Eiser ontving een bijverdienpremie van €3.151,- op grond van de Participatiewet en de Re-integratieverordening van Amsterdam. Verweerder stelde dat de premie ten onrechte was toegekend en vorderde terugbetaling. Eiser maakte bezwaar en stelde beroep in tegen het besluit tot terugvordering.
De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke grondslag. Verweerder had onjuist gemotiveerd dat eiser in de relevante periode geen recht op bijstand had, terwijl uit een eerder besluit bleek dat het recht op bijstand was herzien en deels teruggevorderd. De rechtbank beoordeelt het recht op de premie los van dat eerdere oordeel.
De rechtbank concludeert dat eiser geen recht heeft op de bijverdienpremie omdat hij geen parttime werknemer of zelfstandige was, maar slechts klusjes deed voor familie en vrienden zonder voorafgaande opgave, wat niet onder de regeling valt.
Daarom vernietigt de rechtbank het bestreden besluit, maar laat de rechtsgevolgen daarvan in stand. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.