ECLI:NL:RBAMS:2026:2299

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
C/13/778527 / JE RK 25-821
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige wegens bedreigde ontwikkeling

De rechtbank Amsterdam heeft op 4 februari 2026 een beschikking gegeven tot ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige geboren in 2012, wegens ernstige bedreiging van zijn ontwikkeling. De moeder oefent het gezag uit, maar is niet beschikbaar en houdt hulpverlening af. De minderjarige verbleef in een ongeschikte woonsituatie met de moeder, die geen stabiele woonplek of inkomen heeft en niet meewerkt aan hulpverlening.

De Raad voor de Kinderbescherming en Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering (LdH) hebben aangegeven dat de minderjarige rust, structuur en veiligheid nodig heeft, die hij momenteel niet thuis krijgt. De moeder kampt met persoonlijke en psychische problemen, waardoor de minderjarige vaak voor zichzelf moet zorgen en blootstaat aan geweld en stressvolle situaties. De minderjarige gaat sinds opname in de opvang met plezier naar school en wil in Nederland blijven.

De rechtbank oordeelt dat de wettelijke criteria voor ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn vervuld. De beschikking geldt voor negen maanden, waarin de hulpverlening op gang moet komen en de opvoedsituatie bij de moeder wordt onderzocht. Tevens wordt een bijzondere curator benoemd om de belangen van de minderjarige te behartigen, mede omdat het contact met de moeder problematisch is. De behandeling van overige verzoeken wordt aangehouden tot nader order.

Uitkomst: De rechtbank stelt de minderjarige onder toezicht en verleent een machtiging tot uithuisplaatsing voor negen maanden wegens ernstige bedreiging van zijn ontwikkeling.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Familie- en Jeugdrecht
Zaakgegevens: C/13/778527 / JE RK 25-821
datum uitspraak: 4 februari 2026
beschikking ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing
in de zaak van
Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen de Raad,
gevestigd te Amsterdam ,
betreffende
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2012 te [geboorteplaats] , Roemenië, hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de moeder,
advocaat mr. M.R.P. Hoppenbrouwers te Amsterdam.
Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen LdH.

1.Het procesverloop

1.1.
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- het verzoekschrift, met bijlagen, van de Raad, ingekomen 11 november 2025;
- het schrijven van de moeder, ingekomen op 13 januari 2026;
- het aanvullende onderzoek, met bijlage, van de Raad, ingekomen op 27 januari 2026.
1.2.
Op 4 februari 2026 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.
Verschenen en gehoord zijn:
- [medewerker Raad voor de Kinderbescherming] , namens de Raad;
- [medewerker LdH] , namens LdH;
- de advocaat van de moeder.
1.3.
De moeder is, hoewel daartoe opgeroepen, niet ter zitting verschenen. De advocaat van de moeder geeft ter zitting aan dat hij geen contact met de moeder heeft kunnen krijgen.
1.4.
[minderjarige] heeft ter gelegenheid van een kind gesprek zijn mening kenbaar gemaakt.

2.De feiten

2.1.
De moeder oefent van rechtswege het gezag uit over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.
2.3.
Bij beschikking van 5 november 2025 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van LdH, voor de duur van twee weken. Tevens is ten aanzien van [minderjarige] een machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor de duur van twee weken. Het overige verzochte is aangehouden.
2.4.
Bij beschikking van 12 november 2025 is de beschikking van 5 november 2025 gehandhaafd. Aansluitend is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot
5 februari 2026 en is een machtiging tot uithuisplaatsing ten aanzien van [minderjarige] verleend tot 5 februari 2026, voor verblijf in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar.
Tevens wordt verzocht een machtiging tot uithuisplaatsing ten aanzien van [minderjarige] te verlenen voor de duur van een jaar.

4.De standpunten

4.1.
De Raad voert aan, kort en zakelijk weergegeven, dat sprake is van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige] . Het is voor [minderjarige] onduidelijk waar hij gaat opgroeien en wie er voor hem gaat zorgen. Sinds hij in Nederland is, heeft hij geen legale verblijfplaats. [minderjarige] heeft eerst met zijn moeder en halfbroer in een vervuilde woning in illegale onderverhuur gewoond. Daarna is hij met de moeder ingetrokken op een boot. Deze boot voldoet niet aan de basisvoorzieningen die een kind nodig heeft. De woonsituatie bij de moeder lijkt voor [minderjarige] niet te verbeteren. De moeder heeft op dit moment geen inkomen en geen zicht op het huren van een woning. De moeder reageert afwijzend op hulpverleners die met haar naar mogelijkheden willen zoeken, zoals een woning buiten [plaats] of in Roemenië. De moeder blijft stellig in haar mening dat de gemeente haar een woning moet aanbieden omdat zij belasting betaalt. De moeder heeft geen ander plan. [minderjarige] krijgt van de moeder geen duidelijkheid over hoe de woonsituatie gaat verbeteren.
[minderjarige] verbleef vaak alleen op de boot doordat de moeder en zijn halfbroer aan het werk waren. Om de verveling tegen te gaan zat hij op zijn telefoon en ging hij buiten op zoek naar internet. [minderjarige] is meer dan een jaar niet naar school gegaan. Hij heeft geen contact met leeftijdsgenoten en spreekt geen Nederlands. Veilig Thuis had eerder in vrijwillig kader een mogelijkheid gevonden voor [minderjarige] om naar school te gaan, maar de moeder heeft dit afgewezen. De moeder wil pas over school praten als zij een woning aangeboden heeft gekregen.
[minderjarige] is tevens regelmatig blootgesteld aan schreeuw- en vechtpartijen tussen zijn moeder en haar (ex)partner. Daarnaast is [minderjarige] blootgesteld geweest aan seksueel grensoverschrijdend gedrag van de man bij wie hij met zijn moeder woonde. De moeder probeerde dit te stoppen, maar dat lukte haar onvoldoende.
Het ontbreekt [minderjarige] aan een opvoeder die hem voldoende beschermt. [minderjarige] maakt zich zorgen maken over de veiligheid van zijn moeder en zijn eigen veiligheid. Dit is stressvol en is bedreigend voor zijn ontwikkeling.
Ook maakt [minderjarige] zich zorgen over de gezondheid van zijn moeder en vertelt hij dat zijn moeder in zijn aanwezigheid stemmen hoort, tegen stemmen in haar hoofd praat
en zegt dat ‘een hij’ haar aanraakt en haar wil vermoorden. [minderjarige] vangt zijn
moeder op als zij angstig is.
[minderjarige] wil niet terug naar Roemenië omdat hij daar geen kansen ziet voor zichzelf en geen contact met familie heeft. Hij voelt zich nu veilig hier in de opvang.
De moeder is op dit moment onvoldoende bereid en in staat onder eigen verantwoordelijkheid de bedreiging weg te nemen en hulpverlening te accepteren doordat
zij kampt met persoonlijke problemen, afhankelijk is van anderen, geen steunend netwerk heeft en geen geld heeft.
De verwachting is vooralsnog dat de moeder de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn weer zelf kan dragen. Hiertoe zal ingezet moeten gaan worden op het krijgen van contact met de moeder, zodat zij kan worden betrokken bij de te nemen stappen.
Een ondertoezichtstelling en het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing ten aanzien [minderjarige] is noodzakelijk.
4.2.
De Raad voert aanvullend aan, kort en zakelijk weergegeven, dat de zorgen over
[minderjarige] nog steeds bestaan. Sinds [minderjarige] in de opvang woont gaat hij naar school. Wanneer [minderjarige] weer terugkeert naar huis, zal de schoolgang weer onzeker worden. Op dit moment is nog niet duidelijk wat [minderjarige] zijn toekomstperspectief is. Het is belangrijk dat [minderjarige] hierover niet te lang in onzekerheid blijft. Het LdH heeft nog geen standpunt ingenomen over het perspectief. Wel is het duidelijk dat er op dit moment geen mogelijkheden worden gezien voor terugkeer naar de moeder. De verwachting is niet dat de moeder op korte termijn voor [minderjarige] kan zorgen. Ook in Roemenië is geen netwerk dus het ligt niet voor de hand dat hij daarheen teruggaat nu. Uit de brief van de Roemeense overheid is duidelijk geworden dat de vader fysiek niet in staat is om voor [minderjarige] te zorgen. Hij verblijft in een verzorgingstehuis voor ouderen in Roemenië. De Roemeense overheid geeft echter wel aan dat zij verantwoordelijkheid willen nemen voor het opgroeiperspectief van [minderjarige] .
Een nieuwe zorg die naar voren is gekomen is dat [minderjarige] zich wat onverschillig uitlaat over het contact met zijn moeder en andere familieleden. Hij geeft zelf aan dat hij alleen telefonisch contact heeft met zijn halfbroer en dat hij zijn moeder de afgelopen periode niet heeft gezien of gesproken. Hij heeft daar ook geen behoefte aan. Dit bevestigt de zorgen dat [minderjarige] waarschijnlijk al lange tijd niet op zijn moeder kan vertrouwen als opvoeder en dat hij er alleen voor staat.
4.3. De Raad heeft ter zitting nog aangevoerd, kort en zakelijk weergegeven, dat er zal moeten worden bekeken wat de mogelijkheden voor [minderjarige] zijn in Nederland. Het is belangrijk dat [minderjarige] rust krijgt en dat hij aan zijn eigen ontwikkeling kan toekomen.
Hulpverlening vanuit het vrijwillig kader zal niet werken omdat er met de moeder niet tot samenwerking is te komen.
4.4.
LdH voert ter zitting aan, kort en zakelijk weergegeven, dat [minderjarige] het naar zijn zin heeft op zijn huidige plek bij FoorNu Zorg. De bedoeling is dat [minderjarige] op deze plek blijft. [minderjarige] gaat met plezier naar school. [minderjarige] ziet zijn toekomst in Nederland en hij kan in Nederland blijven op grond van zijn Roemeense paspoort. Het uitgangspunt is dan ook dat [minderjarige] in Nederland blijft. Er wordt bekeken welke hulpverlening [minderjarige] nodig heeft. Het netwerk van [minderjarige] bestaat uit zijn moeder en halfbroer. [minderjarige] wil geen contact met zijn vader.
Er wordt geprobeerd om de moeder te betrekken bij zaken aangaande [minderjarige] , maar de moeder is vaak onbereikbaar en wil niet meewerken. Dat is een probleem betreffende beslissingen die ten aanzien van [minderjarige] dienen te worden genomen.
4.5.
De moeder voert in haar schrijven aan, kort en zakelijk weergegeven, dat de beslissingen omtrent [minderjarige] zijn genomen zonder overleg met haar en zonder dat haar situatie naar behoren is beoordeeld. Zij heeft om steun en bescherming voor het hele gezin gevraagd, maar Veilig Thuis en andere hulpverleners hebben geweigerd die steun te verlenen. De behoeften van haar en [minderjarige] zijn daarmee genegeerd. Het handelen van de betrokkenen heeft geleid tot lijden, instabiliteit en trauma bij haar en [minderjarige] . Haar rechten als moeder zijn geschonden. Zij verzet zich tegen de genomen maatregelen.
4.6.
De advocaat van de moeder voert ter zitting aan, kort en zakelijk weergegeven, dat uit het rapport van de Raad blijkt dat de moeder zich in de steek voelt gelaten door de autoriteiten. De moeder vindt dat zij moet worden geholpen met het verkrijgen van een woning. De moeder vindt een ondertoezichtstelling en het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing niet nodig.

5.De beoordeling5.1. Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat[minderjarige] in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd. Er zijn ernstige zorgen over de opvoedomgeving van [minderjarige] bij de moeder. De moeder lijkt belast met persoonlijke en psychische problematiek. [minderjarige] kan niet rekenen op de steun van zijn moeder, hij is blootgesteld aan ruzies met geweld tussen de moeder en haar (ex) partner en werd belast met de persoonlijke en psychische problematiek van de moeder. Het gevolg hiervan is dat [minderjarige] vaak voor zichzelf moet zorgen en constant in angst en achterdocht leeft. [minderjarige] maakt zich zorgen om zijn moeder. Door de situatie waarin [minderjarige] bij de moeder verkeert, komt hij niet toe aan zijn eigen ontwikkeling. De huidige woonsituatie van de moeder op de boot vormt een ongezond leefklimaat voor [minderjarige] . De moeder biedt [minderjarige] onvoldoende stabiliteit en structuur en geeft hem onvoldoende aandacht. Ook stimuleert de moeder [minderjarige] onvoldoende. De moeder wijst telkens naar anderen die de problemen dienen op te lossen. Het is voor [minderjarige] belangrijk dat hij een opvoeder heeft die hem stabiliteit, voorspelbaarheid en veiligheid kan bieden en die (emotioneel) voor hem beschikbaar is. Daar is thans onvoldoende sprake van in de situatie bij de moeder. Het ontbreekt de moeder ook aan een steunend netwerk.De komende tijd dient zicht te komen op de opvoedsituatie bij de moeder en het moet duidelijk worden of de moeder in staat is om gezagsbeslissingen ten aanzien van[minderjarige] te nemen.Het is positief dat [minderjarige] thans (met plezier) naar school gaat. Wel is het belangrijk dat [minderjarige] daarnaast een passende vrijetijdsbesteding heeft. Hij wil graag kickboksen.Met de inzet van LdH kan er passende hulpverlening voor [minderjarige] worden ingezet en kan er worden bekeken wat hij eventueel nog meer nodig heeft aan steun. Ook is het belangrijk hoe [minderjarige] contact kan hebben met zijn vader en familie in Roemenië, indien hij daar behoefte aan heeft.Er is onvoldoende vertrouwen dat de moeder in het vrijwillig kader zal meewerken met de hulpverlening, terwijl die hulp noodzakelijk is voor [minderjarige] . Er is strakke regievoering is nodig, waarbij in het kader van de ondertoezichtstelling afspraken gemaakt worden.

5.2.
Uit voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
5.3.
Op dit moment zijn de bedreigingen in de ontwikkeling van [minderjarige] waaraan in ieder geval gewerkt moet worden:
- [minderjarige] heeft een stabiele woonplek waar de basisvoorzieningen beschikbaar zijn, zoals stromend water, sanitaire voorzieningen en een eigen bed;
- [minderjarige] heeft een opvoeder tot zijn beschikking die hem structuur, aandacht en stimulering biedt;
- [minderjarige] heeft een stabiele leefomgeving waar toezicht is van een volwassene of een vertrouwenspersoon beschikbaar is als dat nodig is;
- er komt zicht op de opvoedsituatie bij de moeder en het wordt duidelijk of de moeder in staat is om gezag beslissingen ten aanzien van [minderjarige] te nemen. Indien nodig volgt er een onderzoek voor een voogdij perspectiefplan;
- [minderjarige] gaat naar school en heeft een passende vrijetijdsbesteding;
- [minderjarige] weet waar hij opgroeit en wie hem opvoedt;
- [minderjarige] heeft veilig contact met zijn moeder. [minderjarige] wordt niet belast met de problematiek van de moeder en hij wordt niet blootgesteld aan, en betrokken bij schreeuwpartijen en gevechten tussen zijn moeder en de mensen met wie de moeder omgaat;
- [minderjarige] heeft contact met zijn halfbroer [persoon] en, voor zover dit in zijn belang is, ook met zijn familie in Roemenië, waaronder zijn vader;
- er wordt bekeken welke passende hulpverlening voor [minderjarige] moet worden ingezet.
5.4.
De kinderrechter zal [minderjarige] onder toezicht stellen en wel voor de duur van negen maanden, waarbij het overige verzochte wordt aangehouden.
5.5.
Die termijn is nodig om de hulpverlening op gang te laten komen en om aan de gestelde doelen te werken. Duidelijk moet worden in deze negen maanden of het contact met de moeder tot stand kan komen en of er met haar kan worden samengewerkt. Indien dat lukt, is het de vraag wat er nodig is om [minderjarige] weer bij zijn moeder te kunnen laten wonen. Indien dat niet gebeurt, zal LdH hier anderszins moeten gaan acteren en zou zelfs gedacht kunnen worden aan een beëindiging van het gezag van de moeder. De kinderrechter vindt het in het belang van [minderjarige] om hierover een vinger aan de pols te houden.
5.6.
Ook is de kinderrechter, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat een uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en de opvoeding, zoals genoemd in artikel 1:265b van het Burgerlijk Wetboek.
5.7.
De huidige verblijfplaats van de moeder is niet geschikt om [minderjarige] op te voeden en te verzorgen en de moeder is, gezien haar persoonlijke omstandigheden onvoldoende in staat om [minderjarige] de zorg en opvoeding te bieden die hij nodig heeft.
[minderjarige] krijgt bij FoorNu Zorg de rust, stabiliteit, voorspelbaarheid, structuur en veiligheid die hij nodig heeft en gaat hij structureel naar school.
5.8.
De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing eveneens verlenen voor een periode van negen maanden.
5.9.
Binnen die termijn dient duidelijk te worden waar het perspectief van [minderjarige] op de langere termijn ligt en welke rol de moeder speelt in het gezag over [minderjarige] .
5.10.
Voorts acht de kinderrechter het van belang dat een advocaat wordt toegewezen aan [minderjarige] om diens belangen te behartigen. Niet valt uit te sluiten dat de moeder zich gaat verzetten tegen de verleende machtiging tot uithuisplaatsing van
[minderjarige] en dat zij niet zal meewerken aan gezagsbeslissingen aangaande
[minderjarige] . [minderjarige] lijkt het nu geen probleem te vinden dat hij geen contact met zijn moeder heeft, maar gezien de situatie zou het ook kunnen zijn dat hij niet goed zijn stem durft te laten horen, omdat hij bang is dat hij de stabiliteit die hij nu ervaart, weer verliest. De kinderrechter gunt hem een advocaat met wie hij kan bespreken hoe hij zijn stem kan laten horen, zonder dat hij zijn eigen belangen zou schaden. De rechtbank zal de advocaat als bijzondere curator benoemen. Deze benoeming wordt opgenomen in een aparte beschikking.
5.11.
Er zal worden beslist als na te melden.
5.12.
De kinderrechter heeft [minderjarige] een brief gestuurd, met de volgende inhoud:
Op dinsdag 3 februari was jij bij mij op de rechtbank voor een gesprekje. Je hebt toen verteld dat het heel goed met jou gaat. Je hebt een fijne woonplek bij FoorNu Zorg en je gaat met plezier naar school gaat en je doet heel erg je best. Je vertelde mij dat je graag in Nederland wil blijven om hier verder te leren en ook te gaan werken.
Op woensdag 4 februari was er een rechtszitting en heb ik met de Raad voor de Kinderbescherming en de Jeugdbescherming gesproken. Ook de advocaat van jouw moeder was er, maar jouw moeder zelf was er niet.
Jeugdbescherming heeft op de zitting verteld dat het de bedoeling is dat jij op de plek blijft waar je nu woont. Zij willen ook dat jij in Nederland blijft, omdat jij dat zelf graag wil en het er nu op lijkt dat je geen familie hebt in Roemenië die voor jou kan zorgen. De Jeugdbescherming gaat bekijken welke hulpverlening jij verder nodig hebt om te verwerken wat je allemaal hebt meegemaakt; bijvoorbeeld een psycholoog. Ook wordt er geprobeerd contact te krijgen met je moeder, zodat met haar kan worden samengewerkt en om te kijken welke hulp zij nodig heeft.
Omdat ik als rechter ook graag wil dat het goed met jou blijft gaan en ik vind dat jouw moeder nu niet voor jou kan zorgen, heb ik jouw verblijf bij FoorNu Zorg verlengd met 9 maanden. Dat betekent dat je gewoon blijft waar je nu bent! Ook de ondertoezichtstelling (de hulp van de Jeugdbescherming) heb ik voor die tijd toegewezen.
Over ongeveer 9 maanden komt er een nieuwe zitting en dan gaan we verder praten. De rechtbank gaat intussen een advocaat aan jou toewijzen. Dat betekent dat jij een eigen advocaat krijgt, waarmee je in vertrouwen kan praten. Ik vind dat belangrijk omdat jij nu geen contact met je moeder hebt en jij veel vragen hebt over je verblijf hier. Deze advocaat kan mogelijk jouw vragen beantwoorden en hij kan ook jouw stem goed vertegenwoordigen op de rechtbank. Deze advocaat zal contact met jou gaan opnemen.
Jij krijgt zelf weer een uitnodiging voor een gesprekje op de rechtbank als er weer een nieuwe zitting aankomt. Ik hoop dat dit duidelijk is. Ik wens je heel erg veel succes op school en bij FoorNu Zorg. Je mag trots op jezelf zijn!

6.De beslissing

De kinderrechter:
-
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering, gevestigd te [vestigingsplaats] , met ingang van 4 februari 2026 tot
4 november 2026;
- verleent een machtiging tot uithuisplaatsing ten aanzien van [minderjarige] , voor verblijf in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, met ingang van 4 februari 2026 tot
4 november 2026;
- verklaart deze beschikking, tot zover, uitvoerbaar bij voorraad;
- bepaalt dat behandeling van het overige door de Raad verzochte wordt aangehouden tot een nader te bepalen datum en tijdstip vóór 4 november 2026;
  • bepaalt dat voor de volgende zitting worden opgeroepen: de Raad, LdH, de moeder (met mr. Hoppenbrouwers) en de bijzondere curator, waarbij de Raad een tolk Roemeens voor de moeder reserveert;
  • bepaalt dat [minderjarige] samen met de bijzondere curator voor een gesprek met de kinderrechter wordt uitgenodigd, voorafgaand aan de volgende zitting;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. van Luijck, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026, in tegenwoordigheid van P.A.W. van Schaick als griffier.
Deze beschikking is schriftelijk uitgewerkt op 20 februari 2026.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Amsterdam.