Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:2268

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
C/13/765226/HA RK 25-62
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:174 lid 1 BWArt. 4:7 lid 1 BWArt. 4:7 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot verkoop woning ter afwikkeling nalatenschap wegens geschil mede-eigenaar

De vereffenaar van de nalatenschap van de overleden erflaatster verzoekt de rechtbank om machtiging tot verkoop van de woning die voor de helft in de nalatenschap valt. De mede-eigenaar, erflaatsters zus, weigert medewerking, waardoor de afwikkeling van de nalatenschap wordt belemmerd.

De woning is gezamenlijk eigendom van de nalatenschap en de zus. De rechtbank stelt vast dat het verblijvingsbeding en het legaat in het testament niet leiden tot automatisch eigendom van de woning door de zus, maar dat het aandeel van de erflaatster onderdeel is van de nalatenschap. De schulden aan de kinderen van de overleden echtgenoot zijn hoger dan het banksaldo, waardoor verkoop van de woning noodzakelijk is.

De rechtbank oordeelt dat er gewichtige redenen zijn voor verkoop, mede vanwege het verval van de woning en het belang van snelle afwikkeling. De vereffenaar wordt gemachtigd om zelfstandig de woning en inboedel te gelde te maken. De kosten van verkoop en procedure komen voor rekening van de nalatenschap. De zus moet nog beslissen over aanvaarding of verwerping van de nalatenschap.

Uitkomst: De rechtbank machtigt de vereffenaar tot verkoop van de woning en inboedel om de nalatenschap af te wikkelen.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer / rekestnummer: C/13/765226 / HA RK 25-62
Beschikking van 19 februari 2026
in de zaak van
[notaris],
in hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van [verzoeker / erflaatster] ,
te [vestigingsplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen:
[notaris],
advocaat: mr. J.P. den Besten,
en
[belanghebbende],
te [woonplaats] ,
belanghebbende partij,
hierna te noemen:
[belanghebbende].

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, ingekomen op de griffie van de afdeling kantonzaken van de rechtbank Amsterdam op 10 februari 2025,
- de verwijzingsbeslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 24 februari 2025, waarbij het verzoek is doorverwezen naar de kamer voor andere zaken dan kantonzaken (handelszaken) van de rechtbank Amsterdam,
- het gewijzigde verzoekschrift van 18 maart 2025,
- de tussenbeschikking van 30 oktober 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald, en
- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 22 januari 2026.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Op 27 juli 2019 is [verzoeker / erflaatster] (hierna: erflaatster) overleden. Erflaatster had een zus, [naam zus] , en een broer, [naam broer] . Erflaatster is in algehele gemeenschap van goederen gehuwd geweest met [naam] (hierna: [naam] ). [naam] had zes kinderen uit een eerder huwelijk. Van deze zes kinderen is een kind vooroverleden.
2.2.
Op 5 november 1991 hebben [verzoeker / erflaatster] , erflaatster en hun broer de woning te [adres] (hierna: de woning) geschonken gekregen. Zij werden toen gezamenlijk gerechtigd tot de woning.
2.3.
Bij akte op 31 mei 2000 heeft [naam broer] zijn aandeel in de woning overgedragen aan de beide zussen [naam zus] , ieder voor de helft. In deze akte van verdeling is de volgende bepaling opgenomen:
Verblijvensbeding
Tenslotte verklaarden mevrouw [belanghebbende] en mevrouw [verzoeker / erflaatster] , beiden voornoemd:
1. het huis verblijft om niet aan de langstlevende van hen, onder de voorwaarde dat deze laatste de ander meer dan dertig dagen zal overleven en onder de verplichting om de op het huis betrekking hebbende schulden voor het geheel als eigen schulden te voldoen.”(…)
2.4.
Op 16 december 2001 is [naam] overleden. Op de nalatenschap van [naam] was de ouderlijke boedelverdeling van toepassing. Daardoor heeft erflaatster alle goederen van [naam] geërfd, en kregen de [kinderen] ieder een geldvordering op erflaatster. Deze geldvorderingen zijn vastgelegd in een notariële akte op 29 augustus 2003.
2.5.
Bij haar overlijden was erflaatster ongehuwd en was zij niet geregistreerd als partner. Erflaatster heeft voor het laatst over haar nalatenschap beschikt bij testament verleden op 22 oktober 2003. In dit testament heeft erflaatster [naam zus] en [naam broer] tot haar enige erfgenamen benoemd. Als [naam zus] en [naam broer] de nalatenschap niet willen of kunnen aanvaarden heeft erflaatster de vijf [kinderen] tot haar erfgenamen benoemd. In het testament van erflaatster is daarnaast de volgende bepaling opgenomen:
Legaat
3.1
Ik legateer niet vrij van rechten en kosten, wat de geldlegaten betreft zonder bijberekening van rente, aan:
a. mevrouw [belanghebbende] , voornoemd, mijn aandeel in het woonhuis met schuur, verdere opstallen, erf en tuin, plaatselijk bekend [adres] ;”(…)
2.6.
Na het overlijden van erflaatster is [notaris] verzocht om een verklaring van erfrecht op te maken. [naam broer] was op 6 september 2017 overleden zodat [naam zus] in principe enig erfgenaam is van erflaatster. [notaris] heeft daarom op 9 augustus 2019 contact opgenomen met [naam zus] .
2.7.
In de periode van 9 augustus 2019 tot 26 oktober 2021 hebben [notaris] en [naam zus] gecorrespondeerd over (aanvaarding van) de nalatenschap van erflaatster. Deze correspondentie heeft er niet toe geleid dat [naam zus] de nalatenschap van erflaatster heeft aanvaard of heeft verworpen.
2.8.
Op 24 februari 2022 heeft deze rechtbank, op verzoek van de staat, [notaris] benoemd als vereffenaar in de nalatenschap van erflaatster omdat [naam zus] de nalatenschap onbeheerd liet. [notaris] heeft vervolgens een boedelbeschrijving opgemaakt van de nalatenschap van erflaatster. Daaruit blijkt dat tot de nalatenschap behoort: de onverdeelde helft van de woning, een banksaldo van € 16.047,87, de schulden aan de [kinderen] tezamen groot € 87.940,00, en de schulden in verband met de vereffening van de nalatenschap, groot € 14.790,00.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[notaris] verzoekt de rechtbank om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking:
- [notaris] te machtigen, om mede namens [verzoeker / erflaatster] , de woning te gelde te maken met alles wat daartoe nodig en noodzakelijk is;
- [notaris] te machtigen, om mede namens [verzoeker / erflaatster] , de zich in de woning bevindende inboedel te gelde te maken dan wel om deze af te voeren, met alles wat daartoe nodig en noodzakelijk is; en
- [verzoeker / erflaatster] te veroordelen in de kosten van deze procedure.
3.2.
[notaris] legt het volgende aan zijn verzoek ten grondslag. Een deelgenoot in een eenvoudige gemeenschap kan de rechter verzoeken om gemachtigd te worden om een gemeenschappelijk goed te gelde te maken als daarvoor een gewichtige reden bestaat. Dit laatste is het geval omdat de woning in verval raakt en de helft van de opbrengst van de woning (het aandeel van erflaatster) nodig is om de schuldeisers van de nalatenschap van erflaatster te betalen.
3.3.
[naam zus] heeft geen verweer gevoerd en is niet bij de mondelinge behandeling verschenen. Wel heeft zij brieven gestuurd aan de rechtbank. Deze brieven maken geen deel uit van het procesdossier omdat deze niet zijn ingediend door een advocaat.

4.De beoordeling

4.1.
De rechtbank heeft uit de stukken bij het verzoekschrift opgemaakt dat bij [naam zus] een onjuiste voorstelling van zaken bestaat over de afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster in verband met de eigendom van de woning en de schulden aan de [kinderen] . Alvorens te beslissen op het verzoek van [notaris] zal de rechtbank ingaan op de status van de woning in relatie tot de nalatenschap en de positie van de [kinderen] .
Het eigendom van de woning
4.2.
Uit de correspondentie tussen [notaris] en [naam zus] (zie hiervoor onder 2.7) blijkt dat [naam zus] ten onrechte in de veronderstelling verkeert dat zij na het overlijden van erflaatster als enige eigenaar is van de woning. Die onjuiste veronderstelling is mede het gevolg van informatie die zij heeft gekregen van [notaris] . [notaris] heeft [naam zus] desgevraagd meermaals schriftelijk bevestigd dat zij als gevolg van het verblijvingsbeding in de akte van 31 mei 2000 (zie hiervoor onder 2.3) na het overlijden van erflaatster automatisch eigenaar van de woning was geworden.
4.3.
Het verblijvensbeding in de akte van 31 mei 2000 leidt er echter niet toe dat [naam zus] automatisch enig eigenaar van de woning is. Het aandeel van erflaatster in de woning valt in de nalatenschap van erflaatster en het verblijvensbeding wordt door de wet aangemerkt als een legaat. Een legaat zorgt ervoor dat een persoon, in dit geval [naam zus] , aanspraak krijgt op een specifiek goed (het aandeel van erflaatster in de woning) van de nalatenschap. Ook het testament van erflaatster bevat een legaat ten behoeve van [naam zus] dat ziet op de woning (zie hiervoor onder 2.5). Dit legaat heeft dezelfde strekking als het verblijvensbeding en de uitkomst van beide bepalingen is hetzelfde.
Het legaat en de voreringen van de [kinderen]
4.4.
Een legaat moet worden gezien als een ‘schuld’ van de nalatenschap. De wet bepaalt wat schulden van de nalatenschap zijn en in welke volgorde deze schulden moeten worden voldaan. Legaten, en bepalingen die moeten worden aangemerkt als een legaat, worden pas voldaan als
alle andereschulden zijn betaald. Dat volgt uit artikel 4:7 lid 1 en Pro 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Andere schulden van de nalatenschap die in rang voorgaan op het legaat zijn de vorderingen van de [kinderen] .
4.5.
De vorderingen die ieder van de [kinderen] heeft op de nalatenschap van erflaatster zijn vastgesteld in een notariële akte op 29 augustus 2003. Daarin is bepaald dat ieder van de [kinderen] recht had op € 10.485,00. In totaal hadden de [kinderen] bij overlijden van [naam] dus een vordering op erflaatster van 5 x € 10.485,00 = € 52.425,00. In de akte waarin de vorderingen zijn vastgesteld is daarnaast bepaald dat erflaatster aan de [kinderen] rente moest betalen over deze geldvorderingen. In de akte van 29 augustus 2003 staat het volgende:
Rente
De vorderingen dragen een niet samengestelde rente, welke gelijk is aan de wettelijke rente vanaf de dag van overlijden tot die der betaling.”
Deze rente komt in meerdering op de vorderingen van de [kinderen] en ziet op de periode van 16 december 2001 (de dag van overlijden van [naam] ) tot 27 juli 2019 (overlijden erflaatster). De vorderingen van de [kinderen] zijn daarom inmiddels opgelopen tot € 17.588,00 per kind. In totaal is de schuld van de nalatenschap van erflaatster aan de [kinderen] dus € 87.940,00.
4.6.
Tot de nalatenschap behoort een banksaldo van € 16.047,87. Dat is niet genoeg om de [kinderen] te kunnen betalen. Als er niet genoeg geld tot de nalatenschap behoort om de schulden te voldoen, moeten er goederen van de nalatenschap worden verkocht. Het is de taak van de vereffenaar - [notaris] - om dat te doen. De wet bepaalt dat de vereffenaar dat zo veel mogelijk moet doen
zonderaan de goederen te komen die met een legaat zijn belast. Alleen als het niet anders kan mag de vereffenaar ook de gelegateerde goederen te gelde maken. Aangezien in de onderhavige casus, naast het saldo op de bankrekening, de helft van de woning het enige goed is wat in de nalatenschap valt, zal deze verkocht moeten worden teneinde de schuldeisers te kunnen voldoen.
De verkoop van de woning
4.7.
Uit het voorgaande blijkt dat het aandeel van erflaatster in de woning onderdeel is van de nalatenschap. Dat betekent dat de nalatenschap van erflaatster en [naam zus] samen gerechtigd zijn tot de woning, ieder voor de helft. [naam zus] en de vertegenwoordiger van de nalatenschap - [notaris] - zijn daarom samen bevoegd zijn om over de woning te beschikken.
4.8.
Een van de gerechtigden tot de woning kan op grond van de wet de rechtbank verzoeken om alleen te mogen beschikken over de woning. Hij/zij is dan bevoegd om zonder instemming van de andere gerechtigden, het huis te verkopen. Dit mag alleen als daar gewichtige redenen voor zijn. [notaris] heeft de rechtbank verzocht om deze machtiging aan hem te verlenen als vertegenwoordiger van de nalatenschap. Volgens [notaris] zijn er geen mogelijkheden om de schuldeisers van de nalatenschap te voldoen zonder dat de woning wordt verkocht en [naam zus] is niet bereid gebleken daaraan haar medewerking te geven. De woning is daarnaast in verval geraakt en zorgt op dit moment voor overlast voor omwonenden.
