ECLI:NL:RBAMS:2026:2304

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
11947929 EA VERZ 25-1275
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:673 lid 1 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet niet rechtsgeldig; toekenning billijke vergoeding en transitievergoeding

De werknemer, voormalig eigenaar van een bedrijf dat werd overgenomen door de werkgever, werd op staande voet ontslagen wegens vermeende ernstige tekortkomingen en onregelmatigheden. De werknemer was op het moment van ontslag gedeeltelijk arbeidsongeschikt en betwistte de dringende reden en de onverwijldheid van het ontslag.

De kantonrechter oordeelde dat het ontslag niet onverwijld was gegeven, omdat er een week verstreek tussen de laatste communicatie en het ontslag, en dat de dringende reden onvoldoende concreet en tijdig was meegedeeld. Hierdoor was het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig.

De werknemer kreeg recht op een transitievergoeding, vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een billijke vergoeding van €51.000 vanwege het ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. Tevens werd de werkgever veroordeeld tot betaling van achterstallig loon, vakantiegeld en het afdragen van pensioenpremies. De werkgever werd ook veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig verklaard en de werkgever is veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding, transitievergoeding, vergoeding onregelmatige opzegging, achterstallig loon, pensioenpremies en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer / rekestnummer: 11947929 \ EA VERZ 25-1275
Beschikking van 26 februari 2026
in de zaak van
[verzoeker],
te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. F.B. Mahabali en mr. J.B.M. Swart,
tegen
BUILDING CARE B.V.,
te Badhoevedorp,
verwerende partij,
hierna te noemen: Building Care,
vertegenwoordigd bij [naam 1] .

1.De procedure

1.1.
[verzoeker] heeft op 30 oktober 2025 een verzoek gedaan tot onder meer toekenning van een billijke vergoeding. Building Care heeft een verweerschrift ingediend.
1.2.
Op 14 januari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. [verzoeker] is in persoon verschenen, bijgestaan door de gemachtigden. Namens Building Care is verschenen [naam 1] (UBO), bijgestaan door de voormalig gemachtigde. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Building Care verzocht om aanhouding van de inhoudelijke mondelinge behandeling. Dit verzoek is toegewezen. Op 5 februari 2026 is de mondelinge behandeling voortgezet. [verzoeker] is in persoon verschenen, bijgestaan door de gemachtigden. Namens Building Care is verschenen [naam 1] , vergezeld door [naam 2] . Partijen hebben hun standpunten toegelicht (de gemachtigde van [verzoeker] mede aan de hand van pleitaantekeningen) en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Aan het einde van de zitting is de zaak aangehouden in verband met schikkingsonderhandelingen. Bij e-mail van 18 februari 2026 heeft de gemachtigde van [verzoeker] verzocht om een beschikking te geven. De datum voor beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[verzoeker] was eigenaar van [bedrijf 1] B.V. Op 1 januari 2024 is [bedrijf 1] B.V. overgekocht door [bedrijf 2] B.V., waarvan Building Care de enig aandeelhouder en bestuurder is. [verzoeker] is op 1 januari 2024 in dienst getreden van Building Care in de functie van Operational Manager. Het salaris bedroeg € 7.290,00 bruto per maand inclusief 8% vakantietoeslag.
2.2.
In artikel 1.1 van de arbeidsovereenkomst staat onder meer het volgende:
“(…) De senioriteit van Werknemer dateert van 1 januari 2016.”
2.3.
Voor aanvang van het dienstverband is aan [verzoeker] een personeelshandboek van Nitesco B.V. verstrekt. Nitesco B.V. is een dochteronderneming van Building Care. [verzoeker] heeft dit personeelshandboek ondertekend voor ontvangst. In het personeelshandboek staat onder meer het volgende:
“(…)
3.3
Arbeidsongeschiktheid
Onderstaand volgt een toelichting op de financiële gevolgen wanneer een werknemer ziek wordt en dit langer duurt dat één jaar.
1.
