ECLI:NL:RBAMS:2026:2155

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
13/184330-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 38v Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling vader voor verkrachting en aanranding van minderjarige dochter

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte veroordeeld voor het buiten echt plegen van ontuchtige handelingen, verkrachting en aanranding van zijn dochter, die destijds tussen de 12 en 16 jaar oud was. De feiten vonden plaats in de periode van juni 2023 tot juni 2025, waarbij de periode deels viel onder de oude zedenwet en deels onder de Wet Seksuele Misdrijven.

De bewezenverklaring is gebaseerd op de aangifte van het slachtoffer en de bekennende verklaring van verdachte tijdens de terechtzitting. De rechtbank acht de feiten bewezen en strafbaar, waarbij geen rechtvaardigingsgrond is vastgesteld. Verdachte heeft misbruik gemaakt van zijn gezagspositie als vader en heeft zijn dochter gedwongen tot seksuele handelingen, wat een ernstige inbreuk op haar fysieke en mentale integriteit betekent.

De rechtbank heeft rekening gehouden met de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder een licht verstandelijke beperking en een persoonlijkheidsstoornis, en het advies van de reclassering en psychologen. De straf is vastgesteld op 42 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaar. Daarnaast is een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd die contact en nabijheid tot het slachtoffer verbiedt.

De benadeelde partij vorderde €25.000 aan immateriële schadevergoeding, waarvan de rechtbank €20.000 toekent, passend bij de ernst en duur van het misbruik. De schadevergoeding wordt gestort op een rekening met een BEM-clausule ter bescherming van het minderjarige slachtoffer.

De straf en maatregelen zijn dadelijk uitvoerbaar verklaard vanwege het risico op herhaling. De rechtbank heeft tevens de bijzondere voorwaarden van de reclassering opgelegd, met uitzondering van het contactverbod, dat is vervangen door een vrijheidsbeperkende maatregel.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 42 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, en een schadevergoeding van €20.000 aan het slachtoffer.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/184330-25
Datum uitspraak: 26 februari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1974 te [geboorteplaats 1] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen
op het adres [adres 1] ,
thans gedetineerd te: [detentieadres] ,
hierna: verdachte.

