Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:2005

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
12002587 KK EXPL 25-843
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 174a GemeentewetArt. 7:231 BWArt. 6:265 BWArt. 6:267 BWArt. 7:19 Algemene Voorwaarden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming woning wegens ernstige wanprestatie door drugs- en wapenbezit ondanks gedeeltelijke herroeping sluitingsbevel

De huurder [gedaagde] huurt sinds november 2023 een woning van Woningstichting Eigen Haard. Na een explosie in augustus 2025 en de vondst van een doorgeladen vuurwapen en drugs in de woning, werd deze op grond van artikel 174a Gemeentewet gesloten. Eigen Haard ontbond de huurovereenkomst buitengerechtelijk wegens wanprestatie en vorderde ontruiming, huurachterstand, een boete en kosten.

De burgemeester herroept het sluitingsbevel gedeeltelijk, waardoor de primaire grondslag voor ontruiming kwam te vervallen. Eigen Haard handhaafde de vordering op basis van wanprestatie. De huurder voerde aan niet verantwoordelijk te zijn voor de drugs en het wapen, die aan zijn zoon werden toegeschreven, en dat hij de woning niet kon betrekken.

De kantonrechter oordeelt dat de huurder als hoofdbewoner verantwoordelijk is voor wat in de woning gebeurt, en dat het niet aannemelijk is dat hij niets wist van de druggerelateerde activiteiten. De explosie en de vondst van drugs en vuurwapen vormen een ernstige wanprestatie. De huurachterstand wordt afgewezen vanwege onduidelijkheid over het gebruik van de woning na sluiting. De contractuele boete wordt afgewezen omdat onvoldoende is aangetoond dat de huurder zelf het verbod heeft overtreden.

