ECLI:NL:RBAMS:2026:2247

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
11875315 \ CV EXPL 25-12466
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119a BWArt. 29a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling achterstallige facturen fysiotherapeutische werkzaamheden toegewezen

Eiser heeft als fysiotherapeut in opdracht van gedaagde werkzaamheden verricht en vordert betaling van vijf openstaande facturen over de periode maart tot en met september 2024. Gedaagde betwist betaling en stelt dat eiser tekort is geschoten in zijn administratieve verplichtingen, waardoor opschorting gerechtvaardigd zou zijn.

De kantonrechter oordeelt dat gedaagde onvoldoende heeft onderbouwd dat er sprake is van een tekortkoming die betaling kan opschorten. De facturen zijn grotendeels betaald, en gedaagde heeft pas na beëindiging van de overeenkomst klachten geuit zonder concrete aanwijzingen. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat gedaagde schade heeft geleden door de vermeende tekortkoming.

Eiser heeft daarnaast recht op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten conform het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter wijst de vordering tot betaling van de facturen, de incassokosten en proceskosten toe en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad. De reconventionele vorderingen van gedaagde worden afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van vijf openstaande facturen, incassokosten en proceskosten, terwijl zijn reconventionele vorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11875315 \ CV EXPL 25-12466
Proces-verbaal van de mondelinge behandeling en mondelinge uitspraak van 20 februari 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats 1] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
gemachtigde: mr. M. Kluft,
tegen
[gedaagde],
handelend onder de naam [handelsnaam] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
gemachtigde: mr. R. Aolad Si Mhammad.
Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.
De zitting wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Amsterdam.
De zaak wordt behandeld door mr. S.P. Pompe, kantonrechter, bijgestaan door mr. Z.A. Mees, griffier.
Aanwezig zijn:
- [eiser] ,
- mr. Kluft,
- [gedaagde] ,
- mr. Aolad Si Mhammad.
De volgende stukken zijn op de zitting aan het procesdossier toegevoegd:
- de conclusie van dupliek (in reconventie) van [eiser] , met producties 7 t/m 11;
- producties 8 en 9 van [gedaagde] ,
- de spreekaantekeningen van de raadsman van [gedaagde] .
[eiser] heeft bezwaar gemaakt tegen de aanvullende productie 10 die [gedaagde] op 19 februari 2026 heeft ingediend. [eiser] heeft deze productie niet ontvangen en dus ook niet met zijn raadsman kunnen bespreken. De kantonrechter heeft deze productie geweigerd omdat deze te laat is ingediend.
Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. Mr. Aolad Si Mhammad heeft spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen.
Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de kantonrechter op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan. Daarvan is op grond van artikel 29a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dit proces-verbaal opgemaakt.
De kantonrechter heeft de volgende uitspraak gedaan.

1.De beoordeling

in conventie
1.1.
De vraag is of [gedaagde] een vijftal openstaande facturen van [eiser] moet betalen. Deze facturen zien op werkzaamheden die [eiser] in opdracht van [gedaagde] heeft verricht in de periode maart tot en met september 2024. De rechtbank komt tot de conclusie dat [gedaagde] de facturen moet betalen, vermeerderd met de wettelijke handelsrente zoals gevorderd. Daarvoor is het volgende redengevend.
1.2.
[eiser] heeft gewerkt op basis van een overeenkomst van opdracht. Deze is in zeer algemene bewoordingen opgesteld en behelst niet meer dan dat hij de volgende werkzaamheden zal verrichten: fysiotherapie, coaching en training. De opdracht zal hij volgens de overeenkomst naar eigen inzicht uitvoeren, in elk geval naar behoren, met goede inzet en met gebruikmaking van zijn specifieke kennis en inzicht. Wel kan opdrachtgever aanwijzingen en instructies geven omtrent het resultaat van de opdracht.
1.3.
Vaststaat dat [eiser] heeft gewerkt en daarvoor facturen heeft verzonden. Die facturen zijn betaald, behoudens de laatste vijf die zijn verzonden nadat [gedaagde] de overeenkomst per 18 december 2024 al had opgezegd.
1.4.
[gedaagde] meent dat hij die facturen niet hoeft te betalen en beroept zich op opschorting. Dat beroep gaat niet op. [gedaagde] heeft onvoldoende onderbouwd dat hij een opeisbare vordering op [eiser] heeft die maakt dat hij zijn verplichting om voor de werkzaamheden van [eiser] te betalen kan opschorten. [gedaagde] stelt wel dat [eiser] tekort is geschoten in de nakoming van zijn administratieve verplichtingen maar onderbouwt dit onvoldoende. Volgens hem voldoen de dossiers van [eiser] niet aan allerlei geldende wet- en regelgeving, maar [gedaagde] legt niet concreet uit wat precies aan die dossiers schort. Dat had wel op zijn weg gelegen. [gedaagde] kan niet volstaan met stellen dat de dossiers van [eiser] niet voldoen, zonder duidelijk te maken waar het dan om gaat. Daarbij komt dat [eiser] gemotiveerd betwist dat zijn dossiers niet goed zijn ingericht; volgens hem heeft hij voldaan aan de richtlijnen waarop [gedaagde] hem – overigens pas na het sluiten van de overeenkomst – heeft gewezen. Verder is van belang dat in de overeenkomst van opdracht geen specifieke verplichtingen voor [eiser] op het gebied van dossiervorming zijn opgenomen. [gedaagde] heeft de facturen van [eiser] ook steeds betaald, dit terwijl hij naar eigen zeggen zag dat de dossiers niet in orde waren. Uit niets blijkt dat hij [eiser] daar eerder op heeft aangesproken. Daarmee heeft [gedaagde] het vertrouwen gewekt dat de wijze van vastleggen van de behandelingen niet aan betaling van de facturen van [eiser] in de weg stond. Pas na het eindigen van de samenwerking, toen de facturen al openstonden en [eiser] aanspraak maakte op betaling heeft [gedaagde] voor het eerst in vage bewoordingen geklaagd.
1.5.
Verder onderbouwt [gedaagde] volstrekt niet dat hij door toedoen van die beweerde tekortkoming schade heeft geleden of dreigt te lijden. In tegendeel: vaststaat dat [gedaagde] de werkzaamheden van [eiser] gewoon bij de verzekeraar heeft gedeclareerd en daarvoor een vergoeding heeft ontvangen. Dat hij een risico loopt op terugvordering heeft hij onvoldoende onderbouwd. Bij die stand van zaken kan hij zich ook niet op verrekening beroepen.
1.6.
[eiser] vordert ook vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Het gevorderde bedrag van € 879,98 is in lijn met het Besluit en zal worden toegewezen.
1.7.
[eiser] heeft gevorderd om de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, wat inhoudt dat dit vonnis meteen kan worden uitgevoerd zonder dat [eiser] een eventueel hoger beroep hoeft af te wachten. [gedaagde] heeft verzocht dit verzoek af te wijzen omdat hij tegen een toewijzend vonnis hoger beroep zal instellen en er volgens hem een reëel restitutierisico bestaat. De kantonrechter gaat hier niet in mee en wijst de uitvoerbaarheid bij voorraad toe. [gedaagde] heeft het restitutierisico niet onderbouwd en de belangen van [eiser] wegen hier zwaarder dan die van [gedaagde] .
in reconventie
1.8.
De reconventionele vorderingen van [gedaagde] zullen worden afgewezen. Uit het voorgaande volgt dat de beweerde tekortkoming van [eiser] niet is onderbouwd. De kantonrechter acht het verder onbegrijpelijk dat [eiser] op enige wijze onrechtmatig jegens [gedaagde] zou hebben gehandeld. Dat [gedaagde] door toedoen van [eiser] schade heeft geleden of dreigt te lijden is niet aannemelijk gemaakt, dus voor verwijzing naar een schadestaatprocedure bestaat geen aanleiding.
proceskosten
1.9.
In conventie en in reconventie is [gedaagde] in het ongelijk gesteld. [gedaagde] moet daarom de proceskosten van [eiser] betalen. Deze kosten worden in conventie vastgesteld op:
- kosten van de dagvaarding
149,71
- griffierecht
257,00
- nakosten
144,00
- salaris gemachtigde
864,00
(2 punten × € 432)
Totaal
1.414,71
en in reconventie op:
€ 432,00 aan salaris gemachtigde (2 punten x € 432,00 x 0,5).

2.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
2.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 11.198,23, vermeerderd met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over
€ 10.497,57 vanaf 1 augustus 2025 tot aan de dag van algehele voldoening,
2.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 879,98 aan buitengerechtelijke kosten,
2.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.414,71, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
2.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
2.5.
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
2.6.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 432,00.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. S.P. Pompe en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de kantonrechter.