ECLI:NL:RBAMS:2026:2285

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
C/13/770237 / HA ZA 25-1115
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
  • M.F. van Schendel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:44 lid 2 BWArt. 6:119 BWArt. 130 lid 1 RvArt. 130 lid 3 RvArt. 139 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoofdelijke veroordeling tot betaling lening en rente op grond van lening- en borgstellingsovereenkomst

Op 16 november 2023 sloten eiser en de vennootschap een leningsovereenkomst waarbij €100.000 werd geleend tegen 8% rente per jaar. De vennootschap betaalde de rente over 2023 en 2024 niet. Op dezelfde dag tekende de bestuurder een borgstellingsovereenkomst voor de nakoming van alle verplichtingen uit de leningsovereenkomst.

Eiser vorderde nakoming van de lening en borgstelling, waarbij de vennootschap verstek liet gaan en de bestuurder verweer voerde tegen de borgstelling wegens bedreiging en dwaling. De rechtbank oordeelde dat de borgstelling rechtsgeldig is, dat bedreiging en dwaling niet zijn bewezen, en dat verzuim bij de borg niet vereist is.

De rechtbank stelde vast dat de bestuurder hoofdelijk aansprakelijk is voor het openstaande bedrag van €108.745,21 inclusief rente over 2023 en 2024. Tevens werden de vennootschap en bestuurder hoofdelijk veroordeeld tot betaling van proceskosten en wettelijke rente vanaf datum vonnis. Het meer of anders gevorderde werd afgewezen.

Uitkomst: Vennootschap en bestuurder worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van €108.745,21 plus rente en proceskosten wegens niet-nakoming lening- en borgstellingsovereenkomst.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/770237 / HA ZA 25-1115
Vonnis van 25 februari 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. R.R. Beuker,
tegen

1.[gedaagde 1] B.V.,

te [vestigingsplaats] ,
niet verschenen,
2.
[gedaagde 2],
te [woonplaats] ,
advocaat: mr. M. Heijsteeg,
gedaagde partijen,
hierna te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het incidenteel vonnis van 24 september 2025;
- de conclusie van antwoord van 22 oktober 2025;
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 14 januari 2026 en de daarin genoemde stukken.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 16 november 2023 hebben [eiser] en [gedaagde 1] een leningsovereenkomst gesloten, op grond waarvan [eiser] als ‘geldgever’ een lening aan [gedaagde 1] als ‘geldnemer’ heeft verstrekt van € 100.000 (hierna: de Leningsovereenkomst).
2.2.
De Leningsovereenkomst bepaalt, voor zover relevant:

Artikel 1
(…)
2. Geldnemer is vanaf 100.000 over de hoofdsom of het onafgeloste deel daarvan een interest verschuldigd van 8% per jaar achteraf te voldoen eens per jaar en voor het eerst op 31 december 2023 over het alsdan verstreken tijdvak, de volgende op 31 december 2024 en zo vervolgens. De verschuldigde rente wordt achteraf berekend over het bedrag van de lening.
3. De aflossingen worden in onderling overleg geregeld.
(…)
Artikel 3
In afwijking van het bepaalde in artikel 1 en Pro 2 zal de hoofdsom of het onafgeloste deel daarvan, met interest tot en met de dag van terugbetaling, en al hetgeen geldgever ingevolge deze overeenkomst verder van geldnemer te vorderen zal hebben, van rechtswege en zonder enige formaliteit terstond opeisbaar zijn:
(…)
b. bij niet-prompte voldoening der rente op de verschijndag door geldnemer;
2.3.
Op diezelfde datum hebben [eiser] en [gedaagde 1] ook een borgstellingsovereenkomst getekend, waarin [gedaagde 1] zich als ‘borg’ tegenover [eiser] als ‘schuldeiser’ borg heeft gesteld voor [gedaagde 2] , enig bestuurder van [gedaagde 1] , als ‘schuldenaar’ voor de nakoming van alle vorderingen van [eiser] tot terugbetaling van de lening inclusief rente en kosten, op grond van de Leningsovereenkomst.
2.4.
Op 27 november 2023 heeft [gedaagde 1] het leningsbedrag van [eiser] ontvangen.
2.5.
[gedaagde 1] heeft op 31 december 2023 de rente over 2023 niet betaald.
2.6.
Op 18 november 2024 heeft een bespreking plaatsgevonden op het kantoor van [eiser] tussen [gedaagde 2] en [eiser] . Tijdens die bespreking hebben [gedaagde 2] en [eiser] een overeenkomst ondertekend. In de door [eiser] overgelegde overeenkomst getiteld ‘BORGSTELLING’ is [gedaagde 2] opgenomen als ‘Borg’ en [eiser] als ‘Schuldeiser’ en staat, voor zover relevant:

A. Schuldeiser met [gedaagde 1] een overeenkomst, hier te noemen “de Overeenkomst”, is aangegaan ter zake van een lening van een bedrag ad in hoofdsom EUR 100.000,- (zegge honderdduizend euro), waarvan de inhoud de Borg volledig bekend is;
B. Partijen zijn overeengekomen dat de Borg zich, als enig bestuurder van [gedaagde 1] , borg zal stellen voor de nakoming van alle verplichtingen van [gedaagde 1] jegens Schuldeiser uit hoofde van de Overeenkomst van geldlening;
(…)
1. De Borg verbindt zich bij deze jegens de Schuldeiser om al hetgeen [gedaagde 1] uit hoofde van voornoemde Overeenkomt van geldlening aan Schuldeiser verschuldigd is of wordt aan Schuldeiser te voldoen indien en zodra [gedaagde 1] in de nakoming van haar verplichtingen jegens Schuldeiser tekort geschoten is.
2. De betalingsverplichting van de Borg omvat zowel nakoming van de door [gedaagde 1] niet nagekomen verplichting tot betaling van de hoofdsom en de daarover verschuldigde rente 8 procent, als vergoeding van alle kosten verband houdende met incasso en rechtsvervolging ten behoeve van de nakoming van de verplichtingen uit hoofde van de Overeenkomst van geldlening en deze overeenkomst.
(…)
5. De schuldeiser is gerechtigd zich rechtstreeks tot de Borg te wenden voor nakoming van de verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst, zonder eerst [gedaagde 1] in gebreke te stellen of rechtsmaatregelen tegen [gedaagde 1] te nemen.
2.7.
[gedaagde 1] heeft op 31 december 2024 de rente over 2024 niet betaald.
2.8.
Op 6 en 9 december 2024 heeft [gedaagde 2] twee e-mails gestuurd aan [eiser] . Daarin schrijft [gedaagde 2] op 6 december 2024 onder andere: “
Een deel van de gelden kan ik voor het einde van het jaar overmaken naar je, alles gaat me helaas niet lukken en wens ik graag andere afspraken over maken als dat mag.
2.9.
Op 9 december 2024 schrijft [gedaagde 2] onder andere: “
Sinds je hebt laten weten je geld terug te willen is mijn wereld ingestort.(…)
Ik ben op zoek gegaan naar diverse mogelijkheden om je wens in te vullen daar ik deze gelden niet direct voor handen heb omdat ik met je verzoek geen rekening gehouden had.(…)
Helaas is het mij niet mogelijk gebleken om je het hele bedrag in eens te voldoen. Derhalve kan ik niet anders dan dit in termijnen aan je voldoen. Ik wens daarover dan ook afspraken met je te maken.
2.10.
Op 3 januari 2025 heeft de advocaat van [eiser] een ingebrekestelling gestuurd aan [gedaagde 1] , ter attentie van [gedaagde 2] , met daarin een sommatie om het volledige leningsbedrag vermeerderd met rente binnen twee weken aan [eiser] te betalen. Verder vermeldt de brief: “
Bij gebreke daarvan is cliënt genoodzaakt rechtsmaatregelen te treffen en zal u (als borgsteller) ook in privé op terugbetaling worden aangesproken.
2.11.
Zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] hebben niets aan [eiser] betaald.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat – hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling van € 116.000, vermeerderd met rente en kosten, uitvoerbaar bij voorraad.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [eiser] vordert van [gedaagde 1] nakoming van de Leningsovereenkomst. [gedaagde 1] heeft twee rentebetalingen gemist, waardoor de gehele lening van € 100.000, inclusief rente over 2023 en 2024 (tweemaal een bedrag van € 8.000) in één keer opeisbaar is geworden. [eiser] spreekt [gedaagde 2] aan voor betaling van dat bedrag op grond van de borgstellingsovereenkomst van 18 november 2024 (hierna: de Borgstelling).
3.3.
[gedaagde 2] voert verweer. [gedaagde 2] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad. [gedaagde 2] betwist de juistheid van de door [eiser] overgelegde overeenkomst. Voor zover die wel juist is, roept [gedaagde 2] de vernietiging in van de Borgstelling wegens bedreiging dan wel dwaling. Subsidiair is volgens [gedaagde 2] geen sprake van verzuim. Verder is de gevorderde rente over 2023 onjuist.