Het eerste en tweede jaar van arbeidsongeschiktheid
(…) Nitesco vult het salaris gedurende 12 maanden van ziekte aan tot 100% van het maandsalaris. (…)”
2.4.
[verzoeker] is sinds januari 2025 gedeeltelijk arbeidsongeschikt wegens ziekte. Op 16 april 2025 heeft [verzoeker] zich volledig ziekgemeld.
2.5.
Bij brief van 22 augustus 2025 heeft [naam 1] aan [verzoeker] laten weten dat hij diverse constateringen heeft gedaan en hem verzocht zijn reactie te geven op deze constateringen.
2.6.
Bij e-mail van 27 augustus 2025 heeft [verzoeker] onder meer als volgt gereageerd:
“(…) De beschuldigingen die u uit, herken ik niet en ik ervaar deze als onterecht en zeer pijnlijk.
(…)
Oprecht kan ik u geen inhoudelijk antwoord geven op de beschuldigingen of bedreigingen aan mijn adres. Ik zit momenteel in de ziektewet juist door de manier van benaderen en de wijze van bedrijfsvoering. Bovendien is het mij, zoals eerder aangegeven, niet toegestaan mij tijdens mijn re-integratie met werkzaamheden of operationele zaken te bemoeien. Van de onderwerpen zoals u deze in uw brief omschrijft, heb ik daarom geen inhoudelijke kennis of betrokkenheid. (…)”
2.7.
Bij e-mail van 28 augustus 2025 heeft [naam 1] [verzoeker] nog een keer uitgenodigd om een toelichting te geven op de constateringen vermeld in de brief van 22 augustus 2025.
2.8.
Diezelfde dag heeft [verzoeker] per e-mail gereageerd met een inhoudelijke reactie.
2.9.
Bij brief van 4 september 2025 heeft Building Care [verzoeker] op staande voet ontslagen. In deze brief staat onder meer het volgende:
“(…) In vervolg op mijn brief van 22 augustus 2025 en onze correspondentie van 28 augustus 2025, de feiten zorgvuldig te hebben onderzocht, gereverifieert en vastgelegd – bevestig ik je hierbij dat Building Care zich, genoodzaakt ziet jouw arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang te beëindigen op grond van een dringende reden.
Ter toelichting geldt het volgende.
  • Je wederom onjuiste en voor Building Care schadelijke mededelingen hebt gedaan aan personeel, welk personeel zich kort daarna zelfs collectief heeft ziekgemeld;
  • Je je wederom negatief over mij hebt uitgelaten jegens personeel en derden;
  • Je schilders hebt weggehaald van Project [naam project] in strijd met de afspraken met de klant, waardoor er klachten zijn binnengekomen;
  • Deze schilders door jou bij jouw vriend [naam 3] in [woonplaats] aan het werk zijn gezet tijdens de vakantie van [naam 4] (je hebt ze opgestart en telefonisch contact met ze gehad over deze nieuwe klus);
  • Je in strijd met het Friends & Family-reglement hebt gehandeld, door [bedrijf 2] zonder mijn toestemming en tegen veel te lage kosten omvangrijke werkzaamheden te laten verrichten bij jouw goede vriend [naam 3] , waardoor deze verrijkt is ten koste van Building Care, [bedrijf 2] , et alias;
  • Je nauwelijks bent ingegaan op het informatieverzoek van 22 augustus 2025 en geen enkele communicatie hebt overgelegd;
  • Je bent blijven verschuilen achter je ziekte en het niet betrokken zijn, terwijl de omstandigheden en verklaringen van andere betrokkenen tonen dat je hier wel degelijk bij betrokken was;
  • Jouw reacties van 27 en 28 augustus aantoonbare leugens vertonen, zoals dat jij geen bemoeienis of betrokkenheid hebt gehad met werkzaamheden of operationele zaken, en dat zaken zijn afgestemd met management.
