ECLI:NL:RBAMS:2026:2084

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
13-074537-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Ontslag van rechtsvervolging
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 82 SrArt. 36b SrArt. 36c SrArt. 36f SrArt. 37a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging zware mishandeling met kettingslot en oplegging tbs met dwangverpleging

Op 9 maart 2025 sloeg verdachte met een kettingslot op het hoofd van het slachtoffer, wat een wond met hechtingen en een klein litteken opleverde. De rechtbank oordeelde dat het litteken geen zwaar lichamelijk letsel vormt en sprak verdachte vrij van zware mishandeling.

Wel werd bewezen verklaard dat verdachte poging tot zware mishandeling heeft gepleegd door bewust de aanmerkelijke kans op zwaar letsel te aanvaarden. Verdachte bekende dit duidelijk.

Psychiatrisch onderzoek toonde aan dat verdachte ten tijde van het feit floride psychotisch was door schizofrenie en cannabisgebruik, waardoor het feit hem niet kan worden toegerekend. Daarom werd hij ontslagen van alle rechtsvervolging.

De rechtbank legde tbs met dwangverpleging op vanwege het hoge recidiverisico, de ernst van het feit en de ontoereikendheid van minder ingrijpende maatregelen zoals zorgmachtiging of tbs met voorwaarden. De maatregel is onbepaalde tijd en gericht op langdurige behandeling.

Daarnaast werd het kettingslot verbeurd verklaard en veroordeelde de rechtbank verdachte tot betaling van €2.380,14 schadevergoeding aan het slachtoffer, inclusief materiële en immateriële schade plus wettelijke rente.

Uitkomst: Verdachte wordt ontslagen van rechtsvervolging wegens ontoerekeningsvatbaarheid en krijgt tbs met dwangverpleging opgelegd voor poging zware mishandeling.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/074537-25
Datum uitspraak: 25 februari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1990,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd te: [detentieadres] .

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 februari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.L. Firet, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M. Jonk, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht. Verder zijn S.J.D. Dijkstra, GZ-psycholoog, en [naam 1] , reclasseringsmedewerker bij GGZ Inforsa, ter terechtzitting als getuige-deskundigen gehoord.
Gelijktijdig met de strafzaak is op de terechtzitting behandeld het verzoek van de
officier van justitie strekkende tot het verlenen van een zorgmachtiging ex artikel 2.3
van de Wet forensische zorg (Wfz) met rekestnummer 26/632, waarbij verdachte is
bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. P. Figge, advocaat te Amsterdam.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
primair
hij op of omstreeks 9 maart 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, aan [slachtoffer/aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meerdere litteken(s) en/of ontsiering(en), heeft toegebracht door eenmaal of meerdere malen met een kettingslot, althans met een zwaar/krachtig voorwerp, op/tegen het hoofd en/of gezicht van voornoemde [slachtoffer/aangever] te slaan;
subsidiair
hij op of omstreeks 9 maart 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer/aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen eenmaal of meerdere malen met een kettingslot, althans met een zwaar/krachtig voorwerp, op/tegen het hoofd en/of gezicht van voornoemde [slachtoffer/aangever] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair
hij op of omstreeks 9 maart 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer/aangever] heeft mishandeld door eenmaal of meerdere malen met een kettingslot, althans met een zwaar/krachtig voorwerp, op/tegen het hoofd en/of gezicht van voornoemde [slachtoffer/aangever] te slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten te weten een of meerdere litteken(s) en/of ontsiering(en), ten gevolge heeft gehad.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de primair ten laste gelegde zware mishandeling wettig en overtuigend kan worden bewezen. Volgens haar moet een potentieel blijvend litteken in het gelaat worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.
Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling kan worden bewezen. Door het slachtoffer met een metalen kettingslot in het gezicht te slaan, heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer daardoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat het letsel van het slachtoffer geen zwaar lichamelijk letsel is, omdat op grond van het dossier slechts kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van een verwonding die volledig is hersteld. Verdachte moet daarom worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde zware mishandeling.
Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling, heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Vrijspraak zwaar lichamelijk letsel
Op basis van het dossier en de verklaring van verdachte ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat verdachte aangever op 9 maart 2025 in Amsterdam met een kettingslot tegen het hoofd heeft geslagen, ten gevolge waarvan aangever letsel heeft opgelopen. Dit letsel bestond uit een flinke wond boven op het hoofd, die met meerdere hechtingen is gehecht. De aangever heeft hierover verklaard dat een half jaar later nog een litteken zichtbaar is ten gevolge van dit feit.
Aan de hand van een recente foto van aangever heeft de rechtbank kunnen vaststellen dat zich op het voorhoofd weliswaar nog altijd littekenweefstel bevindt, maar ook dat het resterende litteken relatief klein is. Bovendien bevindt het litteken zich niet prominent in het gezicht, maar net onder de haarlijn van aangever. Naar het oordeel van de rechtbank kan het litteken dat door de gedragingen van verdachte bij aangever is veroorzaakt niet worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr).
De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het primair ten laste gelegde feit, te weten zware mishandeling.
3.3.2.
Bewezenverklaring poging zware mishandeling
Aangever heeft ten gevolge van het slaan met een kettingslot tegen zijn hoofd door verdachte letsel opgelopen. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een bijzonder kwetsbaar en vitaal deel van het menselijk lichaam is. Door aangever met een kettingslot tegen het hoofd, in de buurt van het oog, te slaan, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank een aanmerkelijke kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel in het leven geroepen. Deze gedragingen zijn naar hun uiterlijke verschijningsvormen zo zeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte die aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard.
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling. De rechtbank baseert haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de hierna genoemde bewijsmiddelen. Omdat verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opsomming van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
1.
De verklaring die verdachte ter terechtzitting van 11 februari 2026 heeft afgelegd;
2.
Een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer/aangever] , met proces-verbaalnummer PL1300-2025056946-6 van 9 maart 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door opsporingsambtenaar [naam 2] , doorgenummerde pagina’s 4 en 5.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3.3.2 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
op 9 maart 2025 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer/aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen eenmaal met een kettingslottegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer/aangever] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid van het feit

De bewezenverklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

6.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden verklaard, gelet op de conclusies uit de Pro Justitia-rapportage van 17 december 2025, zodat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat het ten laste gelegde geheel niet aan hem kan worden toegerekend.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij haar oordeel over de strafbaarheid van verdachte acht geslagen op de Pro Justitia-rapportage van 17 december 2025, opgesteld door S.J.D. Dijkstra, GZ-psycholoog, en S. Rakhshandehroo, psychiater. Dit rapport houdt – kort samengevat – het volgende in.
De deskundigen stellen vast dat sprake is van schizofrenie en een stoornis in het gebruik van cannabis. Verdachte vertoont een breed en systematisch waanstelsel, waarin hij zichzelf ziet als onderdeel van een kosmisch-religieus systeem, met geheime kennis over goden, zonnen en planeten.
Het is aannemelijk dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde floride psychotisch was binnen het kader van schizofrenie. Het ziektebeeld is op dat moment naar alle waarschijnlijkheid beïnvloed en verergerd door meerdere factoren, waaronder langdurig cannabisgebruik, het staken van antipsychotische medicatie en stressvolle psychosociale omstandigheden zoals dakloosheid en bestaansonzekerheid.
De stoornissen van verdachte hebben zijn gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde beïnvloed. De beleving van verdachte ten aanzien van de ten laste gelegde feiten houdt rechtstreeks en volledig verband met zijn psychotische overtuiging dat hij door aangever met de dood werd bedreigd omdat hij een “planetariër” is en als zodanig werd herkend door aangever. Binnen deze beleving is de verdenking jegens de beveiliger voor verdachte volledig logisch en reëel.
Geadviseerd wordt om verdachte het ten laste gelegde in het geheel niet toe te rekenen. Gezien de aard van de psychotische beleving en het ontbreken van ziekte- en realiteitsbesef kan worden gesteld dat de gedragingen van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde niet voortkwamen uit vrije wil of doelgerichte agressie, maar uit een fundamenteel verstoorde realiteitsbeleving.
De rechtbank neemt deze conclusies en adviezen van de deskundigen over. De rechtbank is van oordeel dat het handelen van verdachte volledig door zijn floride psychose binnen het kader van schizofrenie werd gedreven en dat het bewezenverklaarde feit hem in het geheel niet is toe te rekenen. Dit leidt ertoe dat verdachte niet strafbaar is en moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

