ECLI:NL:RBAMS:2026:2301

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
C/13/780974 / JE RK 25-965
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:263 BWArt. 1:264 BWArt. 265f BWArtikel 4.1.3 Jeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Deels bekrachtiging en deels vervallen verklaring van schriftelijke aanwijzing in ondertoezichtstelling minderjarige

De moeder, die het gezag uitoefent over haar minderjarige dochter, verzoekt om een schriftelijke aanwijzing van Jeugdbescherming Regio Amsterdam (JBRA) van 16 december 2025 geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren. Deze aanwijzing verplichtte haar onder meer om de dochter direct terug te brengen naar de Leef- en Leergroep en contact te onderhouden met JBRA.

De rechtbank oordeelt dat de moeder ontvankelijk is in haar verzoek. De schriftelijke aanwijzing is gegeven op grond van artikel 1:263 BW Pro en is bedoeld om concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen. De rechtbank bekrachtigt het deel van de aanwijzing dat de moeder contact moet onderhouden met JBRA en de Leef- en Leergroep, maar verklaart het deel dat de moeder de dochter direct moet terugbrengen naar de groep vervallen. Dit laatste is onzorgvuldig geformuleerd en niet in het belang van de minderjarige, die behoefte heeft aan autonomie en een goede relatie met haar moeder.

De rechtbank benadrukt dat er recent nieuwe afspraken zijn gemaakt waarbij de dochter van donderdag tot zondag bij de moeder kan overnachten, en dat een nieuwe schriftelijke aanwijzing hierover zal worden gegeven. Tevens wordt gewezen op het belang van een trajectbegeleider en een nieuwe contactpersoon vanuit JBRA om het vertrouwen te herstellen en de wensen van de minderjarige beter te begrijpen.

De beslissing draagt bij aan het waarborgen van het belang van de minderjarige door een evenwichtige omgangsregeling en samenwerking tussen moeder en JBRA te bevorderen, waarbij de autonomie van de minderjarige wordt gerespecteerd.

Uitkomst: De schriftelijke aanwijzing wordt deels bekrachtigd en deels vervallen verklaard, waarbij de moeder niet verplicht wordt haar dochter direct terug te brengen naar de leefgroep maar wel contact moet onderhouden met Jeugdbescherming.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Familie- en Jeugdrecht
zaakgegevens : C/13/780974 / JE RK 25-965
datum uitspraak: 4 februari 2026
beschikkingin de zaak van
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. drs. F.R.G. Drenth te Amsterdam,
tegen
Jeugdbescherming Regio Amsterdam,
hierna te noemen JBRA,
gevestigd te Amsterdam
en
Jeugdbescherming Regio Amsterdam,
hierna te noemen JBRA,
gevestigd te Amsterdam,
tegen
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. drs. F.R.G. Drenth te Amsterdam.
Het betreft de minderjarige:
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2009 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] .

1.Het procesverloop

1.1.
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- het verzoekschrift, met bijlagen, van de moeder, ingekomen op 27 december 2025;
- het verweerschrift, tevens verzoekschrift, met bijlagen, van JBRA, ingekomen op
29 januari 2026.
1.2.
Op 4 februari 2026 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.
Verschenen en gehoord zijn:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- [persoon 1] , namens JBRA.
1.3.
[minderjarige] heeft ter gelegenheid van een kind gesprek haar mening kenbaar gemaakt.