4.De beoordeling

4.1.
Tussen [gedaagde 2] en [eiser] is niet in geschil dat [eiser] de lening van € 100.000 aan [gedaagde 1] heeft verstrekt, dat daarover rente is verschuldigd voor de jaren 2023 en 2024 en dat [gedaagde 1] zowel de lening als de rente niet aan [eiser] heeft betaald. Partijen zijn het er ook over eens dat het niet voldoen van die rentebetalingen over 2023 en 2024 door [gedaagde 1] ertoe leidt dat de gehele lening, inclusief rente, op grond van de Leningsovereenkomst in één keer opeisbaar is geworden.
4.2.
De vraag is of [gedaagde 2] op grond van de Borgstelling door [eiser] kan worden aangesproken voor betaling van het openstaande bedrag onder de Leningsovereenkomst.
De Borgstelling
4.3.
[gedaagde 2] heeft in de eerste plaats betwist dat de eerste pagina van de door [eiser] overgelegde overeenkomst zou behoren tot het document dat hij op 18 november 2024 heeft ondertekend, maar hij heeft dat onvoldoende onderbouwd. Op de vragen van de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling in welk opzicht de eerste pagina van de overgelegde overeenkomst verschilt van het document dat [gedaagde 2] wel zou hebben ondertekend kon [gedaagde 2] geen antwoord geven. [gedaagde 2] gaf ook aan de eerste pagina van de overeenkomst tijdens de bespreking niet te hebben gelezen. Daarmee heeft [gedaagde 2] onvoldoende betwist dat de overgelegde overeenkomst het juiste document is. Dat [gedaagde 2] de eerste pagina niet heeft geparafeerd is, anders dan [gedaagde 2] stelt, op zichzelf ook onvoldoende aanwijzing dat de eerste pagina van de overgelegde overeenkomst niet de juiste zou zijn.
4.4.
Verder heeft [gedaagde 2] gesteld dat geen sprake is van een rechtsgeldige overeenkomst omdat [gedaagde 2] geen handtekening maar twee parafen onder de overeenkomst heeft gezet. Dat onderscheid is niet relevant voor de rechtsgeldigheid van de Borgstelling. [gedaagde 2] ontkent niet dat hij die parafen heeft gezet. Daaruit kan zijn wilsovereenstemming wat betreft het aangaan van de Borgstelling worden afgeleid.
4.5.
De rechtbank gaat dus uit van de juistheid van de Borgstelling, zoals overgelegd. Op grond van de Borgstelling heeft [gedaagde 2] zich verplicht tot nakoming van alle verplichtingen van [gedaagde 1] tegenover [eiser] uit de Leningsovereenkomst zodra [gedaagde 1] daarvan in gebreke is. Als gevolg daarvan kan [eiser] [gedaagde 2] aanspreken voor betaling van het nog openstaande bedrag onder de Leningsovereenkomst. De door [gedaagde 2] gevoerde verweren tegen betaling van dat bedrag gaan niet op.
Bedreiging
4.6.
Allereerst slaagt het beroep van [gedaagde 2] op vernietiging van de Borgstelling wegens bedreiging niet. Volgens artikel 3:44 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is van bedreiging sprake wanneer iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door onrechtmatig deze of een derde met enig nadeel in persoon of goed te bedreigen, waarbij de bedreiging zodanig moet zijn dat een redelijk oordelend mens daardoor kan worden beïnvloed.
4.7.
[gedaagde 2] stelt in dit kader dat [eiser] hem tijdens de bespreking op 18 november 2024, op normale spreektoon, een oplichter zou hebben genoemd en zou hebben gezegd: “
je denkt toch niet dat ik je voor honderdduizend euro laat vermoorden?”. [gedaagde 2] voelde zich daardoor onder druk gezet. [eiser] heeft dit betwist. Andere feiten of omstandigheden waarom op dat moment sprake was van bedreiging heeft [gedaagde 2] niet aangevoerd.
4.8.
Deze onderbouwing is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende voor een geslaagd beroep op vernietiging wegens bedreiging. Nu het [gedaagde 2] is die zich beroept op vernietiging wegens bedreiging draagt [gedaagde 2] daarvan de stelplicht en de bewijslast. Dat betekent dat [gedaagde 2] voldoende concreet moet stellen en bij betwisting moet bewijzen dat de Borgstelling tot stand is gekomen onder bedreiging. Ook als vast zou komen te staan dat [eiser] de genoemde uitlatingen op dergelijke toon heeft gedaan tijdens de bespreking van 18 november 2024 is dat onvoldoende om te kunnen concluderen dat sprake was van zodanige bedreiging dat een redelijk oordelend mens geen andere mogelijkheid zou zien dan de Borgstelling ter plekke te ondertekenen.
