ECLI:NL:RBAMS:2026:2021

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
11864439
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:170 lid 1 BWArt. 7:611 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen werknemer na op non-actiefstelling wegens vermeend grensoverschrijdend gedrag

Werknemer is op non-actief gesteld wegens een onderzoek naar vermeend grensoverschrijdend gedrag van een collega en zijn rol daarbij. Na een kort geding waarin het gerechtshof de wedertewerkstelling toewijst, vordert werknemer in deze bodemprocedure schadevergoeding en schriftelijke rehabilitatie.

De kantonrechter stelt vast dat de op non-actiefstelling destijds gebaseerd was op een zorgvuldige belangenafweging en voldoende zwaarwegende redenen, waaronder het risico op beïnvloeding van het onderzoek door werknemer. De gewijzigde verklaring van de klager, die pas later bekend werd, doet hieraan niet af.

Werknemers stelling dat werkgever aansprakelijk is wegens onjuiste verklaringen onder druk van een leidinggevende wordt onvoldoende onderbouwd geacht. De kantonrechter concludeert dat de werkgever niet in strijd met goed werkgeverschap heeft gehandeld en wijst alle vorderingen af, inclusief rehabilitatie en proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van werknemer af en oordeelt dat werkgever terecht op non-actief heeft gesteld.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11864439 \ CV EXPL 25-12095
Vonnis van 17 februari 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. R. Goedhart,
tegen
PROTHYA BIOSOLUTIONS NETHERLANDS B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Prothya,
gemachtigde: mr. W.M. Hes.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 21 juli 2025, met producties;
- de conclusie van antwoord, met producties;
- het instructievonnis van 28 november 2025;
- de dagbepaling mondelinge behandeling.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 januari 2026. [eiser] is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Namens Prothya zijn verschenen [naam 1] (HR Business Partner), [naam 2] (VP HR) en [naam 3] (HR-business partner), bijgestaan door de gemachtigde. Beide partijen hebben hun standpunt nader toegelicht, waarbij [eiser] gebruik heeft gemaakt van spreekaantekeningen, en vragen van de kantonrechter heeft beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] is een kortgedingprocedure bij de kantonrechter jegens Prothya gestart waarin hij – kort gezegd – heeft gevorderd dat Prothya hem onmiddellijk weer te werk stelt in zijn eigen functie, omdat de op non-actiefstelling onterecht was. De kantonrechter heeft bij vonnis van 17 maart 2022 (zaaknummer: 9644536 \ KK EXPL 22-31) de vorderingen van [eiser] afgewezen.
2.2.
[eiser] is in hoger beroep gegaan tegen dit vonnis. Het gerechtshof heeft bij arrest van 21 februari 2023 (hierna: het arrest) de door [eiser] gevorderde wedertewerkstelling toegewezen. Prothya is veroordeeld om [eiser] onmiddellijk weder te werk te stellen in zijn eigen functie.
2.3.
Het gerechtshof heeft in het arrest, onder de rechtsoverwegingen 2.2 tot en met 2.10, de feiten uiteengezet die aan de beoordeling van de zaak ten grondslag zijn gelegd. De kantonrechter neemt deze feiten, betrekking hebbend op de periode tot aan de datum van het arrest, tot uitgangspunt, zij het dat deze op punten worden aangevuld, en verwijst daarvoor naar genoemd arrest. Feiten die in het onderhavige geding door [eiser] gemotiveerd zijn betwist en daardoor niet zijn komen vast te staan, worden daarbij buiten beschouwing gelaten. Waar nodig zal de kantonrechter de vaststaande feiten aanvullen met overige feiten die voortvloeien uit niet weersproken stellingen van partijen dan wel uit de (onvoldoende) bestreden inhoud van de door partijen ter onderbouwing overgelegde producties.
2.4.
Op 1 maart 2005 is [eiser] in dienst getreden van (de rechtsvoorganger van) Prothya laatstelijk (sinds 1 februari 2016) in de functie van teamleider Productie op de afdeling [naam afdeling] .
2.5.
Op 25 oktober 2021 heeft [naam schoonmaker] (hierna: [naam schoonmaker] ), werkzaam als schoonmaker (in dienst bij een uitzendbureau) bij Prothya, eerst bij [naam teamleider] (hierna: [naam teamleider] ), eveneens werkzaam als teamleider op de afdeling [naam afdeling] , en later bij [eiser] , geklaagd over [naam medewerker] (hierna: [naam medewerker] ), werkzaam als operator op de afdeling [naam afdeling] .
