ECLI:NL:RBAMS:2026:2083

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
132230925
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 36b SrArt. 36c SrArt. 36f Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bezit cocaïne en wederspannigheid met lichamelijk letsel en oplegging ISD-maatregel

Op 13 augustus 2025 werd verdachte aangehouden in Amsterdam waarbij in zijn tas 8,12 gram en 5,06 gram cocaïne werden aangetroffen. Verdachte bekende het bezit en had beschikkingsmacht over de drugs. Daarnaast verzette verdachte zich met geweld tegen twee politieambtenaren tijdens een identiteitsfouillering, waarbij beide ambtenaren lichamelijk letsel opliepen.

De rechtbank heeft de camerabeelden en verklaringen van de verbalisanten beoordeeld en achtte bewezen dat verdachte zich met geweld verzette, maar sprak hem partieel vrij van de nekklem die hij zou hebben toegepast. Het letsel van de ambtenaren werd direct aan het handelen van verdachte toegerekend.

Verdachte heeft een strafblad met soortgelijke veroordelingen en een reclasseringsrapport dat een hoog recidiverisico en gebrek aan motivatie voor ambulante hulpverlening constateert. De rechtbank concludeert dat een ISD-maatregel passend is om recidive te voorkomen en de samenleving te beschermen.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot twee jaar ISD zonder aftrek van voorarrest, verklaart de drugs onttrokken aan het verkeer en wijst de immateriële schadevergoeding van €225 aan een benadeelde politieambtenaar toe, vermeerderd met wettelijke rente. Verdachte wordt tevens veroordeeld in de kosten.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld voor bezit van cocaïne en wederspannigheid met lichamelijk letsel en krijgt een ISD-maatregel van twee jaar opgelegd.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/223095-25
Datum uitspraak: 25 februari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1985,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:
[adres] ,
thans gedetineerd te: [detentieadres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 februari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W. van Veen, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. D. Schaddelee, advocaat te Breukelen, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat de getuige-deskundige [naam 1] , reclasseringsmedewerker, ter terechtzitting naar voren heeft gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is - zakelijk weergegeven - ten laste gelegd dat hij zich op 13 augustus 2025 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:
feit 1: het aanwezig hebben van cocaïne;
feit 2: het verzetten met geweld en/of bedreiging met geweld tegen ambtenaren [naam 2] en/of [naam 3] met enig lichamelijk letsel tot gevolg.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich met betrekking tot feit 1 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw verzocht verdachte partieel vrij te spreken van gedachtestreepje één en vijf op de tenlastelegging, te weten de vermeende slaande beweging richting [naam 3] en de nekklem bij [naam 2] . Deze handelingen zijn volgens haar namelijk niet op de camerabeelden te zien. Ook verzoekt de raadsvrouw verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde letsel, omdat niet kan worden vastgesteld dat dit letsel bij de verbalisanten door toedoen van verdachte is ontstaan.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van feit 1
Tijdens de insluitingsfouillering van verdachte op 13 augustus 2025 op het hoofdbureau te Amsterdam troffen verbalisanten in zijn tas een hoeveelheid van vermoedelijk harddrugs aan. Dit is vervolgens onderzocht door het NFI.
Uit het NFiDENT-rapport volgt dat het onderzochte materiaal met een totaalgewicht van 5,06 gram en 8,16 gram cocaïne bevatte. Uit het proces-verbaal van onderzoek naar de verdovende middelen blijkt dat in het NFiDENT-rapport per abuis een gewicht van 8,16 gram is vermeld, terwijl dit 8,12 gram moet zijn. De rechtbank gaat dan ook uit van een gewicht van 8,12 gram.
Verdachte heeft bekend dat de aangetroffen cocaïne van hem was. Daarmee staat vast dat hij wetenschap had van de aanwezigheid van de verdovende middelen. Nu de cocaïne zich bovendien in zijn tas bevond, had hij daarover ook beschikkingsmacht.
De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 13 augustus 2025 opzettelijk hoeveelheden van 5,06 gram en 8,12 gram cocaïne aanwezig heeft gehad.
Ten aanzien van feit 2
Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [naam 3] en [naam 2] volgt dat verbalisant [naam 3] op 13 augustus 2025 te Amsterdam voornemens was om bij verdachte een identiteitsfouillering uit te voeren. Op het moment dat verbalisant [naam 3] zijn hand in de tas van verdachte steekt om zijn portemonnee te pakken, maakt verdachte een plotselinge beweging met zijn armen in de richting van het hoofd van verbalisant [naam 3] . De verbalisanten proberen vervolgens verdachte onder controle te brengen. Daarbij beweegt verdachte naar achteren en rukt hij zich los uit de greep van verbalisant [naam 3] . Verdachte pakt verbalisant [naam 2] vervolgens vast.
Van het incident zijn camerabeelden beschikbaar. De rechtbank heeft deze beelden zowel op de zitting als in de raadkamer bekeken. De rechtbank heeft waargenomen dat verdachte zich naar achteren beweegt, zich uit de greep van [naam 3] lostrekt en [naam 2] vastpakt. De rechtbank heeft verder waargenomen dat verdachte zijn armen in de richting van het hoofd van [naam 3] beweegt. De rechtbank heeft vervolgens waargenomen dat verdachte zijn arm om de schouder van [naam 2] hangt. De rechtbank heeft niet waargenomen dat [naam 2] door verdachte in een nekklem wordt gehouden. Hiervan zal verdachte partieel worden vrijgesproken.
Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [naam 3] en [naam 2] blijkt verder dat verbalisant [naam 2] een kras onder zijn pols, een schaafwond op zijn elleboog, een kras/snee in zijn onderarm en een kras op zijn bovenarm heeft overgehouden aan het voorval. Verbalisant [naam 3] beschrijft dat zijn letsel bestond uit drie krassen/afdrukken op zijn bovenarm, een kras en een rode plek op zijn onderarm en rode krassen op zijn pink en hand. De verbalisanten hebben verklaard dat dit letsel voorafgaand aan de aanhouding nog niet aanwezig was. Gelet op het voorgaande en de vastgestelde fysieke confrontatie tussen verdachte en verbalisanten acht de rechtbank het verband tussen het handelen van verdachte en het ontstane letsel voldoende aannemelijk. De rechtbank volgt het verweer van de raadsvrouw op dit punt dan ook niet.
De rechtbank acht al met al wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 13 augustus 2025 met geweld heeft verzet tegen verbalisanten [naam 2] en [naam 3] , ten gevolge waarvan letsel is ontstaan. Daarbij spreekt de rechtbank verdachte partieel vrij van de aan hem ten laste gelegde klem om de hals van verbalisant [naam 2] .

