ECLI:NL:RBAMS:2026:2396

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
11881439 CV EXPL 25-12653
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:40 lid 1 BWArt. 6:203 BWRichtlijn 93/13Wet op het consumentenkrediet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Kredietovereenkomst vernietigd wegens ontbreken bewijs beroepsactiviteit bij consument

Qredits Microfinanciering sloot op 2 februari 2023 een kredietovereenkomst met gedaagde, die toen nog op school zat en een eenmanszaak had opgericht met als bedrijfsomschrijving schoonheidsverzorging. De kredietovereenkomst betrof een bedrag van €5.000 met een looptijd van 63 maanden en een rente van 9,75% per maand. Gedaagde betaalde niet volledig, waarna Qredits de overeenkomst beëindigde en het openstaande bedrag opeiste.

De kern van het geschil was of gedaagde de overeenkomst sloot in het kader van haar beroeps- of bedrijfsactiviteit. De rechtbank stelde vast dat Qredits niet voldoende bewijs leverde dat gedaagde op het moment van sluiten als ondernemer handelde. Er was geen concreet bedrijfsplan of andere stukken die dit aantoonde. Het feit dat gedaagde de lening gebruikte voor bedrijfsdoeleinden en later een onderneming startte, was onvoldoende.

Op grond van het EU-recht en de Nederlandse wetgeving werd gedaagde daarom als consument aangemerkt. Qredits had niet voldaan aan de wettelijke precontractuele verplichtingen voor consumentenkrediet en had de kredietwaardigheid niet adequaat getoetst. De kredietovereenkomst werd vernietigd op grond van artikel 3:40 lid 1 BW Pro, waardoor rente en kosten niet in rekening konden worden gebracht.

De rechtbank gaf Qredits de gelegenheid om een overzicht van betalingen door gedaagde te overleggen, waarna verdere beslissing wordt aangehouden. De uitspraak benadrukt het belang van correcte kwalificatie van kredietnemers en naleving van consumentenbescherming bij kredietverlening.

Uitkomst: De kredietovereenkomst wordt vernietigd omdat gedaagde als consument handelde en Qredits niet aan haar wettelijke verplichtingen voldeed.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11881439 \ CV EXPL 25-12653

Vonnis van 13 maart 2026

in de zaak van

STICHTING QREDITS MICROFINANCIERING NEDERLAND,

gevestigd te Almelo,
eisende partij,
hierna te noemen: Qredits Microfinanciering,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

- dagvaarding van 3 september 2025, met producties;
- antwoord;
- instructievonnis;
- dagbepaling mondelinge behandeling.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 februari 2026. Voor Qredits Microfinanciering is namens de gemachtigde [naam 1] verschenen. [gedaagde] is verschenen. Partijen zijn gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. Ten slotte is vonnis gevraagd en is een datum voor vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten

1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast.
1.1.
Qredits Microfinanciering heeft op 2 februari 2023 met [gedaagde] , blijkens de schriftelijke overeenkomst handelend onder de naam [handelsnaam] , een kredietovereenkomst gesloten. De overeengekomen kredietsom bedraagt
€ 5.000,00, waarop € 275,00 aan behandelkosten in mindering is gebracht. De looptijd van de overeenkomst is 63 maanden en de overeengekomen rente is 9,75% per maand. Op de overeenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing.
1.2.
Het maandelijks bedrag dat [gedaagde] moest betalen was € 105,62.
1.3.
[gedaagde] , geboren op [geboortedatum] 2004, is blijkens het uittreksel van de Kamer van Koophandel op 6 februari 2023 als eigenaar in functie getreden van de eenmanszaak [handelsnaam] , welke eenmanszaak 6 februari 2023 als startdatum heeft. De bedrijfsomschrijving is schoonheidsverzorging, pedicures en manicuren. Tevens is geregistreerd dat de onderneming is opgeheven per 27 februari 2023.
1.4.
Op 6 juni 2024 heeft Qredits Microfinanciering [gedaagde] in gebreke gesteld in verband met een betalingsachterstand van € 269,96.
1.5.
Bij brief van 4 juli 2024 heeft Qredits Microfinanciering de kredietovereenkomst beëindigd en heeft zij het openstaande bedrag van
€ 4.509,65 ineens opgeëist.
1.6.
[gedaagde] heeft het openstaande bedrag niet betaald.