2.6.
Naar aanleiding van de klacht heeft [eiser] op 27 oktober 2021, zonder overleg of samenspraak met [naam teamleider] , een gesprek gevoerd met [naam medewerker] en [naam schoonmaker] . Na dit gesprek heeft [eiser] bij [naam leidinggevende] (hierna: [naam leidinggevende] ), werkzaam als teamleider op de afdeling Cleaning & Utilities en leidinggevende van [naam schoonmaker] , verzocht om overplaatsing van [naam schoonmaker] .
2.7.
Op 10 december 2021 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [naam schoonmaker] en [naam leidinggevende] . Tijdens dit gesprek heeft [naam schoonmaker] gemeld dat [naam medewerker] zich jegens haar ongewenst had gedragen.
2.8.
Op 13 december 2021 heeft [eiser] een e-mailbericht gestuurd aan [naam leidinggevende] , met een kopie aan [naam teamleider] en [naam 4] , werkzaam als manager bij Prothya. [eiser] heeft drie bijlagen meegestuurd, te weten een verslag van de melding van [naam schoonmaker] van 25 oktober 2021, een verslag van het gesprek op 27 oktober 2021 en een evaluatie van 19 november 2021.
2.9.
Bij brief van 23 december 2021 heeft Prothya [eiser] met onmiddellijke ingang op non-actief gesteld met behoud van salaris en emolumenten. In deze brief, die dateert van enkele na aanvang van het onderzoek door [bedrijfsrecherche] (zie hierna), is vermeld dat het vermoeden bestaat dat [eiser] op zeer incorrecte en ongepaste wijze heeft gehandeld en zich daarmee niet heeft gehouden aan de geldende gedragsregels en dat Prothya een onderzoek daarnaar heeft gestart. Deze non-actiefstelling is eenmaal verlengd.
2.10.
In opdracht van Prothya heeft [bedrijfsrecherche] Bedrijfsrecherche (hierna: [bedrijfsrecherche] ) onderzoek gedaan naar de klacht van [naam schoonmaker] en het handelen naar aanleiding van die klacht van [eiser] . Van dat onderzoek is een rapport van 24 januari 2022 opgemaakt. In dat kader heeft [bedrijfsrecherche] tweemaal gesproken met [naam schoonmaker] . Beide uitwerkingen van de door haar afgelegde verklaringen heeft zij vervolgens na lezing met behulp van een tolk goedgekeurd. Als conclusie wordt in het rapport het volgende vermeld:

2.4. Conclusie
Uit het onderzoek werden bevindingen bekend dat de heer [naam medewerker] zich schuldig heeft gemaakt aan grensoverschrijdend gedrag jegens mevrouw [naam schoonmaker] . Grensoverschrijdend gedrag kan opzettelijk, maar ook onopzettelijk zijn. De heer [naam medewerker] zich heeft opgedrongen aan mevrouw [naam schoonmaker] door haar op te zoeken bij de dameskleedkamer, haar bij hem thuis uit te nodigen en duidelijk te maken dat hij met haar wilde trouwen, zonder te toetsen of deze interesse wederzijds was, waarmee hij de grens van mevrouw [naam schoonmaker] is overgegaan. Mevrouw [naam schoonmaker] voelde zich niet veilig op haar werk. Conform de gedragscode van Prothya, worden ongewenste omgangsvormen absoluut niet getolereerd.
Of de heer [naam medewerker] daadwerkelijk € 300,- aan mevrouw [naam schoonmaker] heeft geboden in ruil voor seks, is niet met zekerheid te zeggen. Echter het is opmerkelijk dat de heer [naam medewerker] uit zichzelf vertelde over het geldbedrag van € 300,- of € 350,- en dat mevrouw [naam schoonmaker] hem mogelijk verkeerd had geïnterpreteerd met betrekking tot een aanbod voor seks. Hiermee wekt de heer [naam medewerker] de schijn dat hij zichzelf met die verklaring wilde indekken.
