ECLI:NL:RBAMS:2026:2119

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
81/090118-22 (ontneming)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na valsheid in geschrift

De rechtbank Amsterdam heeft op 5 februari 2026 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen veroordeelde, die is veroordeeld voor meervoudige valsheid in geschrift. De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, aanvankelijk €713.349,-, gematigd tot €356.000,-. De raadsman betwistte dit en stelde dat het voordeel slechts circa 10% van de betalingen betrof.

De rechtbank stelde vast dat veroordeelde valse facturen opstelde en indiende bij een bedrijf, waardoor het leek alsof aan hem gelieerde ondernemingen diensten leverden. Uit het strafrechtelijk onderzoek en het ontnemingsrapport bleek dat het grootste deel van de opbrengsten werd gebruikt voor zwartbetaling van personeel, en dat veroordeelde ongeveer 10% van de opbrengsten als voordeel had genoten.

De rechtbank schatte het wederrechtelijk verkregen voordeel daarom op €75.000,-, waarbij marginale kosten voor het opmaken van facturen werden verrekend in deze afronding. Ondanks een overschrijding van de redelijke termijn van vijf maanden, vond de rechtbank dat dit voldoende was gecompenseerd door de gunstige afronding van het bedrag. De rechtbank legde veroordeelde de verplichting op dit bedrag aan de Staat te betalen, met een gijzelingstermijn van maximaal 750 dagen.

Uitkomst: De rechtbank legt een ontnemingsmaatregel van €75.000,- op wegens valsheid in geschrift en compenseert de overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Team Strafrecht
Parketnummer: 81/090118-22 (ontneming)
Datum uitspraak: 5 februari 2026
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 81/090118-22, tegen:
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedag] 1972 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
hierna: veroordeelde.

1.Onderzoek op de zitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel en kennisgenomen van hetgeen de officier van justitie, mr. O.J.M. van der Bijl, en de raadsman van veroordeelde, mr. R.H. Bouwman, naar voren hebben gebracht tijdens het onderzoek op de zitting van 22 januari 2026.

2.Ontnemingsvordering

De vordering van de officier van justitie van 27 november 2025 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de verplichting tot betaling aan de Staat van dat bedrag. De officier van justitie heeft ter zitting de oorspronkelijke vordering van € 713.349,-, gematigd tot een bedrag van € 356.000,-.

3.Grondslag van de vordering

Op grond van artikel 36e, tweede lid, Sr kan voordeel worden ontnomen dat is verkregen door middel van of uit de baten van het strafbare feit waarvoor diegene is veroordeeld of van andere strafbare feiten waarvoor voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan.
De rechtbank maakt uit de stukken in het dossier op dat de vordering is gegrond op het strafbare feit waarvoor veroordeelde bij vonnis van 5 februari 2026 is veroordeeld, te weten valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