De ontruiming wordt toegewezen met een termijn van tien dagen na betekening. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De rechtbank wijst de ontruiming toe wegens ernstige wanprestatie, wijst huurachterstand en boete af en compenseert de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12002587 \ KK EXPL 25-843
Vonnis in kort geding van 18 februari 2026
in de zaak van
WONINGSTICHTING EIGEN HAARD,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Eigen Haard,
gemachtigde: mr. M.E. Zwaan,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de producties van Woningstichting Eigen Haard
- de producties van [gedaagde]
- de mondelinge behandeling van 4 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de pleitnota van Woningstichting Eigen Haard.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] huurt sinds 1 november 2023 van Eigen Haard de woning aan de [adres] . Het betreft een kleine woning (woonkamer en slaapkamer) op de zesde verdieping van een flatgebouw. De huur bedraagt € 838,45.
2.2.
In artikel 7 van Pro de bij de huurovereenkomst behorende algemene bepalingen staat dat de huur uiterlijk op de eerste dag van de maand moet zijn betaald en dat de huurder ervoor zorgt dat omwonenden geen overlast, hinder of gevaar door huurder of personen van zijn huishouden zullen ondervinden. Ook is het de huurder, op straffe van een boete van
€ 10.000,00 niet toegestaan de woning te gebruiken voor bedrijfsmatige teelt van hennep of de woning anderszins in het kader van de Opiumwet bedrijfsmatig te gebruiken.
2.2.
De burgemeester van [gemeente] heeft op 7 augustus 2025 de woning voor de duur van drie maanden gesloten op grond van artikel 174 a Gemeentewet. In het sluitingsbevel staat onder meer het volgende:
“Uit de politierapportages van 6 augustus 2025 over de woning blijkt het volgende.
- Op maandag [datum] 2024 heeft omstreeks [tijdstip] uur een explosie plaatsgevonden bij de woning. De woning ligt op de zesde verdieping van een flat. Door de explosie is een kleine brand ontstaan in de gang en aan de voorkant van de woning. Door politieambtenaren is gezien dat een groot aantal bewoners van de flat zichtbaar geschokt waren.
- Tijdens een controle in de woning werd in de enige slaapkamer een doorgeladen vuurwapen aangetroffen. Dit vuurwapen lag zichtbaar in een kast waarvan het deurtje ontbrak.
- In dezelfde kast werden 16 roze pillen, 4 oranje pillen, bruine kristalachtige brokjes in een doorzichtig zakje en één vals l0 eurobiljet aangetroffen. In de slaapkamer werden ook kapot geknipte plastic zakjes aangetroffen. Het vermoeden bestaat dat hiermee bolletjes worden verkocht. De 16 pillen bleken MDMA te bevatten en betroffen in totaal 8.07 gram. De overige pillen en brokjes worden nog onderzocht.
- Tijdens het onderzoek in de woning meldde zich bij de woning een persoon. Tijdens zijn fouillering werden 2 wikkels en 20 bolletjes aangetroffen, deze bevatten vermoedelijk cocaïne. De inhoud wordt nog onderzocht.
Verder geeft de politie aan dat volgens buurtbewoners voornamelijk in de nachtelijke uren in de woning wordt geleefd. Buurtbewoners hebben het vermoeden dat er drugs wordt gedeald. Er heerst een onveilig gevoel.
Buurtbewoners waren zichtbaar geschokt. Dit wordt ook bevestigd door informatie van het stadsdeel. Meerdere bewoners hebben bij het stadsdeel verklaard dat er altijd veel aanloop is op het adres, vooral ‘s nachts. Ze zien vaak personen die zich dreigend opstellen tegen buren, de lift kapotmaken en soms met enge honden door het gebouw naar de woning lopen. Sommige omwonenden liggen elke nacht wakker van het rumoer en door het in en uitlopen van bezoek.
Volgens de politie bestaat er een reëel risico dat er op korte termijn weer een verstoring van de openbare orde zal plaatsvinden gezien de explosie die heeft plaatsgevonden, het wapen en de drugs die in de woning zijn aangetroffen, het feit dat de bewoners als vuurwapengevaarlijk geregistreerd staan alsmede hun antecedenten.
Overwegingen
De woning is doelwit geweest van een explosie. Daarnaast is in de woning een handelshoeveelheid harddrugs aangetroffen en een doorgeladen vuurwapen. Dat betekent dat zowel de b- als de c-grond van artikel 174a Gemeentewet van toepassing is. De bewoners staan beiden geclassificeerd als vuurwapengevaarlijk en hebben beiden veel antecedenten. De politie concludeert dat sprake is van een risico op herhaling.
De gevaarzetting voor de omwonenden van de woning aan de [adres] is groot. De explosie heeft om [tijdstip] uur plaatsgevonden, een tijdstip waarop veel mensen nog wakker zijn. De explosie heeft bovendien veel impact op omwonenden gehad. Maar ook voorafgaand aan de explosie heeft de buurt veel last gehad van overlast vanuit de woning. Er is vermoedelijk een loop vanwege de drugshandel.
Deze geweldsincidenten vormen een levensbedreigend gevaar voor omstanders, waarmee een aantasting van het veiligheidsgevoel en het woon- en leefklimaat gepaard gaat. De bewoners van de woning verblijven op dit moment elders.”
2.3.