De verklaring van mevrouw [naam schoonmaker] was consistent, kon op diverse punten worden getoetst doordat andere medewerkers haar verklaring konden bevestigen en de verklaring over het bezoek aan de coffeeshop kon door haar worden onderbouwd. De heer [naam medewerker] heeft er echter voor gekozen om geen onderbouwende informatie aan te leveren.
Voorts werden werd bekend over de heer [eiser] dat hij de klacht van mevrouw [naam schoonmaker] niet direct heeft geëscaleerd en heeft, zonder transparant te zijn richting de heer [naam leidinggevende] , het ‘probleem’ zelf willen oplossen. Daarnaast heeft hij de verslagen van de gevoerde gesprekken daaromtrent pas gedeeld nadat mevrouw [naam schoonmaker] haar beklag deed bij haar leidinggevende na haar overplaatsing. Daarnaast zijn er aanwijzingen dat de heer [eiser] heeft aangeboden aan de heer [naam medewerker] en mevrouw [naam schoonmaker] om te bemiddelen voor een huwelijk.
Bovendien heeft de heer [naam teamleider] verklaart dat de heer [eiser] hem had gebeld en uitspraken deed over mevrouw [naam schoonmaker] als ‘kutwijf’ en ‘zij speelt spelletjes’ en bovendien tegen de heer [naam teamleider] ‘dat dit gesprek nooit heeft plaatsgevonden’. De verklaring van de heer [naam teamleider] kon worden onderbouwd met aantekeningen van het betreffende gesprek. (…)
2.11.
Bij brief van 28 januari 2022 heeft Prothya aan [eiser] meegedeeld – kort samengevat – dat zij op basis van de uitkomsten van het onderzoek van [bedrijfsrecherche] geen vertrouwen meer heeft in hem als leidinggevende en dat hij per 1 februari 2022 wordt overgeplaatst naar de afdeling Drug Substance in de functie van Senior Operator en dat hij tot die datum vrijgesteld blijft van werk.
2.12.
[eiser] heeft zich vervolgens ziekgemeld.
2.13.
Kort voor de mondelinge behandeling bij het gerechtshof heeft [eiser] een verklaring in het geding gebracht op naam van [naam schoonmaker] van 16 november 2022. Hierin staat onder meer het volgende:
“(…) Verklaar: Geen melding te hebben gedaan van ongewenst en grensoverschrijdend gedrag op 25 en 27 oktober 2021 bij [eiser] (…). Wel heb ik aangegeven andere klachten te hebben over [naam medewerker] , zoals bemoeienissen op de werkvloer, opmerkingen over mijn werktijden, commentaar krijgen als ik lang met een andere collega praat en het zoeken naar foutje op de werkvloer.
Er was wel sprake van ongewenst gedrag door [naam medewerker] , maar daarvan heb ik voor het eerst melding gemaakt in december 2021 bij mijn direct leidinggevende, teamleider [naam leidinggevende] en HR. En niet in oktober bij [eiser] en [naam teamleider] .
De reden voor mijn onjuiste verklaring bij [naam leidinggevende] /HR en [bedrijfsrecherche] : Ik voelde me gepusht door o.a. [naam leidinggevende] en de angstcultuur die er heerste. Ik voelde druk om het verhaal aan te dikken en ben in mijn emoties daarin meegegaan. (…)
Door het aandikken en vedraaien van mijn verhaal heb ik ook ander hiermee geschaad wat absoluut niet mijn intentie was en waar ik heel erg spijt van heb. (…)
Een ander verklaring waar ik op terug wil komen: [eiser] heeft nooit aangeboden om te bemiddelen tussen mij en [naam medewerker] tav een huwelijk. (…)
Waarom ik nu pas met deze verklaring kom is omdat ik niet wist hoe ik dit misverstand kon oplossen. (…) Aangezien ik niet meer werkzaam meer ben bij Prothya was de stap makkelijker om via een oud collega mijn verklaring indirect te overhandigen aan de heer [eiser] (…).”
2.14.
Na het arrest heeft Prothya [eiser] per 1 mei 2023 direct weder tewerkgesteld in zijn oorspronkelijke functie van Teamleiding Productie op de afdeling [naam afdeling] . Op dat moment was [eiser] nog ziekgemeld.
2.15.
In het kader van de terugkeer van [eiser] in zijn functie, hebben partijen een mediationtraject gestart.
2.16.
Op 8 mei 2023 is een e-mail gestuurd naar de afdeling [naam afdeling] over de terugkeer van [eiser] . Daarin wordt het volgende gemeld:

Zoals jullie weten is [eiser] iets meer dan een jaar afwezig geweest. Na een langdurig juridisch traject, is besloten dat [eiser] terug kan keren in de positie van Team lead binnen de afdeling [naam afdeling] .
In de afgelopen maanden is meermaals gesproken met [eiser] over onder de situatie die is ontstaan, waaronder ook gesprekken over een goede terugkeer binnen het team. Op korte termijn zal hij dan ook weer starten in zijn functie.
We willen onze collega’s van [naam afdeling] en [eiser] graag verzekeren van een veilige en vlotte re-integratie binnen de afdeling en we vragen jullie elkaar te helpen en te ondersteunen waar nodig. We rekenen op je ondersteuning.
Wij wensen [eiser] succes en hopen op een goede samenwerking met elkaar.
2.17.
[eiser] is per 13 juli 2023 hersteld gemeld. Vanaf dat moment heeft hij weer zijn werkzaamheden als Teamleider Productie op de afdeling [naam afdeling] hervat.
2.18.
Op 25 april 2024 heeft de gemachtigde van [eiser] Prothya per brief aansprakelijk gesteld. De gemachtigde van Prothya heeft deze aansprakelijkheid per brief van 17 mei 2024 betwist.
2.19.
Partijen hebben vervolgens een mediationtraject uitgevoerd, maar zijn er niet uitgekomen.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Prothya te veroordelen tot schriftelijke rehabilitatie van [eiser] binnen de werkomgeving, door middel van het per e-mail delen van de tekst genoemd onder randnummer 24 onder alle medewerkers van Prothya, zulks binnen 14 dagen na het in dezen te wijzen vonnis onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag, zulks met een maximum van € 25.000,00;
voor recht te verklaren dat Prothya aansprakelijk is jegens [eiser] ;
Prothya te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van een bedrag van € 39.888,56 aan [eiser] binnen twee weken na betekening van dit vonnis;
Prothya te veroordelen tot het medeondertekenen van de belastinggarantie zoals vermeld onder randnummer 33, binnen twee weken na betekening van het te wijzen vonnis;
Prothya te veroordelen tot betaling van € 3.037,50 aan buitengerechtelijke kosten;
Prothya te veroordelen in betaling van de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt – samengevat – het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag. [eiser] stelt dat de op non-actiefstelling diepe sporen heeft achtergelaten en dat hij op dit punt gerehabiliteerd wil worden. Ook heeft [eiser] materiële en immateriële schade opgelopen door de onterechte op non-actiefstelling. Door de onterechte schorsing heeft Prothya in strijd gehandeld met de eisen van goed werkgeverschap. Verder stelt [eiser] dat aan de op non-actiefstelling met name door [naam schoonmaker] ten laste van hem in strijd met de waarheid afgelegde verklaringen ten grondslag liggen. Deze verklaringen zou [naam schoonmaker] onder druk van een medewerker van Prothya, de heer [naam leidinggevende] , hebben afgelegd. Prothya is als werkgever van [naam leidinggevende] voor door hem tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden aan [eiser] toegebrachte schade aansprakelijk.
3.3.
Prothya voert verweer. Prothya concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Prothya voert daartoe het volgende aan. Prothya stelt allereerst dat [eiser] geen belang heeft bij de schriftelijke rehabilitatie, nu Prothya al intern heeft gecommuniceerd over de wedertewerkstelling van [eiser] . De gevorderde verklaring voor recht en de schadevergoeding dienen ook te worden afgewezen, omdat Prothya destijds voldoende zwaarwegende belangen had om [eiser] op non-actief te stellen. Ten slotte moeten de gevorderde buitengerechtelijke kosten en proceskosten worden afgewezen, omdat [eiser] niet in redelijkheid is overgegaan tot het maken van deze kosten en de hoogte daarvan ook onredelijk is.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De kern van dit geschil ziet op de vraag of Prothya [eiser] terecht op non-actief heeft gesteld. [eiser] heeft twee grondslagen naar voren gebracht waarop zij de gestelde aansprakelijkheid van Prothya baseert. De kantonrechter zal deze ieder apart beoordelen.
Aansprakelijkheid voor ondergeschikten
4.2.