2.De feiten

2.1.
De moeder oefent het gezag uit over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft deel bij een Leef- en Leergroep van Levvel en deels bij de moeder
2.3.
Bij beschikking van 11 juli 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van JBRA, met ingang van 11 juli 2024 tot 11 juli 2025.
In het kader van de ondertoezichtstelling is ten aanzien van [minderjarige] een machtiging tot uithuisplaatsing verleend.
2.4.
De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zijn telkens verlengd, laatstelijk tot 11 juli 2026.
2.5. JBRA heeft op 16 december 2025 de volgende schriftelijke aanwijzing aan de moeder gegeven:
“- [minderjarige] dient te overnachten bij de Leef Leergroep. U dient haar direct terug te brengen naar de groep, ook als [minderjarige] bij u komt dient u haar telkens terug te brengen zodat zij bij de
Leef Leergroep overnacht;
- U dient contact te onderhouden met Jeugdbescherming en de Leef Leergroep om
samenwerking mogelijk te maken en om verdere afstemming over de begeleiding
en verzorging van [minderjarige] mogelijk te maken. Hierbij is het van belang dat u
reageert op e-mails, telefoonoproepen en aanwezig bent bij uitvoerdersoverleggen.”

3.3. Het verzoek

3.1.
De moeder verzoekt de op 16 december 2025 gegeven schriftelijke aanwijzing, geheel dan wel gedeeltelijk vervallen te verklaren.
3.2.
JBRA verzoekt om de op 16 december 2025 gegeven schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen.

