ECLI:NL:RBAMS:2026:2065

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
10646280 CV EXPL 23-10870
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:193e BWArt. 6:119a BWArt. 6:203 lid 3 BWArt. 6:210 lid 2 BWArt. 6:212 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toetsing oneerlijke bedingen en informatieplichten in overeenkomst juridische dienstverlening

Eiseres vordert betaling van openstaande facturen voor juridische diensten aan gedaagde, die verstek liet gaan. De rechtbank beoordeelt ambtshalve of eiseres heeft voldaan aan haar informatieplichten en of de algemene voorwaarden en prijsbeding oneerlijk zijn volgens Richtlijn 93/13/EG en relevante jurisprudentie.

De rechtbank stelt vast dat het prijsbeding, gebaseerd op een uurtarief exclusief btw en kantoorkosten zonder indicatie van het totaalbedrag, niet transparant is. Dit belemmert de consument om de financiële gevolgen vooraf in te schatten. Hierdoor wordt het beding als oneerlijk aangemerkt, wat betekent dat gedaagde niet aan het beding is gebonden en de overeenkomst niet kan blijven voortbestaan.

Daarnaast wordt het proceskostenbeding dat alle kosten op de consument afwentelt als oneerlijk beoordeeld, evenals het renteclausulebeding dat een hogere handelsrente toelaat dan wettelijk is toegestaan. De rechtbank wijst eiseres aan om zich nader uit te laten over de gevolgen van deze bevindingen. De zaak wordt aangehouden voor verdere besluitvorming.

Uitkomst: De rechtbank houdt de zaak aan voor nadere toelichting over de oneerlijke bedingen en wijst de vorderingen voorlopig af.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 10646280 CV EXPL 23-10870
vonnis van: 24 februari 2026
fno.: 58865

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

de besloten vennootschap Legalitas B.V.