7.Terbeschikkingstelling

7.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie vordert dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging (hierna: tbs) wordt opgelegd en dat het verzoek met betrekking tot de zorgmachtiging wordt afgewezen. Tbs met dwangverpleging biedt de mogelijkheid tot langdurige stabilisatie van verdachte, vermindering van het recidiverisico en bescherming van de samenleving. Tbs met voorwaarden of een zorgmachtiging is daartoe onvoldoende toereikend.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat aan verdachte geen tbs moet worden opgelegd. Tbs is een
ultimum remedium,terwijl er een minder ingrijpend middel voorhanden is in de vorm van de zorgmachtiging. Daarnaast kunnen niet alle doelen van tbs effectief worden gediend. Verdachte heeft geen rechtmatig verblijf in Nederland, waardoor resocialisatie voor hem niet mogelijk is. Het tweede doel van tbs, beveiliging van de maatschappij, kan worden bereikt met een zorgmachtiging waarvan repatriëring deel uitmaakt.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen maatregel is in overeenstemming met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende maatregel in het bijzonder het volgende laten meewegen.
7.3.1.
Aard en ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door het slachtoffer met een kettingslot tegen het hoofd te slaan. Het slachtoffer heeft hierdoor letsel opgelopen aan zijn hoofd. Verdachte heeft met zijn handelen grof inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.
De verwondingen van het slachtoffer hebben geruime tijd een nare aanblik gegeven. Het litteken dat daardoor is ontstaan, zal het slachtoffer nog lange tijd aan de mishandeling herinneren. Bovendien heeft het incident gevoelens van angst en onveiligheid teweeggebracht bij het slachtoffer en de personen die daarvan getuige zijn geweest.
7.3.2.
Persoon van verdachte
Om meer inzicht te krijgen in de persoon van verdachte, heeft zowel psychiatrisch als psychologisch onderzoek plaatsgevonden. Uit de Pro Justitia-rapportage van 17 december 2025, opgesteld door S.J.D. Dijkstra, GZ-psycholoog, en S. Rakhshandehroo, psychiater, blijkt het volgende.
Bij verdachte is sprake van schizofrenie en een stoornis in het gebruik van cannabis, resulterend in een breed en systematisch waanstelsel. Het risico op herhaling van soortgelijke (gewelds)delicten als het ten laste gelegde wordt als hoog ingeschat, terwijl beschermende factoren nauwelijks aanwezig zijn. Om het recidiverisico na detentie zo goed mogelijk te beheersen, is het met name van belang dat verdachte goed ingebed raakt in de zorg en dat ook blijft. Daarbij is niet alleen continuering van antipsychotische medicatie noodzakelijk, maar ook stabiliteit in de leefomstandigheden en abstinentie van middelengebruik. Verdachte zal hierin moeten worden begeleid en gecontroleerd.
Tbs met voorwaarden wordt daartoe niet haalbaar en uitvoerbaar geacht. Verdachte is namelijk een vreemdeling en ongewenst verklaard, waardoor de benodigde interventies niet kunnen worden ingezet en resocialisatie in Nederland niet mogelijk is. Bovendien wordt tbs met voorwaarden als onvoldoende effectief beschouwd. Gelet op de psychiatrische achtergrond en het eerdere gedrag van verdachte is de verwachting dat hij niet in staat zal zijn de gestelde voorwaarden na te leven.
Ook een zorgmachtiging wordt ontoereikend geacht om het recidiverisico op langere termijn structureel te verminderen. Behandeling in het kader van een zorgmachtiging is in de praktijk primair gericht op stabilisatie van het toestandsbeeld, waarna repatriëring kan volgen. Aangezien verdachte na eerdere repatriëringen steeds is teruggekeerd naar Nederland en in [geboorteland] structurele zorg ontbreekt, wordt de kans op recidive na een nieuwe repatriëring in het kader van een zorgmachtiging hoog ingeschat.
Tbs met dwangverpleging biedt volgens de deskundigen daarentegen de mogelijkheid tot intensieve en langdurige behandeling binnen een gesloten klinische setting. In dit kader kan systematisch worden gewerkt aan vermindering van delictgevaarlijkheid en het bevorderen van duurzame abstinentie van middelen. Een belangrijk voordeel van tbs met dwangverpleging ten opzichte van een zorgmachtiging is het langdurige behandelkader, waarin de effecten van interventies duurzaam kunnen worden gewaarborgd. Daarnaast biedt het tbs-kader, de mogelijkheid om ook na terugkeer naar [geboorteland] contact te onderhouden met de behandelende instelling aldaar, waardoor continuïteit van zorg en begeleiding zoveel mogelijk gewaarborgd kan blijven. Hoewel tbs met dwangverpleging gepaard kan gaan met een lange wachttijd die in detentie moet worden doorgebracht, vormt deze maatregel dan ook de enige juridische route die het recidiverisico structureel kan reduceren en de noodzakelijke behandeldoelen kan realiseren.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van het reclasseringsrapport over verdachte van 5 februari 2026. Daaruit volgt dat sprake is van problematiek op alle leefgebieden, terwijl beschermende factoren nauwelijks aanwezig zijn. Het recidiverisico en het risico op letselschade worden als hoog ingeschat. Bovendien wordt tbs met voorwaarden niet haalbaar en uitvoerbaar geacht, nu verdachte ongewenst is verklaard. Om die reden kunnen de benodigde interventies niet worden ingezet en is resocialisatie in Nederland niet mogelijk. Daarnaast worden geen mogelijkheden gezien voor het opleggen van voorwaarden, aangezien het verdachte ontbreekt aan ziektebesef, ziekte-inzicht en realiteitsbesef. Ook zijn hulpverleningsgeschiedenis en de aanwezige taalbarrière belemmerende factoren voor de inzet van interventies.
7.3.3.
Tbs met dwangverpleging
De rechtbank concludeert dat het noodzakelijk is dat verdachte ter beschikking gesteld wordt met verpleging van overheidswege en dat aan de formele voorwaarden voor oplegging van die maatregel is voldaan. De rechtbank heeft vastgesteld dat bij verdachte ten tijde van het begaan van het bewezenverklaarde sprake was van een floride psychose in het kader van schizofrenie. De bewezenverklaarde feiten zijn misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Voorts vereist de veiligheid van anderen, gelet op het hoge recidiverisico als verdachte onbehandeld terugkeert in de maatschappij, het opleggen van die maatregel.
De rechtbank concludeert dat enkel tbs met verpleging van overheidswege een passend kader is voor de behandeling van verdachte. Tbs met voorwaarden of een zorgmachtiging zijn onvoldoende uitvoerbaar en toereikend om het recidiverisico structureel te beperken, terwijl tbs met verpleging van overheidswege dit wel kan realiseren en tevens de noodzakelijke behandeldoelen waarborgt.
De rechtbank constateert bovendien dat het ontbreken van een rechtmatige verblijfsstatus geen beletsel vormt voor oplegging van de maatregel tot terbeschikkingstelling. Bij oplegging van de maatregel gaat het om de vraag of de persoon van verdachte een gevaar vormt voor (met name) de veiligheid van anderen in de samenleving in het algemeen, dus niet alleen de Nederlandse. Gelet op al het voorgaande legt de rechtbank aan verdachte tbs met verpleging van overheidswege op.
Het uitgangspunt bij de executie van tbs bij vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf is dat, waar mogelijk, wordt ingezet op een snelle en veilige repatriëring naar het land van herkomst. De deskundigen hebben ter terechtzitting echter toegelicht dat de overdracht van de tbs-behandeling naar [geboorteland] vaak meerdere jaren kan duren, omdat de overdracht pas in gang wordt gezet nadat verdachte is geplaatst in een Nederlandse tbs-kliniek. Gelet op de lange wachtlijsten voor plaatsing acht de rechtbank deze gang van zaken buitengewoon onwenselijk en spreekt zij dan ook de sterke voorkeur uit dat verdachte direct wordt aangemeld bij een Nederlandse kliniek, zodat zo snel mogelijk naar een [geboorteland] kliniek kan worden gezocht
7.3.4.
Ongemaximeerd
Met het oog op het bepaalde in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht, stelt de rechtbank vast dat sprake is van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de totale duur van de terbeschikkingstelling een periode van vier jaar te boven kan gaan.

