ECLI:NL:RBAMS:2026:2191

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
C/13/766341 / FA RK 25-2034
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:253n BWArt. 1:251a BWArt. 1:247 BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging gezamenlijk gezag en eenhoofdig gezag moeder met nader onderzoek omgangsregeling

De rechtbank Amsterdam heeft op 24 februari 2026 een beschikking gegeven in een geschil over het gezamenlijk gezag van de ouders over hun minderjarige kind, geboren in 2023. De procedure betrof het verzoek van de vader en moeder over de gezagsuitoefening en omgangsregeling, waarbij de Raad voor de Kinderbescherming een rapport uitbracht met een advies over de situatie.

De Raad constateerde dat de ouders niet in staat zijn tot gezamenlijke gezagsuitoefening vanwege wantrouwen en communicatieproblemen, mede door de onzekerheid over de verblijfsvergunning van de vader. De vader heeft sinds april 2025 geen contact meer met het kind en er zijn zorgen over veiligheid en mogelijke ontvoering. De moeder heeft ernstige zorgen geuit en een audio-opname overlegd die haar vermoeden van misbruik van de procedure ondersteunt.

De rechtbank oordeelt dat gezamenlijk gezag niet uitvoerbaar is en niet binnen afzienbare tijd zal zijn, en wijst het verzoek van de moeder toe om haar het eenhoofdig gezag toe te kennen. De omgangsregeling wordt aangehouden voor nader onderzoek door de Raad naar veiligheid, begeleide omgang en de taalbarrière van de vader. De behandeling wordt aangehouden tot 15 juni 2026, waarna partijen kunnen reageren op het aanvullende rapport.

Uitkomst: Het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en de moeder krijgt eenhoofdig gezag; de omgangsregeling wordt aangehouden voor nader onderzoek.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rekestnummer: C/13/766341 / FA RK 25-2034 (AL/SK)
Beschikking van 24 februari 2026 betreffende geschil gezamenlijke gezagsuitoefening als bedoeld in artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek en wijziging van het gezag
in de zaak van:
[de vader] ,
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen de vader,
advocaat mr. R.H. Wormhoudt te Ruinerwold,
tegen
[de moeder] ,
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen de moeder,
advocaat mr. Z. Taspinar te Amsterdam.
Betreffende de minderjarige:
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2023 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige] ), over wie de vader en de moeder samen met het gezag zijn belast.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Amsterdam,
[locatie 1] ,
hierna te noemen: de Raad.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank heeft op 1 juli 2025 een beschikking gewezen. De inhoud van die beschikking wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd. Bij deze beschikking zijn de verzoeken in de procedures onder nummers C/13/768090 / FA RK 24/2950 en C/13/754452 / FA RK 24/4967 afgedaan en zijn de verzoeken betreffende het gezag en de omgang aangehouden en is een Raadsonderzoek gelast.
1.2.
Nadien heeft de rechtbank kennisgenomen van:
  • het rapport met advies van de Raad van 28 november 2025, ingekomen op 5 december 2025;
  • een F9-formulier van de moeder, ingekomen op 16 januari 2026.
1.3.
De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 27 januari 2026. Verschenen en gehoord zijn:
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk Arabisch;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat.
1.4.
De Raad is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Op 27 januari 2026 heeft de Raad per mailbericht laten weten niet aanwezig te zullen zijn bij de mondelinge behandeling.