[eiser] stelt zich allereerst op het standpunt dat [naam schoonmaker] , in haar hoedanigheid van ondergeschikte, een onjuiste verklaring heeft afgelegd. Volgens [eiser] is deze onjuiste verklaring het gevolg van de aanzienlijke druk die door [naam leidinggevende] op [naam schoonmaker] is uitgeoefend. Op grond hiervan is Prothya op basis van artikel 6:170 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: BW) aansprakelijk. [naam leidinggevende] had zeggenschap over de gedragingen van [naam schoonmaker] en de fout van de ondergeschikte [naam schoonmaker] heeft geleid tot de schade bij [eiser] .
4.3.
Prothya betwist dat [naam leidinggevende] , of een andere medewerker van Prothya, enige druk op [naam schoonmaker] zou hebben uitgeoefend. [naam schoonmaker] heeft juist meerdere malen verklaard dat ze huiverig was om een melding te doen aangezien ze bang was de schuld te krijgen.
4.4.
Wat betreft het handelen van [naam leidinggevende] wordt het volgende overwogen. De bewering van [eiser] dat [naam leidinggevende] [naam schoonmaker] zou hebben gepusht om de verklaringen af te leggen zoals zij dat heeft gedaan in het kader van het onderzoek van [bedrijfsrecherche] , berust enkel op de beweerde verklaring van [naam schoonmaker] van 16 november 2022 (zie 2.13). Daargelaten dat Prothya heeft betwist dat deze verklaring daadwerkelijk door [naam schoonmaker] is opgesteld, heeft zij ook uitdrukkelijk weersproken dat [naam leidinggevende] [naam schoonmaker] tot de verklaringen heeft aangezet. In het licht van deze betwisting heeft [eiser] zijn vorderingen op dit punt onvoldoende onderbouwd, zodanig dat ook niet wordt toegekomen aan het aangeboden bewijs. De enkele overlegging van de verklaring van [naam schoonmaker] , op dit punt is daartoe niet toereikend, temeer omdat deze verklaring ook nog de nodige vragen oproept. Niet alleen is niet toegelicht hoe [naam schoonmaker] tot deze verklaring is gekomen, nu zij de Nederlandse taal niet goed tot slecht beheerst (het contact met [bedrijfsrecherche] verliep bijvoorbeeld met behulp van een tolk), ook is de wijze waarop [eiser] de verklaring zegt te hebben ontvangen op z’n minst merkwaardig te noemen. Hij heeft hierover ter zitting bij het Hof – kort gezegd – verklaard dat een collega van [naam schoonmaker] haar in de supermarkt was tegengekomen, dat deze collega haar over de situatie van [eiser] heeft verteld, waarna zij hem de verklaring zou hebben overhandigd. Desgevraagd heeft [eiser] geen nadere toelichting kunnen geven over deze gang van zaken. Dit had, gelet ook op de waarde die volgens [eiser] aan deze verklaring kan worden ontleend, wel op zijn weg gelegen.
Goed werkgeverschap
4.5.
[eiser] stelt zich voorts op het standpunt dat Prothya in strijd met goed werkgeverschap heeft gehandeld, doordat zij [eiser] ten onrechte op non-actief heeft gesteld. Prothya heeft de op non-actiefstelling ten onrechte gebaseerd op het verwijt aan [eiser] dat hij de klacht over grensoverschrijdend gedrag niet goed zou hebben opgevolgd door deze niet met zijn meerdere te bespreken conform de afspraken die erover waren gemaakt in het interne reglement. Uit de verklaring van [naam schoonmaker] van 16 november 2022 volgt namelijk dat zij tijdens de gesprekken van 25 en 27 oktober 2021 helemaal geen melding heeft gedaan van ongewenst en grensoverschrijdend gedrag bij [eiser] . Haar melding bij [eiser] ging enkel over een moeizame samenwerking met [naam medewerker] . Deze verklaring sluit ook naadloos aan bij het gespreksverslag dat [eiser] heeft gemaakt van het gesprek van [naam schoonmaker] en [naam medewerker] van 27 oktober 2021. Nu door het gerechtshof is beslist dat er geen redenen waren voor de op non-actiefstelling, kan geconcludeerd worden dat Prothya in strijd met goed werkgeverschap heeft gehandeld. De schorsing en de nasleep hiervan hebben ertoe geleid dat [eiser] psychisch gedecompenseerd is geraakt met een langdurige uitval tot gevolg. Dit heeft geleid tot kosten voor (para)medische behandelingen, verlies van arbeidsvermogen, gemis aan promotiekansen, reputatie-/ en immateriële schade, aldus steeds [eiser] .