Voor de goede orde stel ik vast dat in tegenstelling tot de herziene neratief (waar mijn management exclusiviteit heeft over jouw overspanning en jouw meerderen en naasten over verantwoordelijkheid) was mijn beleving anders, Bij onze meeting van 14 februari 2025 heb jij gemeld dat je ‘stress’ ervaart expliciet en enkel gelinkt aan het feit dat binnen Building Care geen ongeregistreerde contante transacties zijn toegestaan, dit is jou van te voren ook duidelijk gemaakt – maar jij zou de impact niet hebben beseft. (“Wij pakte zwart geld. Ik pakte heel veel. Ik pakte €2.000 en [naam 4] pakte €800 per maand extra bovenop netto. Alle enveloppes die ik kreeg gingen open en daar kreeg hij altijd uit. Ik vind wel dat we daarover moeten gaan praten. Het financiële plaatje wordt wel een ding”).
  • Terwijl je alles grofweg ontkent, en verklaart bij collega’s alleen hoop en moed in te spreken – geven verklaringen van collega’s en geheel omgekeerde beeld. Jammer genoeg vertonen diverse e-mails uit jouw hand vooral grens- en gezagsondermijning. Je herhaalde keuze voor onterecht en onaanvaardbare persoonlijk kritiek met publiekelijke distributie alleen negatieve binnen de onderneming;
  • Het voorstel voor een terugkoop stamt uit wederzijds behoefte aan focus en herstel – en jouw herhaalde uitingen (ook per mails) dat je spijt had van de verkoop van [bedrijf 1] . Jouw verraste en negatieve onmiddellijke reactie met voornaamste motivatie dat Mklus nu niet meer met je wil werken het bedijf weinig waarde heft verbaaste. Vervolgens bleek jij onterecht aan medewerkers te hebben verklaard dat ik van al het personeel af wil en jou het bedrijf heb aangeboden, terwijl jij daarin geen belang had. Opmerkelijk is jij inderdaad dat juist jouw vervolg voorstel via [naam 2] juist daarvan blijk gaf: jij verlangde €20.000, later dezelfde dag € 30.000, plus een beëindiging van je relatie- en concurrentieclausule, mét expliciete naamsvermelding van klanten als Uw Schilderwerken en Eigen Huis. Het behouden van verplichtingen terwijl de renderende assets zouden worden weggegeven, was strikt onverantwoord. Aan dergelijke voorstellen kon ik geen enkele medewerking verlenen. Dit zou immers betekenen dat jij alle assets zou meenemen, terwijl de onderneming met verplichtingen achterbleef.
  • Hoe deze acties positief of opbouwend genoemd zouden kunnen worden, is onbegrijpelijk; objectief zijn zij schadeberokkenend, onverantwoord en onprofessioneel. In de dagen erna uitten diverse collega’s zorgen over hun positie.
  • Het overmatige gebruik van superlatieven, termen als “oorlogsverklaring”, ongepaste taal en stapels uitroeptekens vormen samen een poging de feitelijke realiteit te verdraaien. Voor de volledigheid wordt vastgelegd dat dit alles wordt onderbouwd door opnames en verklaringen. Daarbij staat jouw eerdere situatieschets van begin dit jaar – waarin je stress koppelde aan je eigen verleden – hiermee in schril contrast.
Deze handelwijze vormt in onze visie een dringende reden die een ontslag op staande voet rechtvaardigt.
Ik heb op 28 augustus 2025 al aangegeven dat jouw verklaring niet strookt met de aanwezige informatie en je nog één laatste kans gegeven voor het geven van een toelichting of verklaring voor de constateringen. Ook is toen duidelijk aangegeven dat er gevolgen zouden zijn bij het uitblijven van een toereikende toelichting, waaronder ontslag op staande voet. In jouw reactie per e-mail van 28 augustus 2025 ontken je echter nog steeds echt betrokken te zijn geweest en geef je aan dat het niet mogelijk is om verdere inlichtingen te verstrekken. Je toont geen enkele verantwoordelijkheid.
Ik heb in de besluitvorming laten meewegen dat zich in het verleden reeds eerder soortgelijke incidenten hebben voorgedaan, waarvoor je ook een officiële waarschuwing hebt ontvangen. Het betreft de volgende incidenten:
  • Jouw plotselinge terugkeer op de werkvloer en uitingen dat er afstemming was geweest met de bedrijfsarts over jouw werkhervatting en re-integratie, terwijl dat niet zo was. Je hebt deze onjuiste informatie ook op de werkvloer verspreid;
  • Het je actief blijven bemoeien met werkprocessen, klanten en leveranciers, terwijl je daartoe geen mandaat had en al meermaals nadrukkelijk was verzocht dit tijdens je ziekteperiode achterwege te laten;
  • Je jegens personeel in negatieve bewoordingen over mij uitlaten en daarmee onrust op de vloer veroorzaken; en
  • Het nemen van eenzijdige beslissingen zonder overleg, met als gevolg verstoring van interne processen.
Jouw recente handelwijze zoals hiervoor weergegeven, tezamen met – maar ook los van – de eerdere incidenten, vormt voor mij een dringende reden om jouw arbeidsovereenkomst per heden te beëindigen.
Dit betekent dat jouw dienstverband per 30 augustus 2025 is geëindigd op grond van een dringende reden. (…)”

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter, samengevat, voor recht te verklaren dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven, om een billijke vergoeding toe te kennen en om Building Care te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en de transitievergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast vordert [verzoeker] veroordeling van Building Care tot verstrekking van een eindafrekening en ontbrekende loonstroken op straffe van verbeurte van een dwangsom. Verder vordert [verzoeker] betaling van achterstallig loon, een verklaring voor recht dat Building Care aansprakelijk is voor de door [verzoeker] geleden schade door het missen van pensioenrechten en Building Care te veroordelen tot het afdragen van achterstallige pensioenpremie aan A.S.R. en vergoeding van de schade, met veroordeling van Building Care in de proceskosten.
3.2.
[verzoeker] legt hieraan ten grondslag dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Ten eerste is volgens hem geen sprake van een dringende reden voor ontslag. De beschuldigingen van Building Care zijn niet alleen niet bewezen, maar vertonen ook een duidelijke inconsistente en oneerlijke aanpak. Daarnaast is het ontslag niet onverwijld gegeven. Building Care verwijst in de ontslagbrief naar gebeurtenissen en gedragingen die zich al geruime tijd eerder hebben voorgedaan, maar heeft tot 4 september 2025 gewacht met het ontslag op staande voet. Bovendien vond er tussen de aankondiging van het ontslag op 28 augustus 2025 en de daadwerkelijke datum van ontslag geen lopend onderzoek plaats. Dit ondermijnt de oprechtheid van het ontslag alleen maar verder. Ten slotte is het ontslag niet onverwijld meegedeeld. De ontslagbrief is pas op 4 september 2025 aan [verzoeker] overhandigd, terwijl daarin staat dat het dienstverband per 30 augustus 2025 is geëindigd.
3.3.
[verzoeker] stelt dat het ontslag grote gevolgen voor hem heeft gehad. Op het moment van ontslag was [verzoeker] arbeidsongeschikt. De wijze waarop het ontslag is gegeven heeft zijn herstelproces verder vertraagd en extra schade veroorzaakt. [verzoeker] heeft zijn onderneming [bedrijf 1] overgedragen aan Building Care, maar in plaats van een duurzame samenwerking waarbij [verzoeker] in loondienst verder zou bouwen aan het succes van de onderneming heeft Building Care zich sinds de overname structureel niet aan haar verplichtingen en toezeggingen richting klanten en derden gehouden. Deze tekortkomingen hebben verstrekkende gevolgen gehad voor zowel [verzoeker] als de onderneming. Door ondeugdelijke dienstverlening en het niet of te laat betalen van relaties en leveranciers is de reputatie van het bedrijf nagenoeg volledig verloren gegaan. Daardoor is de werksituatie voor [verzoeker] onhoudbaar geworden, wat mede heeft geleid tot arbeidsongeschiktheid. Dit is een zwaarwegende omstandigheid bij de beoordeling van de billijke vergoeding. Daarnaast heeft Building Care sinds mei 2025 niet het volledige loon aan [verzoeker] betaald, onder andere door in strijd met het personeelshandboek slechts 70% van het loon uit te keren. Verder heeft Building Care nagelaten pensioenpremies af te dragen aan het pensioenfonds, waardoor [verzoeker] schade lijdt.