2.Het Raadsrapport

2.1.
De Raad adviseert in het rapport van 28 november 2025 om de gezagskwestie
aan te houden voor 9 maandenin afwachting van het verloop van de hulpverlening en duidelijkheid omtrent de verblijfsvergunning van de vader. De Raad adviseert om ook het besluit over
de definitieve zorgregeling aan te houden voor de duur van 9 maanden. Gezien de bereidheid van ouders, adviseert de Raad de rechtbank ouders te verwijzen naar het Uniform Hulpverleningsaanbod (UHA) met een verwijzing naar het OKT of de meer specialistische jeugdzorg zoals bijvoorbeeld iHub. De Raad acht een ondertoezichtstelling niet noodzakelijk.
2.2.
De Raad voert daartoe aan, kort en zakelijk weergegeven, dat ouders op dit moment niet in staat zijn met elkaar samen te werken, te communiceren en te overleggen, omdat er veel wantrouwen tussen de ouders is. Nodig is dat ouders een manier vinden waarop zij met elkaar het ouderschap, als gescheiden ouders, kunnen voortzetten. De inzet van hulpverlening, waar beide ouders voor open staan, is noodzakelijk volgens de Raad. De verblijfsvergunning van de vader is ingetrokken en het is nog niet duidelijk of de vader deze weer zal krijgen. Hij heeft tegen de intrekking bezwaar gemaakt. Indien de IND besluit dat vader geen verblijfsvergunning in Nederland krijgt, dan acht de Raad het in het belang van [minderjarige] dat het gezag wijzigt van gezamenlijk gezag naar eenhoofdig gezag bij moeder. In dat geval raakt [minderjarige] klem en verloren, omdat ouders dan niet in staat zijn te werken aan hun onderlinge communicatie gezien de fysieke afstand en het daarom lastig zal zijn gezamenlijk te overleggen en beslissingen te nemen over [minderjarige] .
2.3.
De Raad is onvoldoende geïnformeerd om te kunnen adviseren rondom een definitieve zorgregeling. Op dit moment is er weinig basis tussen vader en [minderjarige] . Zij heeft haar vader sinds april 2025 niet gezien. Gelet op haar jonge leeftijd en het summiere contact wat er voor april 2025 is geweest kan gesteld worden dat zij nog onvoldoende de kans heeft gehad zich aan vader te hechten en een band met hem op te bouwen. De komende periode kunnen ouders in de gelegenheid gesteld worden om te werken aan hun onderlinge contact over [minderjarige] en kan begeleide omgang opgestart worden met het doel het vertrouwen van moeder in de rol van vader te vergroten, het contact tussen [minderjarige] en vader te herstellen, zicht te krijgen op de opvoedvaardigheden van vader en zicht te krijgen op de veiligheid van [minderjarige] , gelet op de angst van moeder dat vader [minderjarige] zal ontvoeren.
2.4.
Ondanks bovengenoemde lijkt [minderjarige] zich goed te ontwikkelen. Er is op dit moment geen sprake van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige] . Een zorg is wel het ontbreken van contact met vader en onduidelijkheid over haar veiligheid in het mogelijke contact met vader. Ouders zijn voldoende bereid en in staat om onder eigen verantwoordelijkheid de zorgen weg te nemen en hulpverlening te accepteren.