Eigen Haard heeft in verband hiermee de huurovereenkomst bij brief van 28 augustus 2025 met verwijzing naar artikel 7:231 lid 2 jo Pro artikel 6:267 lid 1 BW Pro buitengerechtelijk ontbonden. Eigen Haard heeft erop gewezen dat de aangetroffen drugs staan vermeld op lijst I behorende bij de Opiumwet en dat het bewerken, verwerken, verkopen, verstrekken, daartoe aanwezig hebben of vervaardigen van middelen
die vermeld staan op lijst I strafbaar is gesteld in de Opiumwet. Handel, gebruik en
aanwezigheid van drugs hebben volgens Eigen Haard een nadelig effect op de openbare orde. De aanwezigheid van handelshoeveelheid drugs kan leiden tot onveiligheid voor de omwonenden vanwege overlast, explosies, brandgevaar, ripdeals, inbraak en de aantrekkingskracht van de woning op criminele activiteiten. Ook is het algemeen bekend dat personen die zich bezighouden met de handel in drugs gewelddadig kunnen zijn. In dit geval heeft het gevaar zich ook verwezenlijkt doordat er een explosie heeft plaatsgevonden waarbij de veiligheid van omwonenden in gevaar is gebracht en hebben omwonenden verklaard dat zij zich onveilig voelen door de drugshandel vanuit de woning. [gedaagde] staat volgens Eigen Haard bovendien bij de politie bekend als vuurwapengevaarlijk en heeft veel antecedenten op zijn naam.
2.4.
Eigen Haard wijst er verder op dat sprake is van een huurachterstand, welke huurachterstand inmiddels is opgelopen tot € 4.336,86.
2.5.
Namens [gedaagde] is bezwaar gemaakt tegen het sluitingsbevel. Bij beslissing van 3 februari 2026 heeft de burgemeester het besluit tot sluiting gedeeltelijk herroepen en de sluiting in tijd beperkt tot en met 27 augustus 2025. Daarbij volgt de burgemeester het advies van de bezwaarschriftencommissie. In dat advies staat onder meer dat de burgemeester weliswaar in beginsel terecht tot sluiting is overgegaan, maar dat in verband met de op de sluiting gebaseerde buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst, het bevel toch als onevenwichtig moet worden aangemerkt. De bezwaarschriftencommissie overweegt onder meer :
“(…). Na afloop van de hoorzitting heeft gemachtigde laten weten dat bezwaarde door het Openbaar Ministerie is vrijgesproken voor het aangetroffen wapen, nu hij ten onrechte is aangemerkt als verdachte. Gelet op de recente overzichtsuitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2922) moet de burgemeester de mate van verwijtbaarheid van degenen die door de sluiting worden getroffen worden beoordelen en of hen kan worden tegengeworpen dat zij zelf het
risico op ingrijpende gevolgen van hun handelen of nalaten hebben genomen (r.o. 11.2). Gelet op het gegeven dat bezwaarde niets te maken heeft met het wapen is de commissie van mening dat bezwaarde geen verwijt kan worden gemaakt. De zoon van bezwaarde is een volwassen man, waarover hij geen gezag heeft. Het is dan ook aannemelijk dat bezwaarde de slaapkamer niet controleerde op het moment dat zijn zoon daar verbleef. Uit de bestuurlijke rapportage blijkt geenszins dat aan bezwaarde wél een verwijt kan worden gemaakt. Deze enkele omstandigheid maakt nog niet dat het sluitingsbevel onevenwichtigs is.
Tijdens de hoorzitting heeft gemachtigde laten weten dat de woningcorporatie als gevolg van het sluitingsbevel de huurovereenkomst van bezwaarde buitengerechtelijk heeft ontbonden. Daarmee is de sluiting niet langer een tijdelijke maatregel, maar dreigt deze voor bezwaarde een structureel en onomkeerbaar karakter te krijgen. De woningbouwcorporatie bleek ondanks navraag de ontruimingsprocedure te willen doorzetten. Een ontruiming treft bezwaarde onevenredig zwaar en gaat verder dan hetgeen met het sluitingsbevel wordt beoogd. Het doel van een sluiting van een woning is bedoeld om de openbare orde onmiddellijk te herstellen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling zullen de betrokken belangen opnieuw moeten worden afgewogen op basis van nieuwe informatie en zal een nieuw besluit worden genomen waarvan de gevolgen niet onevenredig zijn in verhouding met de tot het beleid te dienen doelen. Daarbij moeten in ieder geval de woonbelangen van bezwaarde worden meegenomen (ECLI:NL:RVS:2022:285). Gelet hierop is de commissie van oordeel dat het sluitingsbevel niet de enkele aanleiding mag zijn de buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst. Tegelijkertijd is de commissie van mening dat u ten tijd van het nemen van het bevel dit bevel op juiste gronden heeft genomen. De nieuw gebleken omstandigheden maken dat de commissie van mening is dat het besluit onevenwichtig wordt op het moment dat de verhuurder laat blijken dat hij de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbindt. Omdat die buitengerechtelijke ontbinding slechts kan worden ingeroepen gedurende termijn dat het sluitingsbevel van kracht is (artikel 7:231, lid 2 BW) is de commissie van mening dat het sluitingsbevel voor dat tijdstip zijn kracht dient te verliezen. De buitengerechtelijke ontbinding is op (de ontruimingsprocedure op 28 augustus j.l. gedaan. De commissie adviseert dan ook het bevel op 27 augustus te laten beëindigen.

6.Conclusie en advies

Naