6.3.De rechtbank zal hierna nog wel beoordelen of de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat hij de WOZ-waarde van de woning niet te hoog heeft vastgesteld. Afhankelijk daarvan zullen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit al dan niet in stand gelaten worden.
7. De WOZ-waarde van de woning is de waarde in het economisch verkeer. Dat is de prijs die bij verkoop op de voor die woning meest geschikte wijze en na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde voor die woning zou zijn betaald.De waarde wordt bepaald door middel van de vergelijkingsmethode. Dit houdt in dat de waarde van de woning wordt vastgesteld aan de hand van een vergelijking met de verkoopopbrengst van woningen die rondom de waardepeildatum zijn verkocht en voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De vergelijkingsobjecten hoeven dus niet identiek te zijn aan de woning. Wel moet de heffingsambtenaar inzichtelijk maken op welke manier hij met de onderlinge verschillen rekening heeft gehouden.
8. De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarde van de woning op de waardepeildatum niet te hoog heeft vastgesteld (de bewijslast). Bij de beoordeling of dit het geval is, moet de rechtbank beoordelen of de vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar zijn met de woning van eiseres, en zo ja, of de heffingsambtenaar voldoende rekening heeft gehouden met de verschillen tussen de vergelijkingsobjecten en de woning.
9. Pas als de heffingsambtenaar niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, komt de rechtbank toe aan de vraag of eiseres de door haar verdedigde waarde aannemelijk heeft gemaakt. Als ook dat laatste niet het geval is, kan de rechtbank schattenderwijs zelf tot een vaststelling van de in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ bedoelde waarde komen.
Heeft de heffingsambtenaar de waarde aannemelijk gemaakt?
10. Om de waarde van de woning te onderbouwen heeft de heffingsambtenaar een taxatiematrix overgelegd, waarin de woning wordt vergeleken met drie verkopen in [plaats] , te weten:
- [adres 2] verkocht op 5 augustus 2024 voor € 1.230.088,-;
- [adres 3] verkocht op 1 oktober 2024 voor € 1.200.054,-; en
- [adres 4] verkocht op 2 juli 2024 voor € 1.995.00,-.
11. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de taxatiematrix en de toelichting daarop ter zitting aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. Het is niet vereist dat de vergelijkingsobjecten (vrijwel) identiek zijn aan de woning; zij dienen om transactiewaarden te vergelijken en aan de hand daarvan de (vastgestelde) waarde van de woning te bepalen en onderbouwen. Alle drie de vergelijkingsobjecten zijn niet te ver van de waardepeildatum verkocht en qua soort, bouwjaar, oppervlakte en uitstraling voldoende vergelijkbaar met de woning. Vergelijkingsobjecten 1 en 2 liggen in dezelfde straat en zijn daarom qua ligging bijzonder goed vergelijkbaar. Vergelijkingsobject 3 bevindt zich weliswaar in een andere buurt ( [wijk] ), maar dat maakt het object in dit geval niet ongeschikt als referentie. Met de taxatiematrix maakt de heffingsambtenaar bovendien aannemelijk dat bij de waardebepaling in voldoende mate rekening is gehouden met de verschillen tussen de vergelijkingsobjecten en de woning. De taxatiematrix maakt ook inzichtelijk dat de woningwaarde per m2 van de woning lager is dan de gemiddelde m2-prijs van de gehanteerde vergelijkingsobjecten. Gelet op het geheel van omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De heffingsambtenaar heeft de vergelijkingsobjecten dan ook kunnen gebruiken voor de waardering van de woning. Wat eiseres in beroep aanvoert, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.
12. Eiseres doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Daartoe heeft zij – in het kort – aangevoerd dat de waarde van de woning aanzienlijk hoger is vastgesteld dan die van twee nagenoeg identieke woningen in dezelfde straat. Het gaat om de woningen aan de [adres 5] en [adres 6] , die wat betreft oppervlakte, bouwjaar en bouwkenmerken gelijk zijn aan haar woning. Volgens eiseres is bij die woningen sprake van een begunstigend beleid, zonder dat daarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. De WOZ-waarde van de woning moet volgens eiseres daarom worden vastgesteld op € 1.421.000.- (de laagst vastgestelde waarde van de twee aangehaalde woningen).