gevestigd te Hilversum
eiseres
gemachtigde: mr. G.J. de Hosson
t e g e n

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]
gedaagde
niet verschenen.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij dagvaarding van 28 juli 2023, met producties, heeft eiseres tegen gedaagde een vordering ingesteld.
Gedaagde heeft geen uitstel verzocht en evenmin geantwoord. Tegen hem is verstek verleend, waarna vonnis is bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. Eiseres vordert gedaagde te veroordelen tot betaling van € 3.676,98 aan hoofdsom, € 492,70 wegens buitengerechtelijke kosten en € 65,80 aan vervallen wettelijke rente. Voorts vordert eiseres veroordeling van gedaagde in de proceskosten en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
2. Eiseres stelt dat op 28 september 2022 tussen partijen een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen die ziet op het verlenen van juridische diensten aan gedaagde. Op die overeenkomst zijn volgens eiseres de algemene voorwaarden van eiseres van toepassing verklaard (hierna: de algemene voorwaarden). Eiseres stelt de verrichte werkzaamheden middels drie facturen in rekening te hebben gebracht bij gedaagde. Volgens eiseres is gedaagde, ondanks sommaties, in gebreke gebleven met betaling van het openstaande saldo ter hoogte van de hoofdsom.
Ambtshalve toetsing
3. In de dagvaarding is niets gesteld over de hoedanigheid van gedaagde. Wel is daarin toegelicht dat aan gedaagde rechtsbijstand is verleend inzake een familierechtelijke kwestie. Bovendien heeft eiseres ook gesteld dat zij heeft voldaan aan de (pre)contractuele informatieplichten, zodat aangenomen wordt dat ook eiseres van mening is dat gedaagde gehandeld heeft in hoedanigheid van consument en zij daarom moest voldoen aan de informatieplichten. De overeenkomst tussen partijen wordt daarom aangemerkt als een consumentenovereenkomst, zodat ambtshalve moet worden onderzocht of eiseres heeft voldaan aan haar informatieplichten van afdeling 2b van titel 5 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en of in de overeenkomst die tussen partijen is gesloten oneerlijke bedingen zijn opgenomen in de zin van Richtlijn 93/13 EG (richtlijn oneerlijke bedingen). In dat kader is ook het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 januari 2023 van belang (ECLI:EU:C:2023:14).
Informatieplichten
4. Afhankelijk van de wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen (mondeling of schriftelijk, binnen of buiten de verkoopruimte of op afstand (bijvoorbeeld online)) moeten (onder meer) de desbetreffende informatieplichten worden getoetst. Eiseres heeft in de dagvaarding gesteld dat zij heeft voldaan aan de (pre)contractuele informatieplichten. In het eindvonnis zal, voor zover nodig, daarop nader worden ingegaan.
Oneerlijke bedingen
5. Naast de toets van de informatieplichten, moet ambtshalve worden beoordeeld of de bedingen in de tussen partijen gesloten overeenkomst (waaronder eventuele algemene voorwaarden) eerlijk zijn. Bij die beoordeling gaat het er om of een beding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort (artikel 3 lid 1 van Pro de richtlijn). Bedingen die zien op het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, zoals de prijs, hoeven alleen ambtshalve te worden getoetst op oneerlijkheid als ze niet transparant zijn (zie artikel 4 lid 2 van Pro de richtlijn oneerlijke bedingen).
6. Voor de beoordeling of het prijsbeding voldoende transparant is, is het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 12 januari 2023 van belang (ECLI:EU:C:2023:14). In die zaak speelde de vraag of een beding in een overeenkomst voor het verrichten van juridische diensten, waarin de kosten alleen zijn vastgelegd op basis van een uurtarief, zonder verdere precisering, voldoet aan het vereiste dat bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd in de zin van artikel 4 lid 2 van Pro de richtlijn oneerlijke bedingen. Het HvJEU heeft geoordeeld dat alleen het noemen van een uurtarief de gemiddelde, normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument niet in staat stelt om alle financiële consequenties in te schatten die voor hem uit het beding