3.4.
Building Care voert verweer. Zij voert aan dat sprake is van een dringende reden. De gemene deler van de ontslagredenen is de orkestratie van [verzoeker] om Building Care als bedrijf volledig stuurloos te maken en aan te sturen op een feitelijke deconfiture van het schildersbedrijf. Building Care heeft [verzoeker] op 20 juli 2025 voorgesteld om het schildersbedrijf terug te kopen, maar [verzoeker] bleek daartoe niet bereid te zijn. Vervolgens is Building Care gebleken van diverse onregelmatigheden, waarvan het vermoeden was dat [verzoeker] daarbij een cruciale rol speelde. Nadat geen afdoende verklaring door [verzoeker] was gegeven, heeft Building Care hem op staande voet ontslagen. Daarnaast is het ontslag op staande voet volgens Building Care onverwijld is gegeven. Het tijdsverloop vanaf 28 augustus 2025 tot 4 september 2025 is niet zodanig dat niet langer van een onverwijld ontslag kan worden gesproken. Dat in de ontslagbrief wordt verwezen naar 30 augustus 2025 als ontslagdatum komt geen relevantie toe. Verder betwist Building Care dat sprake is van pensioenschade en achterstallig loon.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Ontslag op staande voet
4.1.
In de eerste plaats moet worden beoordeeld of [verzoeker] al dan niet terecht op staande voet is ontslagen.
4.2.
Een ontslag op staande voet is alleen geldig als daarvoor een dringende reden is, dat wil zeggen zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen. Ook moet er onverwijld worden opgezegd en moet de dringende reden onverwijld worden meegedeeld aan de werknemer. Onverwijld betekent dat dit direct of zo snel mogelijk moet gebeuren. Het gaat er daarbij om dat het voor de werknemer onmiddellijk duidelijk moet zijn welke eigenschappen of gedragingen voor de werkgever aanleiding zijn geweest voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. De werkgever moet de dringende reden bewijzen.
4.3.
Voor de beoordeling van de rechtsgeldigheid van het ontslag dient hetgeen Building Care in de ontslagbrief heeft opgenomen als uitgangspunt te worden genomen.
4.4.
Building Care heeft [verzoeker] op 28 augustus 2025 voor de tweede keer verzocht om een toelichting op de door hem beschreven feiten en omstandigheden in de brief van 22 augustus 2025, waarop [verzoeker] diezelfde dag een inhoudelijke reactie heeft gestuurd aan Building Care. De feiten en omstandigheden die Building Care in de zeer uitgebreide ontslagbrief noemt, komen grotendeels overeen met de feiten en omstandigheden die zijn weergegeven in de brief van 22 augustus 2025. Omdat nergens uit blijkt wat voor nader onderzoek Building Care na 28 augustus 2025 nog heeft gedaan en er geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren zijn gekomen, had Building Care eerder tot het ontslag op staande voet moeten overgaan. Alleen al het feit dat Building Company een periode van een week (van 28 augustus 2025 tot 4 september 2025) voorbij heeft laten gaan voordat zij is overgegaan tot het ontslag op staande voet brengt met zich mee dat het ontslag niet onverwijld is.
4.5.
Building Care heeft ter zitting verklaard dat zij eind augustus 2025 ontdekte dat alle schilders van een project waren weggehaald en waren ingezet bij een project van een vriend van [verzoeker] , waarvan Building Care niet op de hoogte was. Daarnaast gebeurde dit tegen een veel te laag tarief. Voor Building Care was dit het doorslaggevende moment waardoor de situatie onhoudbaar werd en zij besloot tot ontslag over te gaan. Daargelaten dat dit gelet op de gemotiveerde betwisting van [verzoeker] niet is komen vast te staan, heeft Building Care in haar uitgebreide ontslagbrief meerdere redenen voor het ontslag genoemd. Bij deze redenen ontbreken concrete data, terwijl verschillende van de genoemde incidenten geruime tijd voor het ontslag hebben plaatsgevonden. Ook deze omstandigheden maken dat het ontslag niet onverwijld is gegeven.
4.6.
Het voorgaande betekent dat het door Building Care verleende ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Of al dan niet voldaan is aan de overige eisen voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet kan daarom verder in het midden blijven. De door [verzoeker] verzochte verklaring voor recht wordt toegewezen zoals hierna in de beslissing vermeld.
Transitievergoeding
4.7.
Een werknemer heeft recht op de transitievergoeding als de arbeidsovereenkomst is opgezegd door de werkgever (artikel 7:673 lid 1 onder Pro a BW). De werknemer kan zijn recht op een transitievergoeding alleen verliezen in uitzonderlijke gevallen waarin evident is dat het handelen of nalaten van de werknemer dat tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst heeft geleid niet slechts als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt.
4.8.
Volgens Building Care heeft [verzoeker] geen recht op een transitievergoeding omdat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen door [verzoeker] . De door Building Care genoemde redenen voor het ontslag komen er in grote lijnen op neer dat Building Care ontevreden was over het functioneren van [verzoeker] . De omstandigheid dat [verzoeker] mogelijk niet naar behoren functioneert levert echter nog geen verwijtbaar handelen van [verzoeker] op, laat staan dat de hoge lat van ernstige verwijtbaarheid wordt gehaald. Verder volgt uit de ontslagbrief dat Building Care het [verzoeker] verwijt dat hij zich negatief heeft uitgelaten tegenover het personeel en derden en gelogen heeft. [verzoeker] heeft de door Building Care gestelde gedragingen gemotiveerd betwist. Gelet op de betwisting van [verzoeker] is het aan Building Care om de door haar genoemde gedragingen meer concreet te maken en te onderbouwen. Dit heeft zij niet (voldoende) gedaan. Dat betekent dat ook in dit verband geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van [verzoeker] dat tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst heeft geleid.
4.9.
Het voorgaande leidt tot het oordeel dat [verzoeker] recht heeft op een transitievergoeding. [verzoeker] stelt dat partijen zijn overeengekomen dat de indiensttredingsdatum 1 januari 2016 is, wat blijkt uit de arbeidsovereenkomst waarin de senioriteit van [verzoeker] vanaf die datum wordt vastgesteld. Building Care heeft dit onvoldoende weersproken en niet duidelijk gemaakt waarom de vaststelling van de senioriteit anders in de arbeidsovereenkomst is opgenomen. Daarom wordt bij de berekening van de transitievergoeding uitgegaan van een indiensttreding per 1 januari 2016. Het toe te wijzen bedrag komt daarmee uit op € 24.104,16 bruto. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 4 oktober 2025.
Vergoeding wegens onregelmatige opzegging
4.10.
Ook de gevorderde vergoeding wegens onregelmatige opzegging zal worden toegewezen, omdat is opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt. Zoals hiervoor is overwogen heeft als datum indiensttreding te gelden 1 januari 2016. Daarmee komt de door Building Care in acht te nemen opzegtermijn op twee maanden. De vergoeding is gelijk aan het bedrag van het loon over de opzegtermijn, te weten € 21.141,00 bruto. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 4 september 2025.
Billijke vergoeding
4.11.
Het verzoek van [verzoeker] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Daarbij wordt opgemerkt dat een ongeldig ontslag als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever moet worden aangemerkt.
4.12.
Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. [1] De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.
4.13.