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat
verdachte:
1
op 13 augustus 2025 te Amsterdam opzettelijk meer middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, te weten 8,12 gram cocaïne (goednummer 6696621) en 5,06 gram cocaïne (goednummer 6696622) aanwezig heeft gehad;
2
op 13 augustus 2025 te Amsterdam zich met geweld heeft verzet tegen ambtenaren, te weten [naam 2] , hoofdagent van politie eenheid Amsterdam en [naam 3] , agent van politie eenheid Amsterdam, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten tijdens het vorderen van zijn, verdachtes, identiteitsbewijs, door
-zijn, verdachtes, armen richting het hoofd van die [naam 3] te bewegen en
-naar achteren te bewegen en
-zich uit de greep van die [naam 3] los te rukken en
-die [naam 2] vast te pakken, terwijl dit misdrijf en de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten
-een kras onder de pols, een schaafwond op de elle boog en een kras op de bovenarm voor die [naam 2] en
-drie krassen/afdrukken op de bovenarm, een kras en rode plek op de onderarm en rode krassen op de pink en hand voor die [naam 3] ten gevolge heeft gehad.

5.Strafbaarheid van het feit

De bewezen verklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar. Er zijn geen bijzondere omstandigheden aannemelijk geworden die
de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

7.Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders

7.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaar zonder aftrek van voorarrest.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank primair verzocht de gevorderde ISD-maatregel af te wijzen, nu deze, gelet op de aard van de verdenkingen, een te vergaande en ingrijpende maatregel vormt. Daarbij heeft zij gewezen op de positieve ontwikkelingen in het leven van verdachte, die bijdragen aan het terugdringen van de kans op recidive.
Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de ISD-maatregel geheel voorwaardelijk op te leggen en verdachte een laatste kans te geven.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende maatregel en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
7.3.1.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van cocaïne. Cocaïne is niet alleen zeer schadelijk voor de volksgezondheid, maar werkt ook verslavend met alle gevolgen van dien voor de maatschappij. De handel in cocaïne gaat bovendien vaak gepaard met gewelddadige criminaliteit.
Verdachte heeft zich tevens schuldig gemaakt aan wederspannigheid. Daarmee heeft verdachte zich jegens agenten respectloos gedragen en hun gezag ondermijnd. Opsporingsambtenaren moeten onder normale omstandigheden hun werk kunnen doen en verdachte diende mee te werken.
7.3.2.
Persoon van verdachte
In het kader van de strafoplegging heeft de rechtbank gekeken naar het Uittreksel Justitiële Documentatie (strafblad) van verdachte van 23 december 2025, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 31 oktober 2025, opgesteld door mevrouw [naam 1] . Dit advies houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in.
Er lijkt bij verdachte reeds jarenlang sprake te zijn van instabiliteit op vrijwel alle leefgebieden en het recidiverisico is hoog. Verdachte is geneigd om zijn problematiek te bagatelliseren, te externaliseren of zichzelf te overschatten.
Een ambulant traject is onvoldoende van de grond gekomen, zowel binnen een justitieel voorwaardelijk kader als binnen een vrijwillig kader. Tijdens een eerder schorsingstoezicht was verdachte meermaals niet bereikbaar voor het opstellen van een reclasseringsadvies en voor de uitvoering van een werkstraf.
Verdachte staat niet open voor verplichtingen binnen een voorwaardelijk kader, met als gevolg dat hij uiteindelijk onvoldoende van hulpverlening profiteert. De risico’s zijn derhalve onverminderd hoog. De reclassering schat de kans dat gedragsverandering binnen een ambulant forensisch kader zal plaatsvinden als nihil in, gelet op de houding van verdachte en het beperkte inzicht in zijn problematiek, en ziet geen mogelijkheden meer voor inzet. Verdachte voldoet naar het oordeel van de reclassering dan ook aan de zachte criteria van de ISD-maatregel.
De reclassering ziet geen andere mogelijkheid dan het adviseren van de onvoorwaardelijke ISD-maatregel, waarbinnen de juiste interventies kunnen worden ingezet ter voorkoming van recidive en ter stabilisatie van de leefomstandigheden.
De deskundige, mevrouw [naam 1] , heeft voornoemd advies op de terechtzitting bevestigd.
7.3.3.
Oplegging van de ISD-maatregel
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van het bewezenverklaarde aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Daarnaast is hij gedurende de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane misdrijf ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl het in dit vonnis bewezen verklaarde feit is begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen.