Het geschil

2. Qredits Microfinanciering vordert - samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van het restbedrag van € 4.975,90, vermeerderd met € 731,55 aan buitengerechtelijke incassokosten en de contractuele rente, tot 22 augustus 2025 berekend op € 220,35, en vanaf 22 augustus 2025 tot aan de dag van voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding. Qredits Microfinanciering legt aan de vordering ten grondslag dat zij met [gedaagde] een kredietovereenkomst heeft gesloten. De kredietovereenkomst is door [gedaagde] aangegaan in de uitoefening van haar beroep of bedrijf, zodat het volgens Qredits Microfinanciering een handelstransactie betreft waarop de Wet op het consumentenkrediet niet van toepassing is. [gedaagde] is haar verplichtingen uit die overeenkomst niet volledig nagekomen.
3. [gedaagde] voert verweer. Voor zover relevant zal dat hierna aan de orde komen.

De beoordeling

4. Voordat de vordering van Qredits Microfinanciering beoordeeld kan worden, moet worden vastgesteld in welke hoedanigheid [gedaagde] de overeenkomst met Qredits Microfinanciering heeft gesloten, die van handelaar zoals Qredits Microfinanciering heeft gesteld en [gedaagde] niet heeft bestreden, dan wel als consument hetgeen door de kantonrechter ambtshalve moet worden vastgesteld. Daarbij moeten alle feiten en omstandigheden beoordeeld worden ten tijde van het sluiten van de overeenkomst.
5. In het arrest van het Europees Hof van Justitie van 13 november 2025 (ECLI:EU:C:2025:876 [naam 2] ) is het volgende overwogen ten aanzien van de begrippen “onderneming” en “consument”:

44 Artikel 2, onder b), van deze richtlijn bepaalt dat onder „consument” wordt verstaan iedere natuurlijke persoon die bij onder deze richtlijn vallende overeenkomsten handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen.

45 Zo moet de hoedanigheid van „consument” van de betrokken persoon worden bepaald aan de hand van een functioneel criterium, namelijk of de betrokken contractuele verhouding deel uitmaakt van activiteiten die niets vandoen hebben met de uitoefening van een beroep of een bedrijf. Het Hof heeft eveneens de gelegenheid gehad om te verduidelijken dat het begrip „consument” in de zin van artikel 2, onder b), van richtlijn 93/13 een objectief begrip is dat losstaat van de concrete kennis waarover de betrokkene kan beschikken of van de informatie waarover die persoon werkelijk beschikt [arrest van 8 juni 2023, YYY. (Begrip „consument”), C570/21, EU:C:2023:456, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

46 Richtlijn 93/13 definieert de overeenkomsten waarop zij van toepassing is dus aan de hand van de hoedanigheid van de contractpartijen, naargelang zij al dan niet in het kader van hun bedrijfs- of beroepsactiviteit handelen (zie arrest van 21 maart 2019, [naam 3] en [naam 4] , C590/17, EU:C:2019:232, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

47 Zoals in punt 25 van het onderhavige arrest is opgemerkt, en onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, blijkt in casu uit geen van de door deze rechter verstrekte gegevens dat de natuurlijke persoon die verweerder in het hoofdgeding is op het tijdstip waarop de overeenkomst voor het verrichten van juridische diensten werd gesloten een zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit uitoefende in het kader waarvan deze overeenkomst had kunnen worden gesloten.

48 Aan deze beoordeling wordt niet afgedaan door de omstandigheid dat het doel van RU was om een handelsactiviteit te ondernemen.

49 Het Hof heeft immers reeds geoordeeld dat de hoedanigheid van „consument” van een persoon in de zin van richtlijn 93/13 moet worden beoordeeld op het tijdstip waarop de betrokken overeenkomst werd gesloten (zie in die zin arrest van 20 maart 2025, Arce, C365/23, EU:C:2025:192, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

50 In dit verband heeft het feit dat de situatie van de natuurlijke persoon die verweerder in het hoofdgeding is, kon veranderen, geen invloed op de hoedanigheid die hij op de datum van sluiting van de betrokken overeenkomst bezat (zie in die zin arrest van 20 maart 2025, Arce, C365/23, EU:C:2025:192, punt 51).

6. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [gedaagde] , die op dat moment nog op school zat, de overeenkomst heeft gesloten met de bedoeling om daarmee een bedrijf te beginnen. [gedaagde] heeft in dat verband onbestreden verklaard dat zij daartoe uitsluitend telefonisch contact heeft gehad met Qredits Microfinanciering en haar plannen heeft uitgelegd en vervolgens online een formulier heeft ingevuld, waarin onder meer moest worden opgegeven hoeveel zij ging verdienen. Om een bedrijfsplan, dat zij overigens niet had, is niet gevraagd en heeft zij dan ook niet ingeleverd, en ook andere stukken heeft Qredits Microfinanciering niet gevraagd. [gedaagde] heeft met de verstrekte lening vervolgens spullen aangeschaft voor haar bedrijf. Uit de stukken blijkt verder dat de kredietovereenkomst op 2 februari 2023 is gesloten door middel van het online ondertekenen van de kredietovereenkomst door beide partijen.
7. Toepassing van bovenstaand criterium van het EU-Hof en in het bijzonder rechtsoverweging 47 en verder van het arrest brengt mee Qredits Microfinanciering, op wie de bewijslast terzake rust, in dit geding niet afdoende heeft aangetoond dat [gedaagde] op 2 februari 2023 toen zij de kredietovereenkomst sloot, handelde in hoedanigheid van haar beroeps- of bedrijfsactiviteit, zodat [gedaagde] als consument wordt aangemerkt. Dat [gedaagde] ten tijde van het sluiten van de overeenkomst al een concreet bedrijfsplan had, hetgeen een aanwijzing kan zijn en door Qredits Microfinanciering blijkens de dagvaarding kennelijk ook van belang wordt geacht, of andere stukken waaruit volgt dat [gedaagde] op dat moment al als handelaar was aan te merken, is in dit geding niet gebleken. Weliswaar heeft Qredits Microfinanciering in de dagvaarding een uitgebreide toelichting gegeven op welke wijze zij zich normaliter verdiept in de ondernemings- en financiële plannen, maar dat dit in dit geval bij [gedaagde] is gebeurd en waaruit kan worden opgemaakt dat [gedaagde] ten tijde van het sluiten van de overeenkomst al een zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit uitoefende, is niet gebleken. Overigens zijn door Qredits Microfinanciering geen concrete feiten of omstandigheden naar voren gebracht die ondubbelzinnig meebrengen dat [gedaagde] gestructureerd en duurzaam een zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit uitoefende in het kader waarvan deze kredietovereenkomst werd gesloten
.Dat dit kort daarop veranderde en dat zij ten tijde van het sluiten van de kredietovereenkomst ook de bedoeling had om deze activiteit te starten, doet aan deze vaststelling niet af, zoals door het EU-Hof is overwogen. Aan het vorenstaande doet ook niet af dat namens Qredits Microfinanciering is verklaard dat zij startende ondernemingen op gang wil helpen en geen financiering aan particulieren verstrekt.
8. In dit geding is niet in geschil dat Qredits Microfinanciering bij de totstandkoming van de overeenkomst niet heeft voldaan aan de wettelijke vereisten die behoren bij het afsluiten van een consumentenkrediet.
9. Dat betekent dat Qredits Microfinanciering niet tijdig en volledig aan haar wettelijke precontractuele verplichtingen heeft voldaan en is vast komen te staan dat zij niet de kredietwaardigheid van [gedaagde] tijdig en toereikend heeft getoetst. Dat leidt ertoe dat de kantonrechter de kredietovereenkomst op grond van artikel 3:40 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) zal vernietigen. Dat brengt mee dat er geen grondslag is voor het bij [gedaagde] in rekening brengen van kosten en rente. Deze sancties acht de kantonrechter gelet op hetgeen hierboven is overwogen doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend.
10. Dit leidt ertoe dat [gedaagde] op grond van artikel 6:203 BW Pro het geleende bedrag dient terug te betalen, waarop de reeds in rekening gebrachte rente en kosten en betalingen in mindering worden gebracht.
11. Uit de stukken valt niet af te leiden welk bedrag door [gedaagde] al aan Qredits Microfinanciering is betaald, terwijl uit de stukken blijkt dat Qredits Microfinanciering € 4.725,00 aan [gedaagde] heeft betaald (€ 5.000,00 aan kredietsom - € 275,00 aan behandelkosten). Uit de omstandigheid dat Qredits Microfinanciering [gedaagde] eerst op 6 juni 2024 heeft aangeschreven voor een achterstand van € 289,96 wordt afgeleid dat [gedaagde] daarvoor betalingen aan Qredits Microfinanciering heeft gedaan, zodat deze in mindering dienen te strekken op het uitgeleende bedrag.
12. Qredits Microfinanciering wordt in de gelegenheid gesteld een overzicht in het geding te brengen van de door [gedaagde] verrichte betalingen. [gedaagde] kan daar vervolgens op reageren.
13. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

BESLISSING

De kantonrechter:
verwijst de zaak naar de rolzitting van 10 april 2026 te 10:00 uur voor het indienen door Qredits Microfinanciering van een akte als hiervoor overwogen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
515