Op basis van de stukken en hetgeen besproken is tijdens de mondelinge behandeling is voldoende gebleken dat de arbeidsrelatie tussen partijen voorafgaand aan het ontslag al in aanzienlijke mate was verstoord. De kantonrechter acht het aannemelijk dat, ook als geen ontslag op staande voet had plaatsgevonden, er binnen afzienbare termijn een einde was gekomen aan het dienstverband. Indien Building Care rond de datum van het ontslag op staande voet een ontbindingsverzoek bij de kantonrechter zou hebben ingediend, zou de arbeidsovereenkomst als gevolg van ontbinding door de kantonrechter zijn geëindigd wegens een verstoorde arbeidsverhouding. Dat Building Care in dat kader ernstig verwijtbaar zou hebben gehandeld is niet aannemelijk. De door partijen uiteenlopende versies van de gebeurtenissen maken het niet mogelijk vast te stellen wat zich precies heeft voorgedaan, maar wel is duidelijk dat het wederzijds vertrouwen en een goede basis voor een vruchtbare samenwerking ontbreekt. Daarbij merkt de kantonrechter nog op dat het niet aannemelijk is dat het opzegverbod tijdens ziekte aan ontbinding in de weg zou hebben gestaan, omdat een ontbindingsverzoek van Building Care geen verband zou houden met de ziekte van [verzoeker] .
4.14.
De door [verzoeker] aangevoerde omstandigheid dat hij zijn onderneming heeft zien verdampen, wordt niet meegewogen bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding, hoewel de kantonrechter zich kan voorstellen dat het voor [verzoeker] ingrijpend is dat hij zijn onderneming is kwijtgeraakt. [verzoeker] heeft destijds de keuze gemaakt om zijn onderneming te verkopen en daarmee geaccepteerd dat hij daarover geen zeggenschap meer zou hebben. De kantonrechter betrekt verder bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding dat van de toe te kennen billijke vergoeding een afschrikwekkende werking mag uitgaan, in die zin dat Building Care erop wordt gewezen dat zij in eventuele volgende soortgelijke gevallen anders moet handelen. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat Building Care ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door te kiezen voor ontslag op staande voet in plaats van de juiste ontslagprocedure te volgen. [verzoeker] had daardoor van de ene op de andere dag geen recht meer op loon en geen recht op een WW-uitkering, terwijl hij niet alleen vanwege spanningen op de werkvloer, maar ook vanwege een andere medische oorzaak arbeidsongeschikt was. Hierdoor was het voor hem niet mogelijk om direct op zoek te gaan naar nieuw werk.
4.15.
Alles afwegend is de kantonrechter van oordeel dat een billijke vergoeding van € 51.000,00 bruto passend is. Building Care zal worden veroordeeld tot betaling van deze vergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking.
Achterstallig loon
4.16.
[verzoeker] stelt dat hij sinds mei 2025 niet het overeengekomen loon heeft ontvangen. Volgens [verzoeker] heeft Building Care hem over de maanden mei, juni en juli 2025 onterecht 70% van het loon tijdens zijn arbeidsongeschiktheid uitbetaald en over de maand augustus 2025 geheel nagelaten het loon uit te betalen. Daarnaast heeft Building Care het verschuldigde vakantiegeld niet voldaan. Building Care betwist dat sprake is van achterstallig loon en voert aan dat zij juist te veel loon heeft betaald aan [verzoeker] omdat zij op onjuiste gronden een periode tijdens de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] 100% van het loon heeft doorbetaald.
4.17.
Tussen partijen is in geschil of het personeelshandboek van Nitesco van toepassing is op de arbeidsovereenkomst. In het personeelshandboek is opgenomen dat tijdens de eerste twaalf maanden arbeidsongeschiktheid het loon 100% wordt doorbetaald. Onweersproken staat vast dat het personeelshandboek voor aanvang van zijn dienstverband aan [verzoeker] is verstrekt en hij dit personeelshandboek op 22 december 2023 voor ontvangst heeft ondertekend. Volgens Building Care impliceert dit niet de toepasselijkheid hiervan, maar gelet op het feit dat [verzoeker] dit personeelshandboek gelijktijdig met zijn arbeidsovereenkomst heeft ontvangen en heeft moeten ondertekenen ter acceptatie, mocht hij er naar het oordeel van de kantonrechter gerechtvaardigd op vertrouwen dat dit handboek van toepassing is op de arbeidsovereenkomst.