Uit het hiervoor genoemde reclasseringsadvies en het strafblad blijkt dat er ernstig rekening
mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Uit het
strafblad volgt dat ook is voldaan aan de eisen die de ‘Richtlijn voor strafvordering bij
meerderjarige veelplegers’ van het Openbaar Ministerie stelt. Verdachte is een zeer actieve
veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich opgemaakt zag
worden voor ten minste tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf
maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het in dit vonnis bewezen verklaarde
feit. Verdachte voldoet hierdoor aan de harde criteria voor de ISD-maatregel.
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verdachte ook aan de zachte ISD-criteria voldoet. Die houden in dat er geen reëel alternatief voor de oplegging van de ISD-maatregel bestaat. Gelet op het advies van de reclassering, en de bevestiging daarvan ter terechtzitting door [naam 1] , komt de rechtbank tot de conclusie dat het opleggen van een ISD-maatregel op dit moment de enige mogelijkheid is om de maatschappij te beschermen tegen de delicten die verdachte pleegt en om het recidiverisico terug te brengen. Hoewel verdachte ter terechtzitting heeft verklaard open te staan voor interventies binnen een voorwaardelijk kader, ontbreekt het de rechtbank aan vertrouwen dat een ambulant kader toereikend zal zijn. Verdachte heeft immers al meerdere kansen gekregen, maar uit zowel zijn verklaringen als zijn handelen blijkt dat hij onvoldoende gemotiveerd is om mee te werken. De reclassering heeft, ondanks het korte schorsingstoezicht, deze motivatie van verdachte gedegen kunnen toetsen. Indien verdachte niet meewerkt aan behandeling dan wel begeleiding binnen de ISD-maatregel, dan heeft de ISD-maatregel de functie van het tijdelijk beveiligen van de samenleving.
In het licht van voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van goederen de oplegging van de ISD-maatregel eist. De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie volgen en een ISD-maatregel opleggen voor de duur van twee jaar. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan verdachte een voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Daarbij overweegt de rechtbank dat verdachte, zoals gezegd, eerder geen bereidheid heeft getoond om mee te werken aan interventies binnen een voorwaardelijk kader.

8.Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
  • 47 STK Verdovende Middelen (G6696621);
  • 1 STK Verdovende Middelen (G6696622);
  • 2 STK Verdovende Middelen (G6696625).
De rechtbank zal de in beslag genomen verdovende middelen onttrekken aan het verkeer, omdat het onder feit 1 ten laste gelegde daarmee is begaan en het ongecontroleerde bezit van verdovende middelen in strijd is met de wet en het algemeen belang.

9.Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

9.1.
De vordering van de benadeelde partij [naam 2]
De benadeelde partij [naam 2] vordert een bedrag van € 225 (tweehonderdvijfentwintig euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreekse immateriële schade is toegebracht. Het gevorderde bedrag wordt als billijk beschouwd. De gevorderde schadevergoeding zal dan ook door de rechtbank worden toegewezen
,vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.
In het belang van [naam 2] wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36f, 38m, 38n, 57, 180 en 181 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

11.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
feit 1: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 2: wederspannigheid met lichamelijk letsel als gevolg.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Legt op de maatregel tot plaatsing in een
inrichting voor stelselmatige dadersvoor de duur van
2 (twee) jaren.
Verklaart
onttrokkenaan het verkeer de goederen met de volgende nummers op de
beslaglijst:
  • 47 STK Verdovende Middelen (G6696621);
  • 1 STK Verdovende Middelen (G6696622);
  • 2 STK Verdovende Middelen (G6696625.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 2]
volledig toeen veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 225 (tweehonderdvijfentwintig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 13 augustus 2025 tot aan de dag van volledige betaling. Voormeld bedrag bestaat uit een vergoeding van immateriële schade.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 2] voornoemd. Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam 2] aan de Staat een bedrag van
€ 225 (tweehonderdvijfentwintig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 13 augustus 2025 tot aan de dag van volledige betaling. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Dit vonnis is gewezen door
mr. R.A. Overbosch, voorzitter,
mrs. M.C.H. Broesterhuizen en C.J.M. in ‘t Veld-Vernooij, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. de Groot, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 februari 2026.
[--]