3.De standpunten

3.1.
De vader stelt zich op het standpunt dat de verzoeken over zowel de zorgregeling als het gezag moeten worden aangehouden. De vader is het eens met het advies van de Raad. De vader staat open voor hulpverlening om de communicatie met de moeder te verbeteren en heeft zich bereid verklaard mee te werken aan het UHA. De vader wil [minderjarige] graag zien en begrijpt dat de omgang begeleid opgebouwd moet worden. De vader betwist dat hij om een zorgregeling verzoekt voor een verblijfsrecht. De vader heeft [minderjarige] vanaf haar geboorte tot het moment dat zij voor vakantie naar [geboorteland] ging met de moeder vaak gezien. Toen [minderjarige] terug kwam naar Nederland was de vader juist in [geboorteland] . Na zijn terugkeer in Nederland heeft hij [minderjarige] minder gezien, omdat de moeder de omgang weigerde. Toen de ouders weer beter contact kregen, zag de vader [minderjarige] op maandag en vrijdag in [locatie 2] . Verder draagt de vader bij aan [minderjarige] ’s opvoeding en verzorging door het kopen van kleding, het betalen van vliegtickets en heeft hij, tot het moment dat hij zijn baan verloor, kinderalimentatie betaald. De vader mag nu gezien zijn verblijfsstatus niet werken. De vader heeft, conform de beschikking van 1 juli 2025, Humanitas benaderd om de omgang te begeleiden, maar dit bleek niet mogelijk. De vader heeft ook recent contact gezocht met iHub voor omgangsbegeleiding, maar ook zij hebben geweigerd. De vader wenst, net als de moeder, beslissingen te kunnen nemen over [minderjarige] . De vader belemmert de uitvoering van het gezag niet. De vader heeft destijds geen toestemming gegeven voor een vakantie naar [geboorteland] , omdat hij de reis onverantwoord achtte gezien [minderjarige] ’s zeer jonge leeftijd. Ook heeft de vader bij een latere reis aanvankelijk geen toestemming gegeven, omdat hij eerst in contact wilde komen met de moeder. Hoewel de communicatie tussen de ouders verstoord is, leidt dat niet tot de conclusie dat de uitvoering van het gezamenlijk gezag niet mogelijk is. Juist een verwijzing naar het UHA kan de ouders helpen hun onderlinge communicatie te verbeteren. Daarbij is de vader nog in afwachting van de beslissing van de IND op zijn bezwaar. Hij heeft goede hoop dat hij een verblijfsstatus zal krijgen en zal bij een afwijzing in beroep gaan. Het is ook daarom niet nodig om de moeder met het eenhoofdig gezag te belasten. Met een aanhouding kan de rechtbank de beslissing van de IND afwachten, kunnen ouders worden doorverwezen naar het UHA en kunnen ouders gezamenlijk uitvoering blijven geven aan het gezag.
3.2.
De moeder stelt zich primair op het standpunt dat het verzoek van de vader moet worden afgewezen. De moeder heeft het ernstige vermoeden dat de vader deze procedure is gestart om een verblijfsvergunning te verkrijgen. De vader toont geen interesse in [minderjarige] , vraagt niet om informatie en draagt niet bij aan haar opvoeding en verzorging. Eind november 2023 heeft de vader voor het eerst geïnformeerd naar [minderjarige] , terwijl zij in juni 2023 al is geboren. Hij zegt vaak kleding te hebben gekocht, maar dat is slechts eenmaal geweest na de geboorte van [minderjarige] . De vader heeft pas om omgang verzocht toen hij hoorde dat zijn verblijfsvergunning werd ingetrokken. De moeder bezit over een audio-opname waarin de vader vertelt hoe hij de moeder en [minderjarige] zal gebruiken om een verblijfsvergunning te krijgen. De moeder heeft deze toegestuurd aan de Raad. De moeder heeft behoefte aan rust. De vader heeft de moeder destijds mishandeld waardoor zij naar een Blijfgroep is gegaan en er een huisverbod werd opgelegd. Ook heeft hij spullen in huis vernield. De moeder vertrouwt hem niet. De omgangsmomenten verliepen moeizaam, waarbij deze veelal uitliepen op ruzies en de vader de moeder uitschold. De omgang is in april 2025 gestopt toen de vader tijdens een omgangsmoment in het buurthuis naar buiten ging met [minderjarige] op moment dat de moeder even een boodschap aan het halen was. De moeder denkt sindsdien dat hij daadwerkelijk tot ontvoering in staat is en heeft zelfs contact gelegd met het Centrum Internationale Kinderontvoering. Dit centrum ziet signalen die een risico vormen voor kinderontvoering. Sinds april 2025 heeft de moeder wel steeds open gestaan voor continuering van begeleide omgang. Er is echter geen hulpverlening te vinden die de begeleiding doet; de moeder heeft bewijsstukken van haar hulpvragen overgelegd.
Subsidiair stelt moeder zich op het standpunt dat het verzoek van vader moet worden aangehouden, zodat partijen worden doorverwezen naar het UHA. De moeder heeft zich tijdens de mondelinge behandeling bereid verklaard mee te werken aan de hulpverlening. De moeder blijft wel van mening dat de vader zich buiten de procedure om had kunnen aanmelden voor een hulpverleningstraject en dat opmerkelijk is dat hij dat heeft nagelaten. Ze vraagt zich af hoe graag hij het echt wil.
Ten aanzien van het zelfstandig verzoek van de moeder om haar te belasten met het eenhoofdig gezag stelt zij zich op het standpunt dat de vader geen uitvoering geeft aan zijn ouderlijk gezag. De situatie is onveranderd sinds [minderjarige] ’s geboorte. Er is geen sprake van een affectieve band tussen de vader en [minderjarige] en de vader belemmert de gezagsbeslissingen van de moeder. De moeder heeft al een aantal keer verzoeken moeten indienen voor vervangende toestemming of heeft getracht deze in te dienen, waarna de vader in sommige gevallen op het laatste moment toch toestemming heeft verleend. Ook blijft bij de moeder de angst bestaan dat de vader [minderjarige] naar [geboorteland] zal ontvoeren.