4.18.
[verzoeker] heeft ter zitting toegelicht dat hij in de zomer van 2024 tijdelijk is uitgevallen, maar daarna zijn werkzaamheden volledig heeft hervat tot januari 2025. Vanaf januari 2025 was hij gedeeltelijk ziekgemeld en sinds mei 2025 is hij volledig ziekgemeld. Building Care heeft onvoldoende weersproken dat [verzoeker] eerder dan januari 2025 al was ziekgemeld. Zij was daarom vanaf januari 2025 gehouden de eerste twaalf maanden van de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] 100% van het loon te betalen.
4.19.
Dit betekent dat Building Care [verzoeker] niet te veel loon heeft betaald tijdens zijn arbeidsongeschiktheid, maar vanaf mei 2025 onterecht te weinig loon heeft uitbetaald. Building Care heeft de verschuldigdheid van het loon in augustus 2025 en het vakantiegeld verder niet gemotiveerd betwist, en evenmin dat zij dat niet aan [verzoeker] heeft voldaan. Gelet op het voorgaande wordt het gevorderde achterstallig loon en vakantiegeld toegewezen. De gevorderde wettelijke verhoging hierover wordt redelijkerwijze gematigd tot 25%.
Pensioenschade
4.20.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat Building Care over de periode van 1 maart 2025 tot en met 4 september 2025 nog € 4.881,34 aan het pensioenfonds dient af te dragen. Het verzoek om Building Care te veroordelen tot het afdragen van dit bedrag aan het pensioenfonds A.S.R. wordt daarom toegewezen. [verzoeker] heeft de andere pensioenschade verder niet onderbouwd, zodat de overige verzoeken worden afgewezen.
Eindafrekening en loonstroken
4.21.
Building Care heeft tegen het verzoek tot het verstrekken van een eindafrekening en de ontbrekende loonstroken geen verweer gevoerd. Dat verzoek zal dan ook worden toegewezen evenals de verzochte dwangsom zoals hierna in de beslissing vermeld.
Proceskosten
4.22.
De proceskosten komen voor rekening van Building Care, omdat Building Care overwegend ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van Building Care. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 1.741,00 (€ 732,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
4.23.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
verklaart voor recht dat het op 4 september 2025 gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is,
5.2.
veroordeelt Building Care om aan [verzoeker] een billijke vergoeding te betalen van € 51.000,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking, tot aan de dag van de gehele betaling,
5.3.
veroordeelt Building Care om aan [verzoeker] de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 21.141,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 4 september 2025 tot aan de dag van de gehele betaling,
5.4.
veroordeelt Building Care om aan [verzoeker] een transitievergoeding te betalen van € 24.104,16 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 4 oktober 2025 tot aan de dag van de gehele betaling,
5.5.
veroordeelt Building Care om aan [verzoeker] te betalen € 8.733,20 netto aan achterstallig loon (inclusief vakantietoeslag) tot 1 september 2025, te vermeerderen met de wettelijke verhoging met een maximum van 25%,
5.6.
veroordeelt Building Care om aan pensioenfonds A.S.R. een bedrag van € 4.881,34 af te dragen,
5.7.
veroordeelt Building Care om aan [verzoeker] binnen twee weken na betekening van deze beschikking een eindafrekening met daarin verwerkt de afrekening voor vakantietoeslag, opgebouwde vakantiedagen, de gefixeerde schadevergoeding, de billijke vergoeding, de transitievergoeding, alsmede alle overige afrekeningen die gebruikelijk zijn bij het einde van een dienstverband en de loonstroken van juli en augustus 2025 te verstrekken, dit op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat Building Care geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen met een maximum van € 5.000,00,
5.8.
veroordeelt Building Care in de proceskosten van € 1.741,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Building Care niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.9.
veroordeelt Building Care tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.10.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
5.11.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. B. Brokkaar en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2026.
51447

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2017, te vinden op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2017:1187 (