4.6.
Prothya voert gemotiveerd verweer. Uit verschillende verklaringen blijkt dat [naam schoonmaker] wel degelijk melding van grensoverschrijdend gedrag had gedaan bij [eiser] . Tijdens het onderzoek van [bedrijfsrecherche] , wat in eerste instantie enkel was ingesteld om het vermeend grensoverschrijdende gedrag van [naam medewerker] jegens [naam schoonmaker] te onderzoeken, kwam naar voren dat meer onderzoek noodzakelijk was naar de betrokkenheid van [eiser] bij de afhandeling van de melding van [naam schoonmaker] . Ook ontstond tijdens het onderzoek vrees voor inmenging in het onderzoek door [eiser] . In belang van het onderzoek is vervolgens door Prothya besloten om [eiser] op non-actief te stellen. Niet kon worden uitgesloten dat [eiser] het onderzoek zou verstoren, zeker omdat tijdens het onderzoek van [bedrijfsrecherche] bleek van een meer dan zakelijke band tussen [eiser] en [naam medewerker] . Bij deze beslissing heeft Prothya een zorgvuldige belangenafweging gemaakt tussen de belangen van de organisatie en het persoonlijk belang van [eiser] . Prothya kwam tot de conclusie dat het risico dat de aanwezigheid van [eiser] het onderzoek zou kunnen beïnvloeden, zwaarder woog dan de nadelen voor [eiser] van een tijdelijke op non-actiefstelling, aldus steeds Prothya.
4.7.
De kantonrechter stelt bij de beoordeling van de vraag of de op non-actiefstelling al dan niet terecht was het volgende voorop. Bij schorsing en op non-actiefstelling wordt aan de werknemer een (tijdelijk) verbod opgelegd zijn werkzaamheden te verrichten. Er bestaat geen wettelijke basis voor deze maatregelen. De rechtmatigheid ervan wordt getoetst aan de beginselen van goed werkgeverschap (artikel 7:611 BW Pro). Kernvraag is dan ook of Prothya zich als goed werkgever heeft gedragen door [eiser] op non-actief te stellen. Daarbij dient als uitgangspunt te worden genomen dat van een werkgever, als goed werkgever, gevergd mag worden dat hij de werknemer tegen diens wil slechts de mogelijkheid mag onthouden om de overeengekomen arbeid te verrichten wanneer de werkgever daarvoor een redelijke grond heeft en dat die grond voldoende zwaar dient te wegen, gelet op het in beginsel zwaarwegend te achten belang van de werknemer om de bedongen arbeid te kunnen blijven verrichten. Een ingrijpende maatregel als een op non-actiefstelling van een werknemer mag slechts worden genomen als toelating van de werknemer op het werk aan de goede gang van zaken bij de werkgever grote schade zou toebrengen of wanneer vanwege andere zwaarwegende redenen, waartegen de belangen van de werknemer niet opwegen, in redelijkheid van de werkgever niet gevergd kan worden dat hij de werknemer nog langer op het werk duldt.
4.8.
Bij de beoordeling is voorts van belang dat, anders dan [eiser] kennelijk veronderstelt, sprake is van een ex tunc-toets. Ter beoordeling ligt derhalve of Prothya destijds, op het moment van de beslissing, beschikte over voldoende aanleiding om [eiser] op non-actief te stellen. [eiser] lijkt ervan uit te gaan dat nu het gerechtshof in kort geding heeft vastgesteld dat op basis van de gewijzigde verklaring van [naam schoonmaker] niet duidelijk is geworden wat zij precies aan [eiser] heeft gemeld op 25 oktober 2021, Prothya dus onvoldoende aanleiding had om [eiser] op non-actief te stellen. [eiser] miskent hierbij het feit dat de gewijzigde verklaring van [naam schoonmaker] , wat daar overigens ook van zij, pas in november 2022 bekend was, vlak voor de behandeling van de zaak bij het gerechtshof. Prothya kon dus geen rekening houden met deze verklaring ten tijde van het op non-actief stellen van [eiser] op 23 december 2021.
4.9.