4.De beoordeling

Gezagsvoorziening
Wettelijk kader
4.1.
Uit artikel 1:253n, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) volgt dat de rechtbank op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van één van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over het kind toekomt. Uit artikel 1:253n, tweede lid, BW volgt dat het eerste en derde lid van artikel 1:251a BW van overeenkomstige toepassing zijn. Het criterium om één van de ouders met het ouderlijk gezag te belasten is op grond van artikel 1:251a BW het bestaan van een onaanvaardbaar risico dat het kind klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen dan wel dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
4.2.
De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat het uitgangspunt van de wet is dat de ouders gezamenlijk het gezag over hun kind uitoefenen. Voor gezamenlijk gezag is echter wel vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over de kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans ten minste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond hen kunnen voordoen.
Inhoudelijk
4.3.
Het is de rechtbank gebleken dat de ouders op dit moment geen gezamenlijke uitvoering geven aan het gezag over [minderjarige] , dat er tussen de ouders vrijwel geen contact meer is en dat er tussen de vader en [minderjarige] sinds april 2025 geen contact is. Met de Raad ziet de rechtbank dat de relatie tussen ouders verstoord is. De ouders zijn op dit moment niet in staat met elkaar samen te werken, te communiceren en te overleggen. De verstoorde verhouding tussen de ouders blijkt niet alleen uit het adviesrapport van de Raad, maar ook uit de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken. De ouders zijn het vertrouwen over en weer verloren, waardoor het contact tussen de vader en de moeder gepaard gaat met veel stress en spanningen. Het lukt de ouders tot op heden niet om deze spanningen in het contact zelfstandig of met behulp van hun advocaten te verminderen. Tussen de vader en de moeder lopen bovendien de lezingen over de gebeurtenissen voorafgaand en na de geboorte van [minderjarige] volledig uiteen. Deze houding van de vader, het diepe wantrouwen en de angst van de moeder, alsmede de verstoorde communicatie en uiteenlopende lezingen over de gebeurtenissen in het verleden, maken dat op dit moment niet kan worden gesproken van een gezamenlijke ouderlijke gezagsuitoefening over [minderjarige] . Daar komt nog bij dat de vader zich onvoldoende meewerkend heeft getoond in het nemen van gezagsbeslissingen voor [minderjarige] . Gebleken is dat hij tot tweemaal toe heeft geweigerd zijn toestemming te verlenen voor een vakantie van de moeder met [minderjarige] naar [geboorteland] , waardoor een gerechtelijke procedure noodzakelijk was. Daarnaast draagt de vader momenteel niet bij aan de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Enerzijds stelt de rechtbank vast dat de vader graag een vaderrol zou vervullen in het leven van [minderjarige] en zijn verantwoordelijkheid als vader op zich wenst te nemen. Anderzijds stelt de rechtbank vast dat de vader in de afgelopen periode zijn wettelijke plicht als vastgelegd in artikel 1:247, eerste lid BW, om zijn dochter (mede) te verzorgen en op te voeden niet is nagekomen. Zo draagt de vader al geruime tijd niet meer financieel bij aan de verzorging van [minderjarige] en heeft hij dit in het verleden zeer wisselend gedaan. De vader verblijft een deel van het jaar in [geboorteland] op een plek die de moeder niet kent en waarvan de moeder ook geen contactgegevens heeft. Wanneer hij in Nederland is, onderneemt hij geen pogingen om (begeleide) omgang te bewerkstelligen en informeert niet naar de ontwikkeling van [minderjarige] of toont zich anderszins belangstellend. De vader toont zich dus weinig betrokken bij zijn dochter en haar ontwikkeling. De rechtbank werpt de vader dat tegen. Het uitoefenen van gezamenlijk gezag betekent immers meer dan enkel het nemen van belangrijke beslissingen. Gezag uitoefenen betekent je verdiepen in het leven en in de ontwikkelingsfase van je kind, je laten informeren en dan – bij gezamenlijk gezag samen met de andere ouder - afgewogen gezagsbeslissingen maken in het belang van je kind. Hiervan is geen sprake.