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 februari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W.H.R. Hogewind, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. W.S.W. van der Donk, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:
1.
het buiten echt plegen van ontuchtige handelingen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam van iemand, namelijk zijn dochter [benadeelde partij] , die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, in de periode van 1 juni 2023 tot en met 30 juni 2024;
2.
het buiten echt plegen van ontuchtige handelingen met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, namelijk zijn dochter [benadeelde partij] , in de periode van 1 juni 2023 tot en met 30 juni 2024;
3.
verkrachting (in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren) van zijn dochter [benadeelde partij] , in de periode van 1 juli 2024 tot en met 8 juni 2025;
4.
aanranding (in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren) van zijn dochter [benadeelde partij] , in de periode van 1 juli 2024 tot en met 8 juni 2025.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle aan verdachte ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
Op basis van de aangifte van [benadeelde partij] en de bekennende verklaring die verdachte ter terechtzitting op 12 februari 2026 heeft afgelegd, acht de rechtbank de ten laste gelegde feiten bewezen.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
1.
op tijdstippen in de periode van 1 juni 2023 tot en met 30 juni 2024 te Amsterdam, met zijn dochter [benadeelde partij] (geboren op [geboortedatum] ), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde partij] , te weten het brengen en duwen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [benadeelde partij] ;
2.
op tijdstippen in de periode van 1 juni 2023 tot en met 30 juni 2024 te Amsterdam, met zijn dochter [benadeelde partij] (geboren op [geboortedatum] ), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het aanraken van de borsten en de vagina van [benadeelde partij] en het likken van de vagina van [benadeelde partij] en het zich aftrekken boven [benadeelde partij] en het zich laten aftrekken door [benadeelde partij] ;
3.
op tijdstippen in de periode van 1 juli 2024 tot en met 8 juni 2025 te Amsterdam, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [benadeelde partij] (geboren op [geboortedatum] ), een of meer seksuele handelingen heeft verricht die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, te weten het brengen en duwen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [benadeelde partij] , terwijl dit feit werd begaan onder de in artikel 245, eerste lid, onder a omschreven omstandigheden, te weten jegens verdachtes kind;
4.
op tijdstippen in de periode van 1 juli 2024 tot en met 8 juni 2025 te Amsterdam, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [benadeelde partij] (geboren op [geboortedatum] ), seksuele handelingen heeft verricht, te weten het aanraken van de borsten en de vagina van [benadeelde partij] en het likken van de vagina van [benadeelde partij] en het zich aftrekken boven [benadeelde partij] en het zich laten aftrekken door [benadeelde partij] , terwijl dit feit werd begaan onder de in artikel 245, eerste lid, onder a omschreven omstandigheden, te weten jegens verdachtes kind.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 48 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van vijf jaren. Hierbij heeft zij gevorderd dat de bijzondere voorwaarden aan verdachte worden opgelegd zoals door de reclassering in haar rapport van 26 november 2025 zijn geadviseerd. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel in de vorm van een locatie- en contactverbod wordt opgelegd. Zowel de bijzondere voorwaarden als de maatregel dienen dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard.
7.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf met een zo beperkt mogelijk onvoorwaardelijk deel, dient te worden opgelegd, met aftrek van de tijd die hij reed in voorarrest heeft doorgebracht. Daarbij dienen de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd, te worden opgelegd.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Aard en ernst feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de aanranding en verkrachting van zijn dochter. Hij heeft gedurende een periode van twee jaar seksuele handelingen bij zijn dochter verricht. Deze handelingen vonden plaats tijdens de weekenden dat zij bij haar vader verbleef. Verdachte is de vader van het slachtoffer en heeft met het daaruit voortvloeiende overwicht zijn dochter gedwongen om te dulden dat hij op deze wijze misbruik van haar maakte. Verdachte heeft meerdere keren verklaard dat zijn dochter en hij ‘experimenteerden’. De rechtbank vindt het bijzonder ernstig dat verdachte zichzelf ervan lijkt te hebben overtuigd dat er van een soort vrijwilligheid of wederkerigheid sprake was. Verdachte moet zich realiseren dat in zo’n ernstig geval van incest hier echt geen sprake van kan zijn. Het slachtoffer was immers pas 12 jaar oud toen verdachte hiermee is begonnen. Verdachte heeft slechts gehandeld met als doel om zijn eigen (seksuele) behoeften te bevredigen en heeft zijn handelen aan zijn dochter opgedrongen. Hij heeft de veiligheid en grenzen van zijn dochter volledig genegeerd. Waar verdachte degene had moeten zijn die zijn dochter beschermde, is gebleken dat hij het grootste gevaar voor haar vormde. Daarbij is het misbruik pas gestopt toen het slachtoffer de moed had verzameld om haar moeder hierover in te lichten. Verdachte heeft met zijn handelen een enorme inbreuk gemaakt op de fysieke en mentale integriteit van zijn dochter. Dit alles dient hem zwaar aangerekend te worden.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 3 september 2025. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Omdat het gaat om andersoortige strafbare feiten zal de rechtbank dit niet in het voordeel en ook niet in het nadeel van verdachte meewegen.
De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op het reclasseringsrapport van 26 november 2025 en het Pro Justitia rapport van 14 november 2025 opgesteld door GZ-psychologen R. Bout en H. Nanninga. In dit laatste rapport staat onder meer het volgende.
“Betrokkene is een 51-jarige man bij wie sprake is van een licht verstandelijke beperking en een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met narcistische en antisociale trekken.
[…]
Betrokkene is, als onderdeel van zijn persoonlijkheidsstoornis, gericht op zichzelf en het bevredigen van de eigen behoeften. Zijn houding hierbij is egocentrisch en impulsief te noemen, hij handelde tijdens het ten laste gelegde – zo zegt hij zelf – in een ‘opwelling’. Hij is, als onderdeel van deze zelfde persoonlijkheidsstoornis en de verstandelijke beperking, beperkt in staat de impact van zijn gedrag op anderen, in dit geval zijn dochter, in te schatten en zich in te leven in de ander (beperkte empathische vermogens). Hij heeft in ogen van onderzoekers opportunistisch gehandeld, hij voelde zich eenzaam, had seksuele behoeften en zijn dochter was in de buurt. Hij laat hierbij zijn eigen seksuele behoeften prevaleren boven de rechten van een ander. Hij heeft zichzelf hierbij overtuigd dat dochter ‘het ook wilde’ om zijn herhaaldelijke gedrag te vergoelijken en zijn probleemloze en positieve façade voor zichzelf overeind te houden. Dit is een overtuiging die hij hardnekkig vasthoudt.
Hij wist dat hetgeen hij deed strafbaar was, echter, als onderdeel van zijn licht verstandelijke beperking, heeft hij beperkte vaardigheden om na te denken over consequenties van zijn eigen gedrag en is hij moeilijk leerbaar zonder negatieve consequenties.
Indien bewezen adviseren onderzoekers daarom om betrokkene de feiten in verminderde mate toe te rekenen.”
De rechtbank neemt de conclusies en aanbevelingen van de psychologen over en maakt die tot de hare. Zij zal de gepleegde feiten dan ook in verminderde mate aan verdachte toerekenen.
Straf en maatregel
De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. Zij zal aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van
42 maandenopleggen, met aftrek van de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht, met een
voorwaardelijk deel van twaalf maandenen een
proeftijd van vijf jaar. De reclassering heeft aangegeven dat deze langere proeftijd wenselijk is omdat die tijd nodig zal zijn om tot gedragsverandering te komen. De rechtbank volgt dit advies om die reden dan ook.
De rechtbank zal de bijzondere voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd opleggen, met uitzondering van het contactverbod. Naast deze bijzondere voorwaarden zal de rechtbank een vrijheidsbeperkende maatregel opleggen in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht. Op basis van deze maatregel zal het verdachte verboden worden om op enige wijze (direct op indirect) contact met het slachtoffer te zoeken of hebben en om zich binnen een straal van 500 meter van haar woning te bevinden. De rechtbank acht hiermee de veiligheid van het slachtoffer voldoende gewaarborgd waardoor zij het niet noodzakelijk acht het contactverbod eveneens als bijzondere voorwaarde op te leggen.
Dadelijk uitvoerbaar
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen, of gevaar veroorzaakt voor, de onaantastbaarheid van het lichaam van personen. Gelet op het voornoemde reclasseringsrapport, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal zij bevelen dat op grond van art. 14c Sr de te stellen voorwaarden, het uit te oefenen toezicht en de vrijheidsbeperkende maatregel, dadelijk uitvoerbaar zijn.