4.4. De standpunten

4.1.
De moeder voert aan, kort en zakelijk weergegeven, dat zij in november 2025 tot tweemaal toe heeft gevraagd om in gesprek te gaan met JBRA en de groep. Er is vervolgens op 4 december 2025 een gesprek gepland, maar dat gesprek is door JBRA afgezegd. Er werd een nieuw gesprek gepland voor 18 december 2025.
Op 9 december 2025 ontvangt moeder echter plotseling een aankondiging schriftelijke aanwijzing. Aan JBRA is vervolgens verzocht om te wachten met de schriftelijke aanwijzing tot na het gesprek van 18 december 2025. JBRA heeft daar niet op gereageerd en op 16 december 2025 aan de moeder een schriftelijke aanwijzing gegeven.
Het op 18 december 2025 geplande gesprek heeft doorgang gevonden.
De afgelopen periode is de band tussen haar en [minderjarige] verbeterd. Er is een situatie ontstaan waarbij [minderjarige] zich veilig voelt bij haar. [minderjarige] is graag bij haar en wil ook bij haar overnachten. Omdat JBRA na 17 juni 2025 geen nieuwe omgangsregeling heeft vastgesteld heeft zij met [minderjarige] zelf vormgegeven aan de omgangsregeling, met medeweten van en overleg van de groep. De schriftelijke aanwijzing is onzorgvuldig tot stand gekomen. Niet alle relevantie feiten en omstandigheden zijn meegewogen. Zij betwist slecht bereikbaar te zijn en zich te onttrekken aan contact met JBRA.
Met de aanwijzing dat zij [minderjarige] direct dient terug te brengen naar de groep, wordt zij in een positie gebracht om [minderjarige] telkens te dwingen om naar de groep terug te gaan. Dit zal de relatie tussen haar en [minderjarige] onder druk zetten. Dat is niet in het belang van [minderjarige] en kan ertoe leiden dat alle goede ontwikkelingen komen te vervallen. Zij zal [minderjarige] stimuleren om terug te gaan naar de groep, maar van haar mag niet worden verwachte dat zij [minderjarige] daartoe dwingt. Voorts heeft JBRA het belang de moeder-dochter band niet meegewogen. Dit vormt een schending van het evenredigheidsbeginsel. Er zijn op de huidige groep waar [minderjarige] verblijft signalen dat [minderjarige] zich niet altijd prettig voelt en het is dan wenselijk dat [minderjarige] op die momenten bij haar terecht kan.
4.2.
De moeder heeft ter zitting nog aangevoerd, kort en zakelijk weergegeven, dat zij het er mee eens is dat zij afspraken dient na te komen en dat aanwezig is op uitvoerdersoverleggen.
Van haar kan echter niet worden verwacht om [minderjarige] te dwingen om naar de groep terug te gaan als [minderjarige] bij haar wil overnachten en om [minderjarige] dan ook nog naar de groep terug te brengen. Zij wordt op die manier door JBRA ingezet als handhaver en dat brengt haar in een lastige positie. Het bevreemdt haar verder dat er door JBRA veiligheidsincidenten bij haar thuis worden aangehaald, terwijl [minderjarige] wel een deel van de week bij haar mag verblijven. Zij betwist middelengebruik van [minderjarige] te faciliteren.
Zij is er van op de hoogte dat JBRA binnenkort een nieuwe schriftelijke aanwijzing zal geven met een omgangsregeling waarbij [minderjarige] van donderdag tot zondag bij haar zal kunnen verblijven. Zij is het hier mee eens.
4.3.
JBRA voert aan, kort en zakelijk weergegeven, dat er in juli 2025 contact met de moeder is opgenomen met het doel om tot nieuwe omgangsafspraken te komen. Een gesprek met de moeder is niet alleen van belang, maar ook noodzakelijk. Tot op heden is de moeder na ieder voorafgaand gesprek in verweer gegaan tegen de schriftelijke aanwijzing door een vervallenverklaring te verzoeken. Bovendien verbleef [minderjarige] in die periode, in strijd met de geldende beschikking en afspraken, bij de moeder. Gelet hierop was het niet zinvol om een nieuwe schriftelijke aanwijzing af te geven, zonder een gesprek met de moeder vooraf.
[minderjarige] heeft aangegeven bij de moeder te verblijven, onder meer omdat haar school zich dicht bij de woning van moeder bevindt. Tevens gaf [minderjarige] aan dat zij de opdracht van moeder had gekregen om dagelijks de hond meerdere keren uit te laten, met de mededeling dat de hond anders verkocht zou worden. [minderjarige] was niet langer in staat de afstand tussen de
groep en school te overbruggen en heeft daarom gekozen voor deze praktische