4.4.
De rechtbank ziet niet in dat hier binnen afzienbare tijd verandering in zal komen.
Weliswaar staan beide ouders open voor hulpverlening ten aanzien van het verbeteren van de onderlinge communicatie, maar de rechtbank verwacht niet dat hulpverlening het gezamenlijk gezag op korte termijn uitvoerbaar zal maken. Een verwijzing naar het UHA, zoals de Raad voorstelt, betekent dat ouders op een wachtlijst terechtkomen. Deze wachtlijst bedraagt momenteel een jaar. Dat hulpverlening de ouders zal helpen om tot betere communicatie te komen, is dan ook niet binnen afzienbare termijn te verwachten. Verder is het zeer de vraag of hulpverlening soelaas zal bieden, gezien de volstrekt uiteenlopende visies van de ouders op alle gebeurtenissen rondom [minderjarige] en de beschuldigingen die geuit worden. Ook de veiligheidsrisico’s die de moeder noemt en de angst die zij heeft, waarvan de Raad niet heeft vastgesteld dat dit niet reëel is, maken de situatie complex. Bovendien is het verblijfsrecht van de vader nog steeds onzeker en het is ongewis of hier op korte termijn duidelijkheid over komt. Dat maakt dat het nemen van gezagsbeslissingen bij voortduring met spanningen omgeven zal blijven. De rechtbank acht dat niet in het belang van [minderjarige] . Het is voor [minderjarige] van belang dat er op korte termijn rust ontstaat in de verhouding tussen haar ouders en de communicatie zoveel mogelijk beperkt wordt. Daarbij is het ook in het belang van [minderjarige] dat gezagsbeslissingen, zoals over reizen, voortvarend kunnen worden genomen en niet blijven stuiten op belemmeringen aan de kant van de vader.
4.5.
Nu het gezamenlijk gezag niet uitvoerbaar is en ook niet binnen afzienbare tijd zal zijn, de moeder de hoofdverzorgster van [minderjarige] is en de vader naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een rol speelt in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] , zal de rechtbank de moeder belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] .
4.6.
Omdat de rechtbank het verzoek van de moeder zal toewijzen, wordt in het vervolg van de beschikking gesproken over de omgang(sregeling).
Omgangsregeling
4.7.
De rechtbank is van oordeel dat er op dit moment in de procedure nog geen antwoord gegeven kan worden op de vraag welke (voorlopige) omgangsregeling het meest in het belang van [minderjarige] is. Hiertoe moet eerst duidelijkheid zijn over de veiligheid van [minderjarige] bij de vader. Er bestaan vermoedens van huiselijk geweld. De moeder heeft bovendien gemeld dat er sprake was van scheldpartijen van de vader tijdens de omgangsmomenten en wisselend gedrag van de vader bij het nakomen van de omgangsmomenten. Ook stelt zij dat er risico is op ontvoering. De moeder heeft dan ook ernstige zorgen geuit over [minderjarige] ’s veiligheid in het bijzijn van de vader. Deze zorgen worden door de vader echter stellig weersproken. Het is de rechtbank gebleken dat de Raad de zorgen van de moeder niet uitsluit. Ook is het de rechtbank gebleken dat de zorgen van de moeder deels gebaseerd zijn op verifieerbare feiten. Zo heeft de moeder in haar gesprekken met de Raad aangegeven dat de volgens haar afgespeelde ruzie tijdens de bevalling in het ziekenhuis is opgenomen in de ziekenhuisverslagen. Hierover geeft de vader aan dat alles juist goed was verlopen, hij bij de bevalling aanwezig is geweest en dat [minderjarige] in zijn handen is geboren. Ook geeft de moeder aan de Raad een audio-opname te hebben gegeven waarin volgens de moeder de vader zou spreken over zijn plannen om een verblijfsvergunning te verkrijgen; de vader zegt dat dit gesprek een andere inhoud zou hebben. Bovendien zouden de scheldpartijen van de vader ook door derden gehoord zijn tijdens omgangsmomenten in het buurthuis en zou de vader aan de moeder vervelende berichten hebben gestuurd. De vader ontkent dit.
