ECLI:NL:RBAMS:2026:2340

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
13/325854-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 11 OLWArt. 13 OLWArt. 22 OLWArt. 23 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over Europees aanhoudingsbevel en detentieomstandigheden in Polen

De rechtbank Amsterdam behandelde op 24 februari 2026 een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit Polen voor de overlevering van een verdachte verdacht van illegale handel in verdovende middelen. De rechtbank oordeelde dat het EAB voldoende duidelijkheid biedt over het strafbare feit en de rol van de opgeëiste persoon, en dat de weigeringsgrond van artikel 13 Overleveringswet Pro (OLW) niet van toepassing is ondanks gedeeltelijke gepleegde feiten in Nederland.

De rechtbank constateerde een algemeen reëel gevaar van schending van grondrechten in het Poolse remand regime, maar achtte de verstrekte detentiegarantie van 8 augustus 2025 en aanvullende informatie van 30 december 2025 voldoende om dit gevaar voor de opgeëiste persoon te mitigeren. De raadsvrouw betwistte dit en overhandigde verklaringen van een eerder overgeleverde persoon die beperkte tijd buiten de cel doorbracht.

De rechtbank vond de detentiegarantie echter onvoldoende duidelijk over de gemiddelde tijd die de opgeëiste persoon naast de verplichte wandeling van een uur per dag buiten de cel kan doorbrengen. Daarom verzocht zij de officier van justitie om aanvullende vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten en besloot het onderzoek te heropenen en te schorsen voor onbepaalde tijd. De beslistermijn werd met 30 dagen verlengd en de zaak wordt uiterlijk veertien dagen voor 31 maart 2026 opnieuw op zitting gepland.

Uitkomst: Het onderzoek wordt heropend en geschorst voor onbepaalde tijd vanwege onduidelijkheid over de tijd die de opgeëiste persoon buiten de cel kan doorbrengen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/325854-25
Datum uitspraak: 24 februari 2026
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 17 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 28 juni 2021 door
the Regional Court in Tarnów,Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1991 in [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [detentie-instelling] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 10 februari 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.M. Hof, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
enforceable decision on remand in custodyvan
the District Court in Tarnówvan 9 december 2020 met referentie II Kp 794/20
.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Pools recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. [3]

4.Genoegzaamheid

4.1
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB niet genoegzaam is, omdat de rol van de opgeëiste persoon niet duidelijk is omschreven. Dit is in het kader van het specialiteitsbeginsel van groot belang. De raadsvrouw heeft daarom verzocht om hierover aanvullende vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
4.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is. Uit de feitomschrijving in het EAB en uit het A-formulier volgen de pleegplaats, pleegdatum en de rol van de opgeëiste persoon, waardoor voldoende duidelijk is voor welk strafbaar feit de overlevering wordt verzocht.
4.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij het strafbare feit. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
Het A-formulier vermeldt de rol van de opgeëiste persoon als “
accomplice”. De feitomschrijving in onderdeel e) van het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon heeft gehandeld “
in cooperation with” de genoemde medeverdachten. Verder wordt – kortgezegd – beschreven dat de opgeëiste persoon ervan verdacht wordt in de periode van maart tot en met juni 2019 in Nederland aanzienlijke hoeveelheden verdovende middelen te hebben verkregen, die hij vervolgens zou hebben overgedragen aan een medeverdachte. De medeverdachte zou de verdovende middelen vervolgens naar Polen hebben gebracht en daar hebben verkocht voor verdere doorverkoop. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee voldoende duidelijk waarvoor de overlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht en is voldaan aan de vereisten die de OLW aan het EAB stelt.
De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om aanvullende vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten. Het verzoek van de raadsvrouw wordt afgewezen.

5.Strafbaarheid: feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Pro

6.1
Inleiding
Het EAB ziet op een feit dat geacht wordt geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. [4]
6.2
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Pro.
6.3
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 13 OLW Pro van toepassing is, maar heeft de rechtbank verzocht om af te zien van toepassing van deze weigeringsgrond. Ondanks dat het feit geacht wordt gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd, hebben de Poolse autoriteiten rechtsmacht om de opgeëiste persoon te vervolgen voor dit feit. Bovendien is het onderzoek aangevangen in Polen, bevindt het bewijs zich in Polen en worden de medeverdachten ook in Polen vervolgd. Het Nederlandse openbaar ministerie is daarnaast niet voornemens om over te gaan tot vervolging.
5.4
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat:
- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;
- de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is, te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
De rechtbank stelt vast dat, in het licht van de hierboven weergegeven door de officier van justitie naar voren gebrachte argumenten, het gegeven dat het feit wordt geacht gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding geeft om de weigeringsgrond toe te passen. De weigeringsgrond als genoemd in artikel 13 OLW Pro staat niet aan de overlevering in de weg.