oplossing. De indruk bestaat dat de keuze van [minderjarige] deels onder druk van de moeder tot stand is gekomen.
Voorts zijn er recent nieuwe zorgen ontstaan over softdrugsgebruik, dat volgens signalen
vanuit school door de moeder zou worden gefaciliteerd. JBRA zal hierover nog in overleg treden om te bezien welke consequenties dit heeft voor de gemaakte contactafspraken tussen de moeder en [minderjarige] .
Inmiddels is gebleken dat [minderjarige] van zondag 25 tot en met maandag 26 januari 2026 bij de moeder is gebleven terwijl ze op de groep had moeten zijn. De moeder heeft aan de gezinsmanager meegedeeld dat [minderjarige] niet naar de groep terug wilde, maar dat is onvoldoende reden om de schriftelijke aanwijzing niet na te komen.
Aan de moeder dient duidelijk te worden gemaakt dat van haar wordt verlangd dat zij ervoor zorgt dat [minderjarige] op de groep verblijft, nu dat in het belang van [minderjarige] is.
4.4.
JBRA heeft ter zitting nog aangevoerd, kort en zakelijk weergegeven, dat er onlangs nieuwe afspraken zijn gemaakt in die zin dat [minderjarige] van donderdag tot zondag bij de moeder kan overnachten. Hierover komt een nieuwe schriftelijke aanwijzing.
In de schriftelijke aanwijzing, die nu ter discussie staat, had dienen te worden vermeld dat wanneer [minderjarige] aangeeft bij de moeder te willen overnachten, dat de moeder dan [minderjarige] dient te motiveren om naar de groep terug te gaan.
Gezien het verleden is er geen vertrouwen dat de moeder altijd afspraken zal nakomen en aanwezig zal zijn op uitvoerdersoverleggen. Het is noodzakelijk dat de schriftelijke aanwijzing op dat punt in stand blijft en wordt bekrachtigd.
Volgende week zal er vanuit JBRA een nieuwe contactpersoon worden aangesteld,
[persoon 2] . Dat moet de onderlinge verhoudingen verbeteren.
[minderjarige] weet dat zij bij de trajectbegeleider terecht kan met vragen.
5. De beoordeling5.1. De moeder heeft haar verzoek om de schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren binnen de termijn van twee weken na de dag van waarop de aanwijzing is verzonden ingediend.
5.2.
De moeder is dan ook ontvankelijk in haar verzoek.
5.3.
Op grond van artikel 1:263 van Pro het Burgerlijk Wetboek kan de gecertificeerde instelling ter uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Zij kan dit doen indien de met het gezag belaste ouder of de minderjarige niet instemmen met, dan wel niet of onvoldoende medewerking verlenen aan de uitvoering van het plan, bedoeld in artikel 4.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet of indien dit noodzakelijk is teneinde de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen.
5.4.
Op grond van lid 2 van voormeld artikel volgen de met het gezag belaste ouders of ouder en de minderjarige een schriftelijke aanwijzing op.
5.5.
Op grond van lid 3 van voormeld artikel kan de gecertificeerde instelling de kinderrechter verzoeken een schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen. Tegelijkertijd kan een door de wet toegelaten dwangmiddel worden verzocht bij niet nakoming van deze aanwijzing tenzij het belang van het kind zich tegen oplegging daarvan verzet.
5.6.
Op grond van artikel 1:264 van Pro het Burgerlijk Wetboek kan op verzoek van een met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder, de kinderrechter een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren.
5.7.
Op grond van artikel 265f, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek kan voor zover noodzakelijk in verband met de uithuisplaatsing van de minderjarige, de gecertificeerde instelling voor de duur daarvan de contacten tussen een met het gezag belaste ouder en de minderjarige beperken.
5.8.
De schriftelijke aanwijzing is door JBRA gegeven op grond van de betreffende wetsartikelen van het Burgerlijk Wetboek. Dat staat ook duidelijk vermeld onder het besluit van de schriftelijke aanwijzing.
5.9.
Uit de schriftelijke aanwijzing blijkt voldoende dat deze is gegeven omdat het noodzakelijk is concrete bedreigingen in de ontwikkeling van [minderjarige] weg te nemen en de besluiten in de schriftelijke aanwijzing hebben betrekking op de verzorging en opvoeding van [minderjarige] en zien op de doelen van de ondertoezichtstelling.