4.8.
De rapportage van de Raad biedt op dit moment geen uitsluitsel over de geuite zorgen, omdat de bewijsstukken die er zouden zijn niet bij het onderzoek zijn betrokken. Om de veiligheidsrisico’s goed te kunnen inschatten, acht de rechtbank het wel van belang dat dit gebeurt. De rechtbank verzoekt de Raad aanvullend onderzoek te doen en deze bewijsstukken bij het onderzoek te betrekken en ouders hierover te bevragen.
Indien de Raad tot de conclusie komt dat omgang veilig is voor [minderjarige] , dan zou deze - afhankelijk van de actuele verblijfsstatus van de vader - al dan niet in begeleide vorm op korte termijn kunnen opstarten. Ook zouden de ouders dan kunnen worden aangemeld voor het UHA, zodat met hulpverlening aan het opstarten en vormgeven van de omgang kan worden gewerkt.
In het geval begeleide omgang geadviseerd wordt, dan verzoekt de rechtbank aan de Raad om haar aanvullend voor te lichten over de praktische mogelijkheden voor begeleide omgang, gezien de taalbarrière van de vader. Begeleide omgang bij Het Opstapje kan bijvoorbeeld niet plaatsvinden als de betrokken ouder geen Nederlands spreekt. De rechtbank staat voor de vraag of en zo ja, welke alternatieven er dan zijn. Mogelijk kunnen deze in het netwerk worden gezocht. De rechtbank verzoekt de Raad ook hierover nader te adviseren.
4.9.
De rechtbank verzoekt de Raad om in het aanvullende onderzoek de volgende vragen te betrekken:
  • Zijn er, gelet op aangeleverde of nog aan te leveren bewijsstukken, factoren op het gebied van de veiligheid van [minderjarige] die een regeling belemmeren? Hoe en op welke termijn zijn deze belemmeringen op te heffen?
  • Hoe dient de regeling qua vorm en frequentie, in het belang van [minderjarige] vorm te worden gegeven?
  • Zijn er andere feiten en omstandigheden die de rechtbank bij haar oordeel moet betrekken?
  • Is omgang (anderszins) in strijd met de zwaarwegende belangen van [minderjarige] ?
  • Welke mogelijkheden zijn er voor een (begeleide) omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] , gelet op de taalbarrière van de vader?
4.10.
De rechtbank zal de behandeling van de zaak in afwachting van de nadere rapportage van de
Raad aanhouden tot de pro forma datum van 15 juni 2026. Partijen worden alsdan in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te reageren op de rapportage van de Raad voor een nog nader te bepalen voortgezette mondelinge behandeling. De advocaten van beide partijen wordt te zijner tijd verzocht hun verhinderdata over te leggen voor een nadere mondelinge behandeling.

5.De beslissing

De rechtbank:
- beëindigt het gezamenlijk ouderlijk gezag van de vader en de moeder en belast de moeder voortaan met de uitoefening van het gezag over het minderjarige kind van partijen:
[minderjarige],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2023,
voor zover de bevoegdheid daartoe niet door een eerdere rechterlijke beslissing is uitgesloten;
- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
- verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming te Amsterdam een nader advies uit te brengen en daartoe de vragen zoals geformuleerd onder 4.9. te betrekken;
- bepaalt dat de behandeling omtrent de omgangsregeling
pro formawordt voortgezet op 15 juni 2026, in afwachting van de rapportage van de Raad en houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door de rechter mr. A. van Luijck, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. S.F.J. Kortekaas, griffier, op 24 februari 2026. [1]

Voetnoten

1.Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).