Verzoekster heeft op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) een voorziening 'begeleid thuis' toegekend gekregen door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Zij maakte bezwaar tegen het besluit omdat de toegekende begeleiding in de praktijk niet werd uitgevoerd. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek om een voorlopige voorziening op 24 februari 2026.
Tijdens de zitting werd vastgesteld dat verzoekster kampt met meervoudige en complexe problematiek en dat het college tot op dat moment niet in staat was geweest om de benodigde zorg en begeleiding daadwerkelijk te realiseren. Het advies van [bedrijf 1] B.V. stelde een urenomvang van 11:45 uur per week vast voor aanvullende individuele ondersteuning, welke het college zal honoreren in een nieuw besluit.
Partijen maakten afspraken over het opstellen en ondertekenen van een ondersteuningsplan met de beoogde zorgaanbieder [bedrijf 3]. De voorzieningenrechter bepaalde dat verzoekster de benodigde zorg in natura moet ontvangen en legde een dwangsom op van €250 per dag bij niet-naleving vanaf 10 maart 2026, met een maximum van €7.500. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan verzoekster.
De uitspraak is bindend voor de voorlopige voorziening en kan niet worden aangevochten door hoger beroep of verzet.