De kantonrechter komt tot het oordeel dat er destijds in redelijkheid voldoende aanleiding was voor Prothya om in het kader van haar zorgplicht jegens alle betrokkenen [eiser] op 23 december 2021 op non-actief te stellen. Bij die beoordeling is van doorslaggevend belang welke feiten en omstandigheden op dat moment bij Prothya bekend waren. In tegenstelling tot het gerechtshof, acht de kantonrechter niet doorslaggevend de vraag of [naam schoonmaker] op 25 oktober 2021 daadwerkelijk melding heeft gedaan van het grensoverschrijdende gedrag van [naam medewerker] bij [eiser] , maar gaat het om de samenloop van omstandigheden waardoor Prothya naar oordeel van de kantonrechter terecht vrees heeft gekregen voor inmenging van [eiser] in het onderzoek.
4.10.
Zoals Prothya heeft toegelicht op de mondelinge behandeling, was de directe aanleiding voor het onderzoek niet de wijze van afhandeling van de melding van [eiser] , maar ging het om het vermeende grensoverschrijdende gedrag van [naam medewerker] jegens [naam schoonmaker] . Gedurende het onderzoek rezen er echter vragen over de rol van [eiser] bij de afhandeling van de melding. Zo is door [naam teamleider] verklaard dat [eiser] hem op 17 december 2021 telefonisch liet weten dat hij wist dat er een onderzoek liep op de afdeling vanwege de melding van [naam schoonmaker] . Op dat moment kon [eiser] echter nog niet op de hoogte zijn van dit onderzoek. Ook zei [eiser] dat [naam schoonmaker] “een spelletje” speelt en dat dit telefoongesprek tussen hem en [naam teamleider] niet had plaatsgevonden. Prothya heeft deze verklaring onderbouwd met een aantekening die [naam teamleider] van dit gesprek heeft gemaakt en die diezelfde dag nog per e-mail aan mevrouw [naam 1] (HR Business Partner) heeft verstuurd. In dit licht is met de enkele ontkenning van [eiser] dat hij dit niet zou hebben gezegd, een en ander onvoldoende betwist.
4.11.
Tijdens het onderzoek van [bedrijfsrecherche] kwam daarbij het vermoeden naar voren dat er sprake was van een meer dan zakelijke relatie tussen [eiser] en [naam medewerker] . Zo verklaarde [naam schoonmaker] op 21 december 2021 dat zij wist dat [eiser] en [naam medewerker] goed bevriend waren. Dit wordt ook bevestigd in de verklaring van [naam teamleider] van 21 december 2021, waarin hij ook spreekt over een
vrij hechte bandtussen [eiser] en [naam medewerker] . Bovendien heeft [naam schoonmaker] verklaard dat er sprake zou zijn geweest van een relatie tussen [eiser] en haar zus. Voorgaande samen bezien met het feit dat [eiser] de gespreksverslagen van zijn gesprekken met [naam schoonmaker] en [naam medewerker] pas ruim een maand na het plaatsvinden daarvan heeft verstuurd aan [naam leidinggevende] vlak nadat [naam leidinggevende] met [naam schoonmaker] had gesproken over de melding, maakt dat Prothya terecht vragen kreeg over de betrokkenheid van [eiser] . Hiertegenover heeft [eiser] erop gewezen dat zijn collega [naam teamleider] , de melding ook niet heeft geëscaleerd en dat er ook geen verslag is van het gesprek van [naam teamleider] en [naam schoonmaker] . Dit staat echter los van de zaak van [eiser] . Bovendien heeft Prothya, zoals hiervoor beschreven, gemotiveerd toegelicht dat er ten aanzien van [eiser] bijkomende omstandigheden naar voren kwamen over zijn betrokkenheid bij de melding.
4.12.
Een ander verwijt dat [eiser] voorts maakt jegens Prothya is dat Prothya heeft nagelaten om, nadat bleek dat de verklaring van [eiser] van 23 december 2021 haaks stond op de verklaring van [naam schoonmaker] van 23 december 2021, [naam schoonmaker] concreet te vragen hoe het kan dat [eiser] anders heeft verklaard over de inhoud van het gesprek van 21 oktober 2021. Hoewel het inderdaad een mogelijkheid was geweest om [naam schoonmaker] hiermee te confronteren, neemt dit niet weg dat zij een tweede verklaring heeft afgelegd waarin zij niet afstand neemt van haar eerdere verklaring en er ook belastende informatie uit diverse andere bronnen voorhanden was, zoals hiervoor beschreven. Het enkele gegeven dat [naam schoonmaker] een confronterende vraag voorgelegd had kunnen krijgen als door [eiser] bedoeld, maakt tegen de achtergrond van al het overige dat op dat moment bekend was bij Prothya, niet dat daarom thans geoordeeld zou moeten worden dat Prothya niet in redelijkheid tot een maatregel van non-actiefstelling kon komen.
