ECLI:NL:RBAMS:2026:2220

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
13-340615-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 SrArt. 300 SrArt. 311 SrArt. 2 OpiumwetArt. 10 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel voor mishandeling, poging diefstal en opiumwetdelicten

De rechtbank Amsterdam behandelde op 25 februari 2026 het verzoek tot overlevering van een Poolse verdachte op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Poolse autoriteiten. Het EAB betreft een verzamelvonnis en twee afzonderlijke vonnissen met een resterende gevangenisstraf van ruim tweeënhalf jaar.

De verdediging voerde aan dat overlevering geweigerd moet worden vanwege het ontbreken van aanwezigheid van de gemachtigde advocaat bij een zitting en verzocht subsidiair om aanhouding voor nadere informatie. De officier van justitie stelde dat de verdachte in persoon was opgeroepen en dat de advocaat wel degelijk zijn verdediging voerde, zodat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro niet van toepassing is.

De rechtbank oordeelde dat de verdachte daadwerkelijk in persoon was opgeroepen voor de zittingen die tot de vonnissen hebben geleid, en dat de advocaat de verdediging heeft gevoerd, ondanks afwezigheid bij de uitspraakzitting. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro is daarom niet van toepassing. Tevens is voldaan aan de dubbele strafbaarheidsvereisten voor mishandeling, poging tot diefstal en opiumwetdelicten.

De rechtbank concludeerde dat het EAB aan alle wettelijke eisen voldoet en geen beletselen bestaan voor overlevering. De overlevering wordt daarom toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte toe voor de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-340615-25 (EAB 1)
Datum uitspraak: 25 februari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 17 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 26 juli 2021 door
the Circuit Court in Warszawa - Praga in Warsaw,Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats] (Polen),
van Poolse nationaliteit,
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
nu gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 11 februari 2026, in aanwezigheid van mr. N.R. Bakkenes, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.P.G. van der Weide, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een verzamelvonnis van
the District Court in Legionowovan 14 november 2019 met kenmerk II K 798/19.
Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 12 januari 2026 volgt dat aan dit verzamelvonnis ten grondslag liggen:
- een vonnis van
the District Court in Legionowovan 10 mei 2018 met kenmerk
II K 612/17;
- een vonnis van
the District Court Warsawa Praga-Poludnievan 26 juli 2016 met kenmerk III K 321/13.
De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaar en twee maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog twee jaar, zes maanden en dertien dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde verzamelvonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich ten aanzien van het verzamelvonnis van 14 november 2019 en het vonnis van 10 mei 2018 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van het vonnis van 22 juli 2016 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd omdat uit onderdeel d), zoals toegestuurd bij de aanvullende informatie van 12 januari 2026, blijkt dat de door de opgeëiste persoon gemachtigde advocaat niet ter zitting is verschenen. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden om nadere informatie, dan wel een verzetgarantie, op te vragen bij de Poolse autoriteiten.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van het verzamelvonnis van 14 november 2019 en het vonnis van 10 mei 2018 primair op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro niet van toepassing is, omdat de opgeëiste persoon in persoon is opgeroepen voor de zittingen. Voor wat betreft het verzamelvonnis van 14 november 2019 heeft de officier van justitie subsidiair het standpunt ingenomen dat kan worden afgezien van toepassing van de weigeringsgrond, omdat de opgeëiste persoon kennelijk afstand heeft gedaan van zijn verdedigingsrechten.
Ten aanzien van het vonnis van 22 juli 2016 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon vertegenwoordigd is door een gemachtigd advocaat. Uit onderdeel d), zoals toegestuurd bij de aanvullende informatie van 12 januari 2026, blijkt dat de advocaat slechts op de zitting van de uitspraak niet aanwezig is geweest.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van het verzamelvonnis vanthe District Court in Legionowovan 14 november 2019 met zaaknummer II K 798/19
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een verzamelvonnis terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid. Onderdeel d) van het originele Poolse EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon op 4
pazdziernika(de rechtbank begrijpt: oktober) 2019 in persoon is opgeroepen en gedagvaard, waarbij hij is geïnformeerd over de datum, het tijdstip en de plaats van het proces en hij erop is gewezen dat een beslissing kan worden genomen indien hij niet verschijnt. Deze datum van de oproep is niet overgenomen in de vertaling van het EAB. De rechtbank beoordeelt dit als een vergissing van de vertaler en zal de vertaling verbeterd lezen. De situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW doet zich voor, zodat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro niet van toepassing is.
Ten aanzien van het vonnis vanthe District Court in Legionowovan 10 mei 2018 met zaaknummer II K 612/17
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid. Onderdeel d) zoals toegestuurd bij aanvullende informatie van
12 januari 2026 vermeldt dat de opgeëiste persoon op 5 maart 2018 in persoon is opgeroepen en gedagvaard, waarbij hij is geïnformeerd over de datum, het tijdstip en de plaats van het proces en erop is gewezen dat een beslissing kan worden genomen indien hij niet verschijnt. De situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW doet zich dus voor, zodat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro niet van toepassing is.
Ten aanzien van het vonnis vanthe District Court in Warszawa Praga-Południe in Warsawvan 22 juli 2016 met zaaknummer III K 321/13
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Op grond van de aanvullende informatie van 12 januari 2026 en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces, een advocaat heeft gemachtigd om zijn verdediging te voeren, en dat deze advocaat tijdens het proces zijn verdediging ook daadwerkelijk heeft gevoerd. Het enkele feit dat de advocaat niet aanwezig was bij de zitting waarop de uitspraak is gedaan doet daar niet aan af. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro is daarom niet van toepassing. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

4.Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
mishandeling;
poging tot diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid, onder 4º en 5º, van het Wetboek van Strafrecht vermelde omstandigheden;
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.

5.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

6.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 45, 300 en 311 Wetboek van Strafrecht, 2 en 10 Opiumwet en 2, 5 en 7 OLW.

7.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the Circuit Court in Warszawa - Praga in Warsawvoor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 25 februari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.