8.Beslag

In het onderzoek is het volgende voorwerp in beslag genomen:
- 1 STK slot (G6628787).
Nu met behulp van het slot het bewezen geachte feit is gepleegd zal het slot verbeurd worden verklaard.

9.Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

9.1.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer/aangever]
De benadeelde partij [slachtoffer/aangever] vordert € 680,14 aan vergoeding van materiële schade en
€ 1.700 aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist en wordt als billijk beschouwd. De gevorderde schadevergoeding zal dan ook door de rechtbank worden toegewezen
,vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.
In het belang van [slachtoffer/aangever] wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36f, 37a, 37b, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

11.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
poging tot zware mishandeling.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], voor het bewezene niet strafbaar en
ontslaat hem van alle rechtsvervolgingter zake daarvan.
Gelast dat verdachte
ter beschikking wordt gestelden beveelt dat hij
van overheidswege wordt verpleegd.
Verklaart
verbeurd:
- 1 STK slot (G6628787)
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer/aangever]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer/aangever] volledig toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 2.380,14 (tweeduizend driehonderdtachtig euro en veertien eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 9 maart 2025 tot aan de dag van volledige betaling. Voormeld bedrag bestaat uit € 680,14 aan vergoeding van materiële schade en € 1.700 aan vergoeding van immateriële schade.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer/aangever] voornoemd. Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer/aangever] aan de Staat een bedrag van
€ 2.380,14 (tweeduizend driehonderdtachtig euro en veertien eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 9 maart 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 23 (drieëntwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Dit vonnis is gewezen door
mr. R.A. Overbosch, voorzitter,
mrs. M.C.H. Broesterhuizen en C.J.M. in ‘t Veld-Vernooij, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. J. de Groot en J.P. van Aart, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 februari 2026.