8.Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 25.000,- aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door de bewezenverklaarde feiten rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 onder Pro b van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen en er een ernstige inbreuk is gepleegd op haar lichamelijke integriteit.
De verdediging heeft niet betwist dat er sprake is van immateriële schade. De hoogte van de vordering is ter terechtzitting wel betwist. Zij heeft gesteld dat onderhavig geval, anders dan de raadsvrouw van de benadeelde partij heeft betoogd, niet valt onder de in hoofdstuk 15.2 van de Rotterdamse Schaal genoemde categorie a (‘meest ernstig’), maar onder categorie b (‘ernstig’). Het gevorderde bedrag aan immateriële schadevergoeding van € 25.000,- is volgens de verdediging dan ook te hoog. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de benadeelde partij daarom een bedrag van maximaal € 10.000,- dient te worden toegewezen ter vergoeding van de immateriële schade.
De rechtbank oordeelt dat onderhavige situatie aansluit bij wat in de Rotterdamse Schaal als categorie a (‘meest ernstig’) wordt aangemerkt. Verdachte heeft zich gedurende een periode van in ieder geval twee jaar schuldig gemaakt aan verkrachting en aanranding van zijn dochter. Hij heeft hierbij telkens weer verschillende, vergaande seksuele handelingen verricht die diepe sporen op het welzijn van de benadeelde partij hebben achtergelaten. De duur van de gedragingen en de aard, in combinatie met de ernst van de verschillende handelingen, maken dat aansluiting bij categorie a (‘meest ernstig’) passend is.
Gelet op voorgaande en rekening houdend met de vergoedingen die in vergelijkbare gevallen worden bepaald, acht de rechtbank de gevorderde immateriële schadevergoeding ter hoogte van € 20.000,- billijk. Zij zal deze dan ook toewijzen.
De vordering zal voor het meerdere worden afgewezen.
De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [benadeelde partij] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de bewezen geachte feiten is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 20.000,- (twintigduizend euro).
BEM-clausule
De rechtbank zal bepalen dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [benadeelde partij] , geboren op [geboortedatum] , te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (BEM is een afkorting van ‘Belegging Erfenis en andere gelden Minderjarigen’). Een dergelijke BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en haar wettelijke vertegenwoordiger kunnen aldus slechts met toestemming van de kantonrechter over het vermogen van de minderjarige beschikken tot de minderjarige achttien jaar is.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 55, 57, 245 (oud), 247 (oud), 247, 248 (oud), 248 en 254 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het onder 1 en 2 bewezen verklaarde levert op de eendaadse samenloop van:

1.

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam;

en

2.

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen.

Het onder 3 en 4 bewezen verklaarde levert op de eendaadse samenloop van:

3.

verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren;

en

4.

aanranding in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren.

Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
42 (tweeënveertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot
12 (twaalf) maanden, van deze gevangenisstraf
niet ten uitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een
proeftijdvan
5 (vijf) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
Meldplicht bij reclassering (na afspraak)
Veroordeelde meldt zich op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering zal contact met veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak.
Ambulante behandeling
Veroordeelde laat zich behandelen door de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zo spoedig mogelijk. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.
Begeleid wonen of maatschappelijke opvang
Indien door de toezichthouder wordt geïndiceerd, verblijft veroordeelde in een nader te bepalen instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.
Vermijden contact met minderjarigen
Veroordeelde zoekt op geen enkele wijze contact met minderjarigen. Hij vermijdt deze contacten zoveel mogelijk. Als contacten onvermijdelijk zijn, zorgt veroordeelde dat er minimaal één andere volwassen persoon hierbij aanwezig is.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Vrijheidsbeperkende maatregel
Legt op de maatregel dat de veroordeelde voor de duur van
5 (vijf) jaren
  • zich
  • en op
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 (één) week voor
iedere keerdat niet aan de maatregel wordt voldaan.
De totale duur van de tenuitvoergelegde vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste zes maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte zich belastend zal gedragen jegens het slachtoffer beveelt de rechtbank, gelet op artikel 38v, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregel,
dadelijk uitvoerbaaris.
Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe tot een bedrag van € 20.000,- (twintigduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (1 juni 2023) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Wijst de vordering voor het overige af.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat € 20.000,- (twintigduizend euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (1 juni 2023) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 125 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [benadeelde partij] geboren op [geboortedatum] , te openen rekening met een BEM-clausule.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.M. Loots, voorzitter,
mrs. A.M. Grüschke en G.J.M. Kruizinga, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.T. Lo Dico, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 februari 2026.
[…]