7.Artikel 11 OLW Pro: detentieomstandigheden in het Poolse remand regime

7.1
Inleiding
Nu de overlevering van de opgeëiste persoon wordt gevraagd in verband met een strafrechtelijke vervolging, zal hij na overlevering aan Polen aldaar in voorlopige hechtenis verblijven, oftewel in het zogenoemde
remand regimeworden geplaatst
.
De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het
remand regimein Polen
terechtkomen. Het kernpunt is dat in het
remand regimeslechts drie vierkante meter persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel is gegarandeerd voor de voorlopig gedetineerde, terwijl die veelal drieëntwintig uren per dag op zijn cel doorbrengt. De rechtbank verwijst in dit kader naar haar tussenuitspraken in soortgelijke zaken van 5 juni 2024 [5] en 6 juni 2024 [6] .
De vaststelling van een algemeen gevaar van schending van de grondrechten voor gedetineerden die terechtkomen in het
remand regime, kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden.
Om te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in het
remand regimein Polen waar hij zal worden gedetineerd.
Op 17 december 2025 heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum van het Openbaar Ministerie (IRC) onder meer de volgende vragen gesteld aan de Poolse autoriteiten:
“In another surrender procedure the Court of Amsterdam, in the decision of 25.09.2025 (ECLI:NL:RBAMS:2025:7080), authorized the surrender of the wanted person to the remand prison in Tarnow after additional information was given in the letter dated 08.08.2025. I have included this letter (redacted) in the attachment.
- Can you please confirm that the wanted person will be placed in the remand center in Tarnow?
- Can you please confirm that the information in the attachment is currently still applicable to all detainees in the remand center in Tarnow?”
Bij e-mail van 17 december 2025 heeft het IRC een in een andere procedure verstrekte detentiegarantie van 8 augustus 2025 gevoegd. Deze garantie bevat onder meer de volgende informatie:
"(...) The person remanded in custody staying in Prison in Tarnów will have the opportunity to participate in activities organized by the administration of this penitentiary facility. Cultural and educational activities are aimed at fostering civic and patriotic attitudes. They are implemented based on a weekly plan and a schedule of activities prepared by educators. (...) Participation in activities is voluntary, and persons remanded in custody make their own decisions regarding this matter. The main venues for activities are the recreation rooms located in the individual residential units, the library, and the workshops and rooms adapted for this purpose. A person remanded in custody who demonstrate exceptional adherence to the internal order of the detention center and the rules set forth in the organizational and order regulations for the execution of pretrial detention may be recognized. Specifically, awards include: permission to design their residential cells individually; an additional or longer walk, permission to participate more frequently in cultural and educational activities, physical culture and sports, as well as permission for longer visits (…) A person remanded in custody in Prison in Tarnów will be provided with a residential cell area of at least 3 (three) square meters. (...) Window and radiator recesses are excluded from the calculation of the living area, as well as the area outside the internal grilles and the separate sanitary area. (...) The average duration of day-room activities, from the time of leaving the cell, is about one and a half hours on average. This time does not include the person remanded in custody's right to a walk of at least one hour. This activity is carried out independently of the activities described above. Given the variety of activities carried out, it is not possible to determine unequivocally the number of hours that a person remanded in custody spends outside their living cell, especially since, as already indicated, participation in these activities is voluntary and depends only on the will of the person remanded in custody. (…)"
De Poolse autoriteiten hebben op 30 december 2025 per e-mail hierop gereageerd en de volgende aanvullende informatie verstrekt:
"(...) concerning [de opgeëiste persoon] , I would like to inform you that after his transfer to Poland, he will ultimately be sent to the Penitentiary in Tarnów. Due to the transfer procedures, a person transferred on the basis of an EAW arrives in Warsaw and is temporarily detained in the Remand Center, from where he is immediately transported to the Penitentiary in Tarnów. Furthermore, I would like to inform you that the information provided by the local prosecutor's office to the court in Amsterdam applies to all persons held at the prison in Tarnów."
7.2
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het door de rechtbank vastgestelde algemene gevaar van schending van grondrechten in het