voortvloeien, namelijk het totale bedrag dat hij voor de diensten zal moeten betalen. Verder is overwogen dat de advocaat, vóórdat de overeenkomst wordt gesloten, informatie moet verstrekken die de consument in staat stelt om met de nodige voorzichtigheid zijn beslissing te nemen. Die informatie moet aanwijzingen bevatten die de consument in staat stellen bij benadering de totale kosten van de diensten te schatten, zoals een raming van het voorzienbare of minimale aantal uren dat nodig is om een bepaalde dienst te verlenen, of een verbintenis om met redelijke tussenpozen tussentijdse facturen of verslagen te bezorgen waarin het aantal al gepresteerde werkuren wordt vermeld.
7. Eiseres heeft de tussen partijen gesloten overeenkomst en de daarin van toepassing verklaarde algemene voorwaarden overgelegd en de kantonrechter heeft deze getoetst en is van oordeel dat de prijsafspraak tussen partijen niet voldoende duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd in de zin van de richtlijn oneerlijke bedingen. Uit de opdrachtbevestiging en de algemene voorwaarden blijkt dat eiseres slechts een uurtarief heeft genoemd exclusief 6% kantoorkosten en btw en dat het uurtarief aan een jaarlijkse indexatie onderhevig is en voorts vermeld dat eventuele verschotten worden doorbelast. Gelet op het hiervoor genoemde arrest is dat niet genoeg, omdat geen indicatie is gegeven van de uiteindelijke of te verwachten hoogte van de kosten voor de juridische bijstand. Hoewel begrijpelijk is dat eiseres voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst van opdracht geen exact totaalbedrag kon geven, had zij gedaagde wel meer informatie kunnen geven dan zij heeft gedaan en had zij tenminste een (voorlopige) inschatting van het aantal uren of bedrag kunnen geven, te meer nu het een overzichtelijke, redelijk afgebakende opdracht behelsde (juridische bijstand inzake een omgangs- en alimentatieregeling). Hoewel in de overeenkomst is vastgelegd dat facturatie van het honorarium wekelijks zal geschieden – wat echter, zoals blijkt uit de facturen, niet is gebeurd –, kunnen de kosten in de eerste week al zo omvangrijk zijn, dat daarmee de transparantie onvoldoende wordt hersteld. Dat volgt ook uit de eerste factuur d.d. 2 november 2022, waarin eiseres in 4 dagen (tussen 24 en 28 oktober 2022) voor totaal € 1.518,- exclusief kantoorkosten en btw heeft gedeclareerd en de tweede factuur d.d. 17 november 2022, waarin eiseres in 4 dagen (tussen 31 oktober en 16 november 2022) voor totaal € 874,- exclusief kantoorkosten en btw heeft gedeclareerd. Nergens blijkt uit dat gedaagde vóór het sluiten van de overeenkomst erover is geïnformeerd dat hij rekening moest houden met bedragen in deze orde van grootte. Bovendien is in de opdrachtbevestiging het uurtarief exclusief btw opgenomen, terwijl de prijs inclusief btw essentiële informatie is (artikel 6:193e lid 1 onder c BW).
8. Voor gedaagde was het op deze manier niet mogelijk om de totale kosten vooraf goed in te schatten. Het prijsbeding is dan ook niet transparant en moet daarom worden getoetst op oneerlijkheid. Dat een beding niet transparant is, leidt nog niet direct tot het oordeel dat het beding ook oneerlijk is, maar het is een (belangrijk) element binnen die toets. Het gaat om de vraag of het beding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van partijen, ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort of kan verstoren.
9. Door geen inschatting te geven van het aantal uur dat met de opdracht gemoeid zou (kunnen) zijn heeft eiseres niet alleen geen inzicht gegeven in de financiële verplichtingen die gedaagde aanging, ook is hij hierdoor onthouden om daarop enige controle uit te voeren. Gedaagde zal als gemiddelde consument zelf weinig idee hebben van de werkzaamheden die moesten worden verricht ter uitvoering van de opdracht en hoeveel tijd daarmee normaliter gemoeid zou zijn. Eiseres heeft daar als handelaar en beroepsbeoefenaar juist wel zicht op en had die uitleg en het aantal uren dat zij waarschijnlijk bezig was aan gedaagde moeten verstrekken. Door vooraf een inschatting te geven verplicht eiseres zichzelf voorts om rekening en verantwoording aan gedaagde af te leggen, zonder welke zij in wezen de mogelijkheid creëert om onbeperkt uren te declareren en kosten in rekening te brengen. De hoogte van het uurtarief en het uiteindelijke totaalbedrag zijn daarbij niet relevant, zodat die niet worden meegewogen bij deze beoordeling. Het beding wordt gezien het voorgaande vooralsnog oneerlijk bevonden.
10. Dat zou betekenen, gelet op artikel 6 lid 1 van Pro de richtlijn oneerlijke bedingen, dat gedaagde niet aan het prijsbeding is gebonden en dat als gevolg daarvan de onderhavige overeenkomst niet kan blijven voortbestaan. De vraag is vervolgens of gedaagde hiervan uiterst nadelige gevolgen ondervindt en in zijn belangen wordt geschaad, omdat de kantonrechter in dat geval de overeenkomst moet aanvullen (zie onder andere ECLI:EU:C:2020:954).
11. Nu eiseres haar diensten heeft verricht, heeft gedaagde in die zin geen belang bij het voortbestaan van de overeenkomst. Wel komt gedaagde door het vervallen van de overeenkomst in een situatie van rechtsonzekerheid te verkeren, nu het eiseres de mogelijkheid biedt om op basis van het recht op ongedaanmaking van de prestaties (artikel 6:203 lid 3 jo Pro. 6:210 lid 2 BW) dan wel ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 lid 1 BW Pro) een vergoeding voor de reeds verrichte diensten te vorderen (ECLI:EU:C:2023:14, punt 62).
12. In die wetsartikelen is bepaald dat ongedaanmaking of de verplichting om schade te vergoeden alleen mogelijk is voor zover dit redelijk is. In dit geval is het niet redelijk om een vergoeding van de waarde van de prestatie in de plaats te laten treden van het ongedaan maken van de prestatie dan wel gedaagde tot schadevergoeding te verplichten, omdat eiseres gebruik maakt van een oneerlijk prijsbeding. Als gevolg daarvan heeft gedaagde die waarde voordat hij de overeenkomst aanging juist niet kunnen inschatten, waardoor hij is bevrijd van zijn betalingsverplichting (ECLI:EU:C:2023:14, punt 58). Daarbij komt dat niet kan worden aanvaard dat een partij economisch voordeel haalt uit haar onrechtmatige gedrag – waaronder het hanteren van oneerlijke bedingen – noch dat zij wordt gecompenseerd voor de nadelen die door dergelijk gedrag worden veroorzaakt (ECLI:EU:C:2023:478, punt 81: het “nemo auditur propriam turpitudinem allegans” (napta) beginsel). Ten slotte zou de lange termijn doelstelling van artikel 7 lid 2 van Pro de richtlijn oneerlijke bedingen – een eind maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen – in het gedrang komen wanneer eiseres alsnog een vergoeding voor haar diensten zou kunnen krijgen terwijl zij in haar overeenkomsten een oneerlijk prijsbeding hanteert.
13. Een eventueel in de toekomst in te stellen vordering door eiseres op een andere grond dan de overeenkomst zal derhalve niet slagen. Het niet voortbestaan van de overeenkomst brengt gedaagde dan ook niet in een zodanig onzekere situatie dat dit uiterst nadelig is voor hem, zodat aanvulling van de overeenkomsten niet nodig is.
14. Eiseres heeft ook wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten gevorderd, op grond van haar algemene voorwaarden dan wel op grond van de wet. De bedingen in de overeenkomst en de algemene voorwaarden die betrekking hebben op voornoemde vorderingen zijn getoetst.
15. Ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten wordt in artikel 7 van Pro de algemene voorwaarden vermeld dat gedaagde ‘alle’ buitengerechtelijke kosten verschuldigd is bij wanbetaling. Desondanks wordt het beding in dit geval niet oneerlijk bevonden, omdat het beding niet een bredere strekking heeft dan wat aan de consument op grond van de wet in rekening mag worden gebracht nu daarin en in de overeenkomst, ten aanzien van de hoogte van de in rekening te brengen incassokosten, wordt verwezen naar de wettelijke regeling met betrekking tot incassokosten. De redactie van het beding maakt aldus voldoende duidelijk dat van alle buitengerechtelijke incassokosten die eiseres mogelijk maakt, alleen de wettelijke buitengerechtelijke incassokosten in rekening kunnen worden gebracht.
16. Voorts is in voornoemd artikel met betrekking tot de wettelijke rente en proceskosten het volgende vermeld:

(…) Bij overschrijding van de betalingstermijn is de opdrachtgever van rechtswege in verzuim en zal een incassobrief worden verstuurd, waarna conform de WIK op de 15e dag na het verzenden van de incassobrief de opdrachtgever ook de wettelijke handelsrente van art. 6:119a BW is verschuldigd, alsmede alle buitengerechtelijke en gerechtelijke kosten in verband met incasso. De buitengerechtelijke (incasso)kosten worden berekend op grond van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. (…)’.
17. Dit beding geeft eiseres de vrijheid geeft om in het geval van een gerechtelijke procedure alle kosten bij de consument neer te leggen. Zonder dit beding zou een consument die door de rechter (overwegend) in het ongelijk wordt gesteld, op de voet van art. 237 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) worden veroordeeld in de forfaitaire proceskosten van de in het gelijk gestelde partij. De Hoge Raad heeft onlangs bevestigd dat een beding op grond waarvan alle gerechtelijke kosten bij de consument in rekening kunnen worden gebracht als oneerlijk is aan te merken (Hoge Raad 23 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:820). Een in het ongelijk gestelde partij is immers alleen tot vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten van de wederpartij gehouden in buitengewone omstandigheden, waarbij moet worden gedacht aan misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen.
18. Een proceskostenbeding zoals het onderhavige, waarbij alle kosten in rekening kunnen worden gebracht bij de consument, tast de positie aan waarin de consument zich bevindt zonder dat beding doordat het de begrenzing wegneemt die besloten ligt in het wettelijk stelsel van de proceskostenveroordeling. In ieder geval maakt de redactie van het beding onvoldoende duidelijk dat van alle kosten die eiseres mogelijk maakt, alleen de wettelijke buitengerechtelijke incassokosten en de kosten waartoe een consument in een procedure door de rechter wordt veroordeeld, in rekening kunnen worden gebracht.
19. Ten aanzien van de toepassing van artikel 237 Rv Pro en de vraag of er nog een kostenveroordeling dient te komen merkt de kantonrechter het volgende op. Ondanks dat de Hoge Raad in het aangehaalde arrest de vraag over de gevolgen van een oneerlijk proceskostenbeding op zijn beurt heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, is de kantonrechter voornemens de proceskosten af te wijzen, gelet op artikel 6 lid 1 van Pro Richtlijn 93/13/EG en de vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie over de ‘terugvalleer’, zie de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger).
20. Het beding ziet verder ook op de rente die eiseres in rekening kan brengen bij te late betaling en wordt ook in dat opzicht oneerlijk geacht, omdat de wettelijke handelsrente vele malen hoger kan zijn dan de wettelijke rente die normaliter geldt bij deze niet-handelstransactie. Het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van partijen wordt met dit beding dan ook aanzienlijk verstoord.
21. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat artikel 7 van Pro de algemene voorwaarden als oneerlijk moet worden aangemerkt en dat deze de consument dan niet bindt en dat dit tot gevolg heeft dat de vorderingen die daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden, gelet op wat hiervoor onder 16 t/m 20 is overwogen, niet toewijsbaar zijn.
22. Eiseres wordt in de gelegenheid gesteld zich over de geconstateerde oneerlijkheid en (de gevolgen van) vernietiging van het prijsbeding en het beding in artikel 7 van Pro de algemene voorwaarden uit te laten.
23. De zaak wordt naar de rol verwezen waar eiseres zich bij akte kan uitlaten zoals hiervoor is overwogen. Zij dient de gevraagde toelichting en eventuele stukken, inclusief dit vonnis en de door haar genomen aanvullende akte, tenminste twee weken voor de hierna te bepalen rolzitting aan gedaagde te sturen, met de mededeling dat en hoe hij daarop op die rolzitting kan reageren dan wel daarvoor uitstel kan vragen. Eiseres wordt in dat kader verzocht naast de akte ook de mededeling/brief aan gedaagde in het geding te brengen. Wanneer niet kan worden vastgesteld dat de akte tijdig en/of met de juiste mededeling aan gedaagde is toegestuurd, wordt deze in beginsel buiten beschouwing gelaten.
24. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

BESLISSING

De kantonrechter:
verwijst de zaak naar de rolzitting van
24 maart 2026 om 10.00 uurvoor het nemen van akte door eiseres, waarin zij zich kan uitlaten zoals hiervoor is omschreven ten aanzien van de oneerlijkheid;
bepaalt dat eiseres de akte tenminste twee weken vóór deze rolzitting aan gedaagde moet sturen, zoals onder rov. 23 hiervoor is bepaald;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.V. Ulrici, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026 in tegenwoordigheid van mr. H. El-Falah, griffier.