4.Wederrechtelijk verkregen voordeel

4.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie gaat er op basis van het onderzoek van de FIOD en de Belastingdienst vanuit dat de facturen van de aan veroordeelde gelieerde ondernemingen aan [bedrijf] B.V. en [bedrijf] B.V. (hierna tezamen: [bedrijf] ) jarenlang structureel gedeeltelijk betaald werden, namelijk voor gemiddeld 32 procent van het totale gefactureerde bedrag. Het bedrag van € 713.349,- aan wederrechtelijke verkregen voordeel dat in de ontnemingsvordering is vermeld, is daarom gebaseerd op het bedrag dat daadwerkelijk door [bedrijf] aan de aan veroordeelde gelieerde ondernemingen is uitbetaald. Er zijn echter aanwijzingen in het dossier dat het door [bedrijf] uitbetaalde bedrag voor een deel contant is opgenomen en is gebruikt voor het zwart betalen van het personeel van [bedrijf] . Gelet hierop vordert de officier van justitie het wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen op de helft van het genoemde bedrag, wat neerkomt op € 356.000,-.
4.2.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering slechts voor een beperkt deel kan worden toegewezen. Het is niet aannemelijk dat [bedrijf] de helft van de betalingen aan veroordeelde heeft gedaan zonder dat daar een tegenprestatie tegenover heeft gestaan. Het financieel voordeel voor [bedrijf] zou in dat geval heel beperkt zijn en dat is niet logisch. Wel kan worden aangenomen dat veroordeelde de valse facturen heeft opgemaakt tegen een vergoeding door [bedrijf] van ongeveer 10 procent van de uitbetaalde factuurbedragen. In de praktijk wordt vaker een dergelijke marge overeengekomen als vergoeding voor het meewerken aan soortgelijke constructies. De raadsman heeft de rechtbank daarom verzocht om het wederrechtelijk verkregen voordeel te schatten op niet meer dan 10 procent van het totaal aan ontvangen betalingen van [bedrijf] met betrekking tot de valse facturen.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat de ontnemingsmaatregel een reparatoir karakter heeft en de veroordeelde in de vermogenspositie beoogt te brengen waarin hij verkeerde vóór het plegen van het strafbare feit waaruit hij in de concrete omstandigheden daadwerkelijk voordeel heeft verkregen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft veroordeelde door middel van voornoemd strafbaar feit voordeel verkregen dat de rechtbank vast stelt op € 75.000,-. De rechtbank ontleent deze vaststelling van het verkregen wederrechtelijk voordeel aan de relevante feiten en omstandigheden in de onderliggende strafzaak en het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel [1] van de FIOD en de Belastingdienst (hierna: het ontnemingsrapport). Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank heeft in het vonnis in de onderliggende strafzaak bewezen verklaard dat veroordeelde in de periode van 31 januari 2015 tot en met 31 oktober 2018 valsheid in geschrift heeft gepleegd. Uit het vonnis en het ontnemingsrapport blijkt het volgende. Veroordeelde heeft valse facturen opgesteld voor het uitlenen van personeel, verzorgen van trainingen en het leveren van schoonmaakmiddelen en deze facturen ingediend bij [bedrijf] . Hiermee deed veroordeelde het voorkomen dat aan hem gelieerde ondernemingen diensten en goederen verleenden aan [bedrijf] . In het ontnemingsrapport is het wederrechtelijk verkregen voordeel berekend, waarbij gebruik is gemaakt van de gegevens uit het strafrechtelijk onderzoek.
Opbrengsten
In het ontnemingsrapport is voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel als opbrengsten het bedrag aangemerkt dat [bedrijf] in totaal heeft overgemaakt op de bankrekeningen van de aan veroordeelde gelieerde ondernemingen naar aanleiding van de valse facturen. Via de bankafschriften van [bedrijf] is per factuurnummer onderzocht of de inkoopfacturen gericht aan [bedrijf] daadwerkelijk zijn betaald. Door [bedrijf] is een totaalbedrag van € 774.877,- betaald op de bankrekeningen van de ondernemingen. Tegen deze berekening van het totaalbedrag dat door [bedrijf] is overgemaakt is geen verweer gevoerd.
De rechtbank acht het – anders dan de officier van justitie – niet aannemelijk dat ongeveer de helft van de opbrengsten van de valse facturen in het vermogen van veroordeelde is gevloeid. Er is geen aanleiding voor de veronderstelling dat veroordeelde een dermate hoog bedrag als vergoeding heeft ontvangen, terwijl hij geen diensten of goederen heeft geleverd aan [bedrijf] . De rechtbank leidt uit het strafrechtelijk onderzoek af dat het grootste deel van de opbrengsten via veroordeelde is aangewend voor het zwart betalen van het personeel van [bedrijf] . Het contant kunnen betalen van het personeel van [bedrijf] lijkt dan ook een belangrijk doel te zijn geweest van de constructie met de valse facturen.
De rechtbank acht het op basis van alle feiten en omstandigheden
welaannemelijk dat veroordeelde voor de samenwerking met [bedrijf] een wederrechtelijk voordeel heeft genoten van ongeveer 10 procent van de uitbetaalde facturen. Steun voor dit oordeel vindt de rechtbank in hetgeen de raadsman heeft aangevoerd en de verklaring van de getuige [getuige] . Dit betreft een stroman die in een e-mail aan de Belastingdienst verklaart dat hij er later achter is gekomen dat veroordeelde hem heeft gebruikt om aan bedrijven te factureren en geld te verdienen door zich daarvan een percentage van 10 procent toe te eigenen. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat veroordeelde ongeveer 10 procent van het bedrag van € 774.877,- aan opbrengsten heeft gehad.
Kosten
Het totaal aan kosten dat voor aftrek in aanmerking komt bedraagt volgens het ontnemingsrapport € 61.528,-. De kosten bestaan uit een bedrag van
€ 423,- voor het opmaken van facturen via [site] .nl en een bedrag van € 61.105,- dat in de onderzoeksperiode door veroordeelde is overgemaakt naar de privé betaalrekening van de algemeen directeur van [bedrijf] , [naam algemeen directeur] .
Het bedrag van € 61.105,- dat in het ontnemingsrapport als kosten is aangemerkt, laat de rechtbank buiten beschouwing, aangezien dat bedrag ook geacht moet worden (indirect) terug te zijn gesluisd naar [bedrijf] in het kader van de constructie.
Conclusie
De rechtbank komt op basis van het vorengaande tot de volgende schatting van het verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank neemt het bedrag van € 774.877,- aan opbrengsten als uitgangspunt. Ongeveer 10 procent daarvan is ruim € 75.000,-. De enige kosten die veroordeelde heeft gehad – genoemde € 423,- voor het opmaken en versturen van de facturen op [site] .nl – zijn zodanig marginaal dat die worden geacht te zijn verrekend in de voor veroordeelde gunstige afronding van die 10 procent. De rechtbank schat de hoogte van het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel alles afwegend op een bedrag van € 75.000,-.

5.Verplichting tot betaling

De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag op € 75.000,-.
De rechtbank heeft geconstateerd dat sprake is van een beperkte overschrijding van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). De
rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding – het betreft 5 maanden – voldoende is gecompenseerd in de voor veroordeelde gunstige afronding van de hiervoor genoemde 10 procent. De rechtbank vindt daarin aanleiding in onderhavige ontnemingszaak te volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, EVRM.

6.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.

7.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van
€ 75.000,-
(vijfenzeventigduizend euro).
Legt op aan
[veroordeelde]de verplichting tot betaling van
€ 75.000,-
(vijfenzeventigduizend euro)aan de Staat.
Bepaalt de duur van de
gijzelingdie ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd op
750 (zevenhonderdvijftig) dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Smayel, voorzitter,
mrs. B. Vogel en C. Bruil, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Brokkelkamp, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 februari 2026.

Voetnoten

1.Rapport berekening wederrechtelijk voordeel per delict van 17 februari 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam] , werkzaam bij de FIOD/Belastingdienst.