4.9.
De rechtbank stelt vast er inderdaad gewichtige redenen zijn voor verkoop van de woning. Gelet op de gang van zaken sinds het overlijden van erflaatster en de tijd die sindsdien is verstreken acht de rechtbank het noodzakelijk dat de nalatenschap op korte termijn wordt afgewikkeld. Dit is niet mogelijk zonder dat (de onverdeelde helft van) de woning wordt verkocht. Daarnaast is niet komen vast te staan dat [naam zus] de afgelopen jaren inspanningen heeft geleverd om de woning te onderhouden en de woning (mede) daardoor in verval is geraakt. De rechtbank zal [notaris] daarom machtigen om zelfstandig tot verkoop van de woning over te kunnen gaan.
4.10.
Het voorgaande geldt ook voor de inboedel die nog aanwezig is in de woning omdat verwijdering van de inboedel noodzakelijk is voor het verkopen van de woning. [notaris] heeft verder aangevoerd dat als hij de inboedel niet mag verkopen, deze opgeslagen moet worden, met alle kosten van dien. Ook ten aanzien van dit onderwerp is het niet de verwachting dat [notaris] en [naam zus] constructief tot een oplossing zullen komen, zodat het verzoek tot verkoop en afvoer daarvan zal worden toegewezen.
Verdeling van de opbrengst van de verkoop en de keuze die [naam zus] nog moet maken
4.11.
Na de verkoop van de woning is in ieder geval de helft van de verkoopopbrengst daarvan voor [naam zus] . De andere helft van de verkoopopbrengst valt in de nalatenschap. Dat betekent dat van die helft de schulden van de nalatenschap moeten worden betaald in de volgorde van artikel 4:7 BW Pro. Het geld dat daarna overblijft komt dan toe aan de erfgenaam/erfgenamen van erflaatster. Op dit moment is nog niet duidelijk wie de erfgenaam is van erflaatster omdat [naam zus] zich daar nog niet over heeft uitgelaten.
4.12.
Het uitgangspunt is dat erflaatster [naam zus] heeft benoemd tot enig erfgenaam. [naam zus] heeft nog niet laten weten of zij ook erfgenaam wil zijn. Zij moet [notaris] hierover informeren en kenbaar maken op welke wijze zij de nalatenschap wel of niet aanvaardt. Voor [naam zus] zijn er drie keuzes; zuivere of beneficiaire aanvaarding of het verwerpen van de nalatenschap:
Bij zuivere aanvaarding aanvaardt de erfgenaam de nalatenschap inclusief de schulden. Dat betekent dat als de nalatenschap negatief is (meer schulden dan tegoeden), de erfgenaam die schulden in privé moet betalen.
Als de nalatenschap beneficiair wordt aanvaard hoeft de erfgenaam, indien na verkoop van de tegoeden er onvoldoende is om de schulden te voldoen, de resterende schulden niet te betalen.
Bij verwerping krijgt de erfgenaam niets. In het geval van [naam zus] zou dit betekenen dat het deel van de nalatenschap dat overblijft na betaling van de schulden toekomt aan de [kinderen] , ieder voor 1/5e deel.
4.13.
[notaris] heeft ter zitting aangegeven dat hij contact op zal nemen met [naam zus] en haar zal vragen welke van de drie mogelijkheden zij kiest.
Kosten verkoop van de woning en deze procedure
4.14.
De kosten verbonden aan de verkoop van de woning en de inboedel (makelaar, notaris, etc.) komen voor rekening van de nalatenschap van erflaatster. De noodzaak tot verkoop van de woning komt immers voort uit de schulden van de nalatenschap. Om deze reden bepaalt de rechtbank dat ook de kosten van de onderhavige procedure voor rekening van de nalatenschap komen. Het verzoek van [notaris] tot veroordeling van [naam zus] in de kosten van dit geschil, wijst de rechtbank daarom af.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
machtigt [notaris] op grond van artikel 3:174 lid 1 BW Pro tot het te gelde maken van de woning, staande en gelegen te [adres] , alsmede de in de woning aanwezige inboedel,
5.2.
machtigt [notaris] daartoe:
- tot het aanstellen van een makelaar en daartoe een overeenkomst van opdracht tot verkoopbemiddeling te sluiten, bij voorkeur Majoor & Klumper Makelaars en Taxateurs te Zutphen;
- tot het tekenen van de verkoopopdrachten en het tekenen van de koopovereenkomst, en alle (andere) door de bij de verkoop betrokken notaris op te stellen akten, waaronder in ieder geval begrepen de leveringsakte en alle andere voorkomende handelingen die betrekking hebben op de verkoop van de woning en inboedel;
- tot het laten afvoeren van inboedel die niet kan worden verkocht.
- de actuele verkoop- en laatprijs door de makelaar te laten vaststellen;
5.3.
bepaalt dat de kosten van de verkoop en ontruiming van de woning en de verkoop van de inboedel en de kosten van dit geding voor rekening zullen komen van de nalatenschap van erflaatster;
5.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad en
5.5.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. Voetelink, rechter, bijgestaan door mr. H. van Nieuwenhuizen-van Cadsand, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2026.