remand regimein Polen voor de opgeëiste persoon niet wordt weggenomen door de verstrekte informatie. De raadsvrouw heeft ter onderbouwing enkele stukken overgelegd afkomstig van een andere opgeëiste persoon die inmiddels is overgeleverd en ten aanzien van wie dezelfde garantie werd verstrekt door de Poolse autoriteiten. Uit deze stukken blijkt dat de persoon in kwestie onder andere stelt dat de cellen in de detentie-instelling in Tarnów te klein zijn en dat hij te weinig tijd buiten de cel kan doorbrengen. De eerder overgeleverde persoon zou in de eerste maand detentie na de overlevering slechts vijf uur in totaal buiten de cel hebben verbleven in de gemeenschappelijke ruimte, afgezien van de dagelijkse wandeling (die volgens deze persoon ook niet altijd doorging). Verder is de verstrekte detentiegarantie algemeen geformuleerd ten aanzien van de tijd die de opgeëiste persoon buiten de cel kan doorbrengen. De raadsvrouw heeft verzocht om aanhouding van de zaak om aanvullende vragen te stellen over de bezettingsgraad in de detentie-instelling in Tarnów en om een detentiegarantie te krijgen die specifiek betrekking heeft op de opgeëiste persoon.
7.3
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanvullende informatie voldoende is om het algemene gevaar op schending van grondrechten in detentie in het r
emand regimein Polen voor de opgeëiste persoon weg te nemen. Het gegeven dat de detentiegarantie eerder is verstrekt en nu van toepassing wordt verklaard op de opgeëiste persoon is niet problematisch. Immers staat de rechtbank ook overleveringen toe naar België, waarbij Belgische autoriteiten telkens dezelfde detentiegarantie verstrekken en daarbij enkel de naam van de opgeëiste persoon en de detentie-instelling aanpassen. Artikel 11 OLW Pro staat niet aan de overlevering in de weg.
7.4
Oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is door de Poolse autoriteiten in de hierboven opgenomen aanvullende informatie van 30 december 2025 gegarandeerd dat de opgeëiste persoon ten minste over drie m2 persoonlijke ruimte in een meerpersoonscel exclusief sanitaire voorzieningen zal beschikken. De rechtbank heeft acht geslagen op de door de raadsvrouw overgelegde verklaring van de persoon die eerder met dezelfde detentiegarantie is overgeleverd. De rechtbank heeft er oog voor dat het gaat om een niet-geverifieerde verklaring van deze persoon, zodat zijn relaas over de eerste maand detentie na overlevering niet zonder meer voor waar kan worden aangenomen. Dat neemt echter niet weg dat de door raadsvrouw overgelegde stukken bij de rechtbank vragen doen rijzen over de uitleg van de verstrekte detentiegarantie, te weten het aantal uren dat de opgeëiste persoon gemiddeld per dag buiten zijn cel kan verblijven. De Poolse autoriteiten vermelden het volgende in de detentiegarantie van 8 augustus 2025: “
The average duration of day-room activities, from the time of leaving the cell, is about one and a half hours on average.
This time does not include the person remanded in custody’s right to walk of at least one hour. This activity is carried out independently of the activities described above.” In de uitspraak waarbij de overlevering op basis van dezelfde detentiegarantie is toegestaan is de rechtbank ervan uitgegaan dat werd gegarandeerd dat die persoon, naast de dagelijkse wandeling van een uur, ten minste anderhalf uur
per dagkon deelnemen aan activiteiten buiten de cel. [7] De detentiegarantie kan echter bij nadere lezing ook zo worden uitgelegd dat, in het geval de opgeëiste persoon deelneemt aan
day-room activities,hij gemiddeld ongeveer anderhalf uur buiten de cel verblijft, zonder dat wordt aangegeven met welke frequentie deze activiteiten in de
day-roomworden aangeboden. De rechtbank kan dan ook, zonder aanvullende informatie, op basis van de huidige detentiegarantie niet vaststellen hoeveel tijd de opgeëiste persoon – naast een uur wandelen - gemiddeld per dag buiten de cel kan doorbrengen.
In verband met het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om aanvullende vragen te stellen. De rechtbank verzoekt dan ook aan de officier van justitie om aan de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende vragen te stellen:
1. Is de duur van de
day room activitiesgemiddeld anderhalf uur
per dag, of kan de opgeëiste persoon enkel gemiddeld anderhalf uur in de
day roomdoorbrengen in het geval dat er daar activiteiten worden georganiseerd?
2. Als sprake is van de laatstgenoemde situatie, dan dient alsnog inzichtelijk te worden gemaakt hoeveel tijd de opgeëiste persoon in totaal gemiddeld per dag buiten de cel kan doorbrengen als hij deelneemt aan alle aangeboden mogelijkheden daartoe.
Gelet op de gestelde vragen zal de rechtbank het onderzoek heropenen en schorsen voor onbepaalde tijd. De termijn om op het verzoek tot overlevering te beslissen loopt na de verlenging ter zitting af op 1 maart 2026. Nu de rechtbank, gezien het voorgaande, een verlenging nodig heeft om op het verzoek tot overlevering te beslissen, zal zij op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW de beslistermijn verlengen met 30 dagen, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenneming op grond van artikel 27, derde lid, OLW.

8.Beslissing

HEROPENT en SCHORSThet onderzoek voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de door de rechtbank onder 7.4 geformuleerde vragen aan de Poolse uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen;
VERLENGTde termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met
dertig dagen, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenneming op grond van artikel 27, derde lid, OLW;
BEPAALTdat de zaak uiterlijk veertien dagen vóór 31 maart 2026 (het einde van de verlengde beslistermijn) weer op zitting wordt gepland;
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsvrouw.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 24 februari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.
5.Rb. Amsterdam 5 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3257.
6.Rb. Amsterdam 6 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3365.