Beoordeling tweede onderdeel van de schriftelijke aanwijzing: “- U dient contact te onderhouden met Jeugdbescherming en de Leef Leergroep om
samenwerking mogelijk te maken en om verdere afstemming over de begeleiding
en verzorging van [minderjarige] mogelijk te maken. Hierbij is het van belang dat u
reageert op e-mails, telefoonoproepen en aanwezig bent bij uitvoerdersoverleggen.”
5.10.
Voor wat betreft dit onderdeel van de schriftelijke aanwijzing is de kinderrechter van oordeel dat JBRA heeft voldaan aan de gestelde voorwaarden en was JBRA bevoegd de schriftelijke aanwijzing te geven. Ook voldoet de schriftelijke aanwijzing aan het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.
5.11.
JBRA had op het moment dat de schriftelijke aanwijzing werd gegeven, mede gelet op het verleden, goede gronden dat de moeder onvoldoende medewerking zou verlenen en afspraken zou nakomen. Voldoende is gesteld en gebleken dat de moeder in het verleden niet altijd reageert op e-mails, telefoonoproepen en aanwezig is bij uitvoerdersoverleggen. De moeder houdt de deur voornamelijk dicht voor JBRA en het is niet gelukt om zicht te krijgen op de thuissituatie bij de moeder, laat staan om hulpverlening in te zetten om de situatie bij de moeder thuis te verbeteren. Dit is echter wel noodzakelijk om de doelen van de ondertoezichtstelling en een terugwerking naar huis te kunnen realiseren.
Beoordeling eerste onderdeel van de schriftelijke aanwijzing:
“-
[minderjarige] dient te overnachten bij de Leef Leergroep. U dient haar direct terug te brengen naar de groep, ook als [minderjarige] bij u komt dient u haar telkens terug te brengen zodat zij bij de Leef Leergroep overnacht.”
5.12.
Voor wat betreft dit onderdeel is de kinderrechter van oordeel dat de aanwijzing niet voldoet aan het zorgvuldigheidsbeginsel. Enerzijds heeft JBRA ter zitting aangegeven dat de formulering niet helemaal juist is. Eigenlijk had de schriftelijke aanwijzing moeten vermelden dat de moeder dan [minderjarige] dient te motiveren om naar de groep terug te gaan als zij dat niet zou willen, in plaats van dat de moeder [minderjarige] direct dient terug te brengen naar de groep. De kinderrechter volgt dat standpunt van de JBRA nu niet van de moeder op die wijze kan worden verwacht. De moeder geeft terecht aan dat er dan mogelijk conflicten ontstaan tussen haar en [minderjarige] en zij hiermee de band tussen haar en [minderjarige] teniet zal doen. Gezien de zorgen over de opvoedkundige situatie in het verleden en de kinderrechter acht de kinderrechter het niet in het belang van [minderjarige] dat van de moeder wordt verwacht dat zij op de wijze, zoals nu voorgeschreven in de aanwijzing, optreedt tegen [minderjarige] . Wel mag van de moeder kan worden verwacht dat zij telkens bij [minderjarige] aangeeft dat gemaakte afspraken dienen te worden nagekomen. Dat staat echter niet op die manier in de schriftelijke aanwijzing vermeld.
5.13.
Daarbij merkt de kinderrechter op dat ter zitting is gebleken dat de formulering in de aanwijzing inmiddels achterhaald is en is ingehaald door de werkelijkheid. Er zijn recent afspraken gemaakt tussen JBRA, de moeder en [minderjarige] , namelijk dat [minderjarige] thans van donderdag tot zondag bij de moeder kan overnachten. Die afspraak zal binnenkort in de vorm van een schriftelijke aanwijzing worden gegeven.
5.14.
Verder merkt de kinderrechter op dat schriftelijke aanwijzing is gegeven nog voordat het geplande gesprek met de moeder had plaatsgevonden. Dit gesprek zou gaan over de omgang en het verblijf van [minderjarige] bij de moeder thuis. Het had in de lijn der verwachting gelegen dat JBRA dit gesprek had afgewacht alvorens de schriftelijke aanwijzing op het punt van de omgang (het eerste onderdeel) te geven. Dit geldt te meer nu de advocaat hier ook om had gevraagd en nu JBRA de situatie, waarbij [minderjarige] al geruime tijd bij de moeder verbleef, in eerste instantie zelf op zijn beloop heeft gelaten. De kinderrechter acht ook dat onzorgvuldig.
Conclusie
5.15.
Het voorgaande betekent dat de schriftelijke aanwijzing voor wat betreft het tweede onderdeel zal worden bekrachtigd en voor wat betreft het eerste onderdeel vervallen zal worden verklaard.
Slotoverwegingen
5.16.
De kinderrechter merkt op dat de trajectbegeleider van Levvel een belangrijk persoon voor [minderjarige] zal kunnen vormen, iemand waar zij altijd bij terecht kan. De moeder zal [minderjarige] dan ook dienen te stimuleren, waar nodig, contact met die trajectbegeleider op te nemen. Daarnaast zal de nieuwe contactpersoon vanuit JBRA duidelijke afspraken met de moeder en [minderjarige] dienen te maken om problemen in de toekomst te voorkomen. De kinderrechter hoopt dat deze rust zal kunnen creëren en het vertrouwen van de moeder en [minderjarige] kan krijgen.
5.17.
Uit het gesprek met [minderjarige] is het de kinderrechter duidelijk geworden dat [minderjarige] erg hecht aan haar autonomie; als zij de behoefte daartoe voelt wil zij vrij zijn om naar haar moeder te gaan en als ze dat niet wil, dan niet. Ook gelet op haar leeftijd, hecht de kinderrechter veel waarde aan wat [minderjarige] wil en aangeeft. De kinderrechter constateert dat met de voortdurende strijd tussen de moeder en JBRA de behoeftes van [minderjarige] uit het zicht lijken te raken. De kinderrechter acht het noodzakelijk dat meer zicht komt op haar wensen en behoeften ten aanzien van haar verblijfsplek, te weten het wonen bij haar moeder en/of op de groep en binnen welke tempo zij dit wenst op te bouwen. Ook de mogelijkheid van begeleid wonen zal nadrukkelijk onderdeel van gesprek moeten zijn. [minderjarige] heeft behoefte aan duidelijkheid over haar toekomst en die duidelijkheid is er nu onvoldoende.
De kinderrechter verwacht dat de trajectbegeleider of de nieuwe contactpersoon van JBRA meer moeite zal doen om het vertrouwen van [minderjarige] te krijgen en een band op te bouwen, zodat er meer zicht komt op hoe [minderjarige] zich voelt en wat zij daadwerkelijk wil. Het is echter zeer wel mogelijk dat [minderjarige] zich in een loyaliteitsconflict bevindt en zich daardoor lastig uit of contact met JBRA uit de weg gaat. JBRA moet dit dan onderkennen en het is dan aan JBRA om dit te doorbreken. Mogelijk is het inzetten van een onafhankelijk steunfiguur daarbij helpend. Gedacht kan worden aan een steunfiguur die geen lijntje naar de moeder of JBRA onderhoudt, maar [minderjarige] wel kan helpen haar gedachtes te vormen en gevoelens te uiten.
5.18.
Mocht er voor wat betreft de nieuwe afspraken omtrent de omgang tussen [minderjarige] en de moeder en het verblijf van [minderjarige] bij de moeder door JBRA een schriftelijke aanwijzing aan de moeder worden gegeven, dan zal die schriftelijke aanwijzing helder geformuleerd dienen te worden zodat voor de moeder en [minderjarige] duidelijk is wat er wordt verwacht. Moeder zal [minderjarige] daarna ook steeds moeten herinneren aan die gemaakte afspraken en er op moeten hameren dat zij zich beiden aan deze afspraken moeten houden. De kinderrechter hoopt dat de strijd tussen moeder en JBRA zal stoppen, zodat [minderjarige] hier niet meer tussenzit. Alleen dan zal de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] voldoende kunnen worden tegengegaan. Zowel de moeder als JBRA zijn hierin de belangrijkste speler.
5.19.
Er zal worden beslist als na te melden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
- verklaart de schriftelijke aanwijzing van 16 december 2025 voor wat betreft het onderdeel
“- [minderjarige] dient te overnachten bij de Leef Leergroep. U dient haar direct terug te brengen naar de groep, ook als [minderjarige] bij u komt dient u haar telkens terug te brengen zodat zij bij de
Leef Leergroep overnacht”, vervallen;
- bekrachtigt de schriftelijke aanwijzing van 16 december 2025 voor wat betreft het onderdeel
“- U dient contact te onderhouden met Jeugdbescherming en de Leef Leergroep om
samenwerking mogelijk te maken en om verdere afstemming over de begeleiding
en verzorging van [minderjarige] mogelijk te maken. Hierbij is het van belang dat u
reageert op e-mails, telefoonoproepen en aanwezig bent bij uitvoerdersoverleggen”;
- wijst het meer of anders door de moeder en JBRA verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. van Luijck, kinderrechter, in tegenwoordigheid van P.A.W. van Schaick, als griffier en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.
Deze beschikking is schriftelijk uitgewerkt op 16 februari 2026.
Voor zover hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Amsterdam.