4.13.
[eiser] heeft er verder op gewezen dat [naam schoonmaker] haar verklaringen die zij tijdens het onderzoek bij [bedrijfsrecherche] heeft afgelegd, heeft ingetrokken en dat daarmee kan worden vastgesteld dat [naam schoonmaker] dus op 25 oktober 2021 niets zou hebben gemeld over grensoverschrijdend gedrag van [naam medewerker] tegen haar aan [eiser] . Deze verklaring dateert van 16 november 2022, bijna een jaar na de eerdere afgelegde verklaringen van [naam schoonmaker] en werd door [eiser] in het geding gebracht ter gelegenheid van de zitting bij het gerechtshof. Deze gewijzigde verklaring van [naam schoonmaker] , waarover hiervoor onder 4.4. al het nodige is opgemerkt, vormt het eerste moment in deze zaak waarop een afwijkend geluid is gehoord. Het gerechtshof heeft bij zijn toetsing in kort geding kennelijk grote waarde toegekend aan deze gewijzigde verklaring. Daarbij geldt echter dat het oordeel van het gerechtshof een voorlopig karakter heeft en geen oordeel ten gronde betreft. Dat Prothya er vervolgens, om haar moverende redenen, voor heeft gekozen de zaak niet verder door te zetten en [eiser] weer in zijn oude functie te laten terugkeren, betreft een latere afweging die losstaat van de rechtmatigheid van de eerdere non-actiefstelling. Daarna is er een mediationtraject doorgelopen om de verhoudingen te verbeteren alvorens [eiser] weer aan het werk ging. Er is door Prothya een bericht naar de afdeling gestuurd over de terugkeer van [eiser] . Tegen deze achtergrond kan in het midden blijven of de gewijzigde verklaring van [naam schoonmaker] juist is, nu Prothya naar aanleiding daarvan maatregelen heeft genomen en dit geen afbreuk doet aan de beoordeling van de non-actiefstelling ten tijde van de besluitvorming.
4.14.
De conclusie is dus dat Prothya op 23 december 2021 een zwaarwegend belang had om [eiser] op non-actief te stellen. De conclusie van [bedrijfsrecherche] gaf geen aanleiding om de op non-actiefstelling te beëindigen. Prothya was dus niet gehouden om [eiser] eerder weder te werk te stellen. Het belang van [eiser] bij wedertewerkstelling woog naar oordeel van de kantonrechter op dat moment niet zwaarder dan dat van Prothya bij handhaving van de non-actiefstelling. De kantonrechter komt tot de conclusie dat Prothya terecht op non-actief heeft gesteld en wijst daarom de vorderingen die zien op de aansprakelijkheid van Prothya af. Hieruit volgt dat de gevorderde ondertekening van de belastinggarantie ook wordt afgewezen.
Rehabilitatie
4.15.
Nu de kantonrechter tot de conclusie komt dat Prothya [eiser] terecht op non-actief heeft gesteld, wordt de gevorderde rehabilitatie ook afgewezen. Bovendien heeft [eiser] onvoldoende toegelicht wat zijn belang hierbij is, nu Prothya al een mail heeft gestuurd naar de afdeling over zijn terugkeer en niet gesteld of gebleken is dat [eiser] daar toentertijd tegen geprotesteerd heeft.
De buitengerechtelijke kosten
4.16.
Nu de hoofdvorderingen worden afgewezen, komen de buitengerechtelijke kosten evenmin voor toewijzing in aanmerking.
De proceskosten
4.17.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Prothya worden begroot op:
- salaris gemachtigde
1.732,00
(1 punt × € 866,00)
- nakosten
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.804,00
4.18.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.804,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H. Mulderije, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026, in aanwezigheid van de griffier mr. S.H.I. Hoestra.
61289