurder betwist dat de verleende verzorging meer omvat dan wat gebruikelijk te verwachten is van een (inwonend volwassen) kind. Tot slot staat de dochter al sinds 2012 ingeschreven bij Woningnet als woningzoekende.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Artikel 7:267 BW Pro bevat een regeling waardoor een medebewoner, die met de huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft, als medehuurder kan worden aangemerkt. Deze bepaling beoogt zo’n medebewoner bescherming te bieden voor het geval de huurovereenkomst met de huurder eindigt.
4.2.
Tussen partijen staat vast dat de vordering niet kennelijk slechts de strekking heeft de dochter op korte termijn de positie van huurder te verschaffen en dat de dochter vanuit financieel oogpunt voldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur. Ook staat vast dat de dochter al meer dan twee jaar in de woning haar hoofdverblijf heeft.
4.3.
Tussen partijen is wel in geschil de vraag of de dochter gedurende tenminste twee jaren met de moeder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft. Dat is wat in deze procedure moet worden beoordeeld.
4.4.
De dochter heeft haar hele leven bij haar moeder (en tot zijn overlijden ook haar vader) gewoond. De dochter is nooit uitwonend geweest. Zij heeft wel een inschrijving op Woningnet. Daarover heeft de dochter verklaard dat haar middelbare school dat toentertijd voor de zekerheid voor haar heeft geregeld, maar dat zij nooit actief op zoek is geweest naar een eigen woning. Niet gebleken is dat de dochter gedurende de samenlevingsperiode met haar ouders op enig moment het voornemen heeft gehad die samenleving te verbreken en op zichzelf te gaan wonen. Bovendien is geen sprake van een situatie waarin een (net) meerderjarig kind nog bij zijn of haar ouders inwoont totdat hij of zij op zichzelf gaat wonen. Er zijn ook geen aanwijzingen dat de dochter deze levensloopstap uitstelt, vanwege krapte op de woningmarkt of om financiële motieven. Gelet op deze omstandigheden is voldoende gebleken van de bedoeling van betrokkenen om de samenleving niet tijdelijk, maar duurzaam te laten zijn.
4.5.
Daarnaast is voldoende komen vast te staan dat er tijdens de samenwoning een gemeenschappelijke huishouding bestond, die ook wederkerig was. Als niet weersproken staat vast dat de moeder de huur en de energiekosten betaalt en de dochter de kosten van het Ziggo-abonnement, boodschappen en dat zij maandelijks kostgeld betaalt aan haar moeder. Verhuurder wordt niet gevolgd in haar standpunt dat de voor boodschappen betaalde bedragen te gering zijn voor het hele huishouden. De dochter heeft toegelicht dat zij goed let op aanbiedingen, waardoor de kosten van boodschappen lager uitvallen dan gemiddeld. Uit de overgelegde bankafschriften blijkt dat de dochter om de zoveel dagen boodschappen doet bij verschillende supermarkten. Het is aannemelijk dat zij dan boodschappen doet voor het hele gezin, te meer nu uit de bankafschriften van de moeder niet blijkt dat zij voor zichzelf apart boodschappen doet. Er is ook geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaringen van moeder en dochter dat zij samen koken, wandelen, het huis schoon houden, ’s avonds televisie kijken en hun vrije tijd en vakanties met elkaar doorbrengen. Zij hebben verklaard dat zij elkaars beste vriendinnen zijn en buiten de familie om weinig andere sociale contacten hebben. Weliswaar is óók sprake van een (eenzijdige) zorgrelatie tussen dochter en haar moeder, maar moeder en dochter hebben voldoende voor het voetlicht gebracht dat de samenleving tussen hen méér omvat dan alleen de verzorging en de steun die dochter biedt aan haar moeder. De samenleving dient niet alleen het verzorgingsaspect, maar is vooral bedoeld om ‘samen te zijn’.
4.6.
Ten overvloede wordt nog het volgende overwogen. Het gehuurde betreft een grote vierkamerwoning van 92 vierkante meter. Volgens de huidige Huisvestingsverordening van de gemeente Amsterdam komen alleen huishoudens met minderjarige kinderen in aanmerking voor een huisvestingsvergunning voor dergelijke woonruimte. Dat betekent dat de dochter niet in aanmerking komt voor een huisvestingsvergunning voor de onderhavige woning. Het al dan niet toegewezen krijgen van een huisvestingsvergunning is echter geen vereiste bij de toekenning van het medehuurderschap op grond van artikel 7:267 BW Pro of, anders gezegd, het niet in aanmerking kunnen komen voor een huisvestingsvergunning is geen afwijzingsgrond. De wetgever heeft dan ook kennelijk niet bedoeld om dit gegeven mee te laten wegen bij de beoordeling van de onderhavige vordering.
4.7.
Gelet op al het voorgaande, wordt tot de conclusie gekomen dat de dochter met de moeder een duurzame en gemeenschappelijke huishouding voert en dat geen van de afwijzingsgronden van artikel 7:267 lid 3 BW Pro zich voordoen, zodat de vordering zal worden toegewezen.
4.8.
Verhuurder is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat de moeder en de dochter hebben geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal verhuurder niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten
.De proceskosten van de moeder en de dochter worden begroot op:
- griffierecht
90,00
- salaris gemachtigde
434,00
(2 punten × € 217,00)
- nakosten
72,00
Totaal
596,00

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
bepaalt dat de dochter met ingang van de datum van dit vonnis medehuurder is van de woning aan het adres [adres] ,
5.2.
veroordeelt verhuurder in de proceskosten van € 596,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum, kantonrechter, bijgestaan door mr. K.J. Verschueren, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2026.