4.9.
Daarbij weegt de rechtbank mee dat [gedaagde 2] vrij kort na de bespreking, begin december 2024, zelf tweemaal per e-mail contact heeft gezocht met [eiser] en heeft gevraagd om afspraken te maken over terugbetaling, terwijl [gedaagde 2] ter zitting verklaarde dat hij na de bespreking van 18 november 2024 uit angst elk contact met [eiser] vermeed. Die verklaring strookt niet met de feitelijke gang van zaken en die e-mailberichten doen dus verder af aan de onderbouwing van [gedaagde 2] dat sprake is geweest van bedreiging tijdens de bespreking van 18 november 2024.
Dwaling
4.10.
Ook het beroep van [gedaagde 2] op vernietiging van de Borgstelling wegens dwaling slaagt niet.
4.11.
Volgens [gedaagde 2] zou hij de Borgstelling nooit hebben ondertekend indien hij had geweten dat hij daardoor direct aansprakelijk zou zijn voor alle verplichtingen van [gedaagde 1] uit de Leningsovereenkomst. Ter zitting verklaarde [gedaagde 2] dat hij zijn handtekening onder de overeenkomst heeft geplaatst zonder die te lezen en dat hij dus niet wist wat de Borgstelling inhield. Uit de e-mails van december 2024 blijkt echter dat [gedaagde 2] zich wel degelijk bewust was van het feit dat hij persoonlijk aansprakelijk was voor terugbetaling van de lening aan [gedaagde 1] . [gedaagde 2] geeft in die e-mails meermaals aan dat hij, niet [gedaagde 1] , niet in staat is om de lening terug te betalen, dat hij graag nadere afspraken zou willen maken over terugbetaling en dat hij naar verschillende mogelijkheden heeft gezocht om terugbetaling mogelijk te maken. Die e-mails zijn verstuurd vóórdat [gedaagde 2] in januari 2025 een brief ontving van [eiser] waarin werd aangekondigd dat [gedaagde 2] ook als borg in privé zou worden aangesproken als [gedaagde 1] niet zou betalen. Verder staat onbetwist vast dat [gedaagde 2] jarenlang als boekhouder heeft gewerkt voor de tandartspraktijken van [eiser] , dat [gedaagde 2] [eiser] heeft geholpen bij het verkrijgen van financiering bij de bank en dat [gedaagde 2] op 16 november 2023 namens [gedaagde 1] ook een borgstellingsovereenkomst heeft ondertekend. Ter zitting verklaarde [gedaagde 2] daarover dat zijn begrip van deze overeenkomst was dat die zekerheid zou bieden voor [eiser] . Uit deze omstandigheden kan worden afgeleid dat [gedaagde 2] in staat moet worden geacht te begrijpen wat de Borgstelling inhield. Andere feiten of omstandigheden waaruit zou moeten blijken dat [gedaagde 2] ten tijde van het aangaan van de Borgstelling niet wist of begreep wat hij ondertekende, heeft [gedaagde 2] niet gesteld. Dat [gedaagde 2] zou hebben gedwaald over de inhoud van de Borgstelling is dus niet gebleken.
Reactie op aanvullende productie van 6 januari 2026
4.12.
Ter zitting is door de rechtbank besloten om de aanvullende productie van [eiser] van 6 januari 2026 toe te laten in de procedure. [gedaagde 2] heeft verzocht om op die productie schriftelijk te mogen reageren. Nu die productie niet van belang is voor de beslissing, wordt dat verzoek afgewezen.
Verzuim
4.13.
Het eventueel ontbreken van verzuim bij [gedaagde 2] staat aan toewijzing van de vordering van [eiser] niet in de weg. [eiser] vordert van [gedaagde 2] nakoming van zijn betalingsverplichting op grond van de Borgstelling. Die betalingsverplichting ontstaat zodra [gedaagde 1] tekort is geschoten onder de Leningsovereenkomst (artikel 1 van Pro de Borgstelling). Dat [gedaagde 1] tekort is geschoten onder de Leningsovereenkomst is niet in geschil, zoals overwogen in r.o. 4.1. De vordering tot nakoming op grond van de Borgstelling op [gedaagde 2] is daarmee opeisbaar en daarvan kan [eiser] in rechte nakoming vorderen. Daarvoor is geen verzuim bij [gedaagde 2] vereist.
Hoofdsom
4.14.
Conclusie van het voorgaande is dat [gedaagde 2] op grond van de Borgstelling door [eiser] kan worden aangesproken voor terugbetaling van het uitstaande bedrag onder de Leningsovereenkomst. Dat bedrag bestaat uit het leningsbedrag van € 100.000 en de rente over 2023 en 2024.
4.15.
Ter zitting heeft [eiser] aangevoerd dat hij niet langer de rente over 2023 en 2024 vordert maar die over 2024 en 2025. Dat is een wijziging van eis, nu daarmee de grondslag van de vordering verandert. Die eiswijziging heeft [eiser] niet op schrift gesteld dan wel betekend (conform art. 130 lid 1 en Pro lid 3 van het wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (hierna: Rv)), zodat de rechtbank uitgaat van het gevorderde in de dagvaarding.
4.16.
In de dagvaarding vordert [eiser] aan verschuldigde rente over 2023 en 2024 tweemaal een bedrag van € 8.000. [gedaagde 2] heeft dit bedrag betwist en aangevoerd dat voor 2023 alleen rente is verschuldigd over de periode van 27 november 2023 (de datum van ontvangst van de lening) tot en met 31 december 2023 voor een bedrag van € 745,21. Ter zitting heeft [eiser] erkend dat het gevorderde bedrag aan rente over 2023 niet juist is. De hoogte van de verschuldigde rente over 2024 is door [gedaagde 2] niet betwist. De rechtbank zal daarom een bedrag van € 8.745,21 aan rente over 2023 en 2024 toewijzen, wat leidt tot toewijzing van een hoofdsom van € 108.745,21.
Verstek [gedaagde 1]
4.17.
[gedaagde 1] is niet verschenen en tegen haar is verstek verleend. [gedaagde 2] heeft wel verweer gevoerd. Als gevolg daarvan is op grond van art. 140 lid 1 en Pro lid 3 Rv tussen [gedaagde 2] en [eiser] voortgeprocedeerd en wordt één vonnis op tegenspraak gewezen tussen alle partijen.
4.18.
Artikel 139 Rv Pro bepaalt dat ingeval van verstekverlening de vordering van eiser wordt toegewezen, tenzij deze de rechter onrechtmatig of ongegrond voorkomt. De vordering van [eiser] tegen [gedaagde 1] komt de rechtbank niet ongegrond of onrechtmatig voor. Daarbij neemt de rechtbank wel in aanmerking dat [eiser] ter zitting heeft erkend dat de gevorderde rente over 2023 niet juist is en heeft verklaard dat het zijn bedoeling is dat beide gedaagden hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van hetzelfde bedrag. De rechtbank zal [gedaagde 1] en [gedaagde 2] daarom hoofdelijk veroordelen tot betaling van de hoofdsom zoals overwogen in r.o. 4.16 hiervoor.
Rente
4.19.
[eiser] heeft de wettelijke rente gevorderd over de toegewezen hoofdsom vanaf datum vonnis. De rechtbank zal de rente toewijzen vanaf die datum.
Proceskosten
4.20.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten betalen. Ook hier worden [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten veroordeeld, zoals gevorderd. Die proceskosten worden wel gesplitst omdat [gedaagde 1] niet is verschenen in de procedure en daarom de kosten van de mondelinge behandeling niet hoeft te betalen. Dat betekent dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van de volgende proceskosten van [eiser] :
- kosten van de dagvaarding
149,02
- griffierecht
2.723
- salaris advocaat
2.051
(1 punt × € 2.051)
- nakosten
189
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
5.112,02
4.21.
[gedaagde 2] wordt verder veroordeeld tot betaling van de kosten voor salaris advocaat voor de mondelinge behandeling van € 2.051 (1 punt).
4.22.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 108.745,21, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag met ingang van 25 februari 2026, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 5.112,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten onder 5.2 als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
veroordeelt [gedaagde 2] in de overige proceskosten van € 2.051,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.F. van Schendel en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.