Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
1.De procedure
2.De feiten in conventie en in reconventie
Prices & Delivery
manufacturing, the equipment by Procan shall be eleven (11) months after order placement. This lead time does
not include shipment and testing. If Procan fails to comply with this lead time, Procan shall forfeit a fixed penalty of 0.5% of the total purchase price of the equipment for each week that the lead time for manufacturing is increased, with a maximum of 5% of the total purchase price of the equipment. If Procan has forfeited a penalty, the penalty amount will be sett of [sic] against the last installment owed by Trivium to Procan as set in schedule 2.
5.Final acceptance
6.Trivium Packaging General Terms and Conditions
2.6 Shipping and delivery
(...)
Upon your acceptance, we can organize the inspection in China with your delegates. (…) Please note that any further delay, caused by your non-acceptance will be Trivium’s responsibility.
(…)”
(now via WeTransfer)
3.De vorderingen in conventie
- a) veroordeelt tot betaling van € 1.330.000,00, met bepaling dat Procan van haar verbintenis jegens Trivium is bevrijd, vermeerderd met wettelijke handelsrente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten,
- b) veroordeelt tot vergoeding van de schade, nader op te maken bij staat.
Subsidiair beroept Procan zich op de “tenzij”-bepaling in de laatste volzin van artikel 6:265 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek (BW). Gelet op de geringe aard en betekenis van de tekortkoming en de gevolgen van ontbinding van de overeenkomst, is die ontbinding volgens Procan hoe dan ook niet gerechtvaardigd.
4.De vorderingen in reconventie
- a) voor recht verklaart dat Trivium de overeenkomst op 15 juli 2024 rechtsgeldig heeft ontbonden,
- b) Procan veroordeelt tot betaling van € 570.000,00,
- c) Procan veroordeelt tot betaling van € 95.000,00,
5.De beoordeling in conventie
“leadtime of manufacturing the equipment by Procan shall be eleven months after order placement”.
“Shipment and testing”zijn niet in die periode van elf maanden begrepen. Voor zover Trivium heeft betoogd dat de machine niet
“eleven months after order placement”gereed was voor buy-off in China en dat Procan door het verstrijken van die overeengekomen fatale termijn tekortschoot en in verzuim raakte (waardoor Trivium op 15 juli 2024 mocht overgaan tot ontbinding van de overeenkomst) wordt zij daarin niet gevolgd. Partijen hebben voordat die initieel overeengekomen termijn van elf maanden na orderplaatsing verstreek en ook daarna meerdere keren overleg gevoerd waarbij zij in ieder geval op 1 februari 2024 en ook in maart 2024 nieuwe afspraken hebben gemaakt over het tijdschema van het productieproces van de machine. In het midden kan blijven of die nieuwe afspraken over het tijdschema uitsluitend oorsprong vinden in nadere en specifieke technische eisen die Trivium aan de machine stelde of dat Trivium, ondanks aan Procan te wijten vertraging, uitsluitend uit “coulance” heeft ingestemd met een gewijzigd tijdschema (standpunt Trivium). Ook in dat laatste geval heeft Trivium door het maken van nieuwe afspraken over het tijdschema afstand gedaan van de initieel overeengekomen elf-maanden-termijn na orderplaatsing. Daarom kan zij die elf-maanden-termijn niet alsnog aan Procan tegenwerpen.
“fruits of our joint efforts”. Ruim een maand later, op 27 mei 2024, heeft Trivium technische feedback gegeven op ‘samples’-blikken die Procan haar heeft toegezonden. Zij heeft die feedback op 3 juni 2024 aangevuld. Verder zijn op 8 mei 2024, 3 juni en 17 juni 2024 door Procan video’s en foto’s van de voortgang van de productie van de machine aan Trivium gestuurd. Daarna is op 18 juni 2024 nog een overleg tussen partijen gepland voor de dag erna.
- dat de ontbinding van de overeenkomst door Trivium niet het door haar beoogde rechtsgevolg heeft;
- dat Procan uit de houding van Trivium afleidt dat Trivium haar verplichtingen uit de overeenkomst desondanks niet zal nakomen en dat als gevolg daarvan dus sprake is van (schuldeisers)verzuim van Trivium.
€ 1.900.000,-.
“upon succesfull factory acceptance test”) wel toewijsbaar geoordeeld, maar haar vordering tot betaling van de laatste, derde termijn (25% van € 1.900.000,-,
“after final acceptance in Trivium incisa plant”) niet.
Dat standpunt van Trivium is ongegrond gebleken. De wettelijke handelsrente wordt dan ook toegewezen zoals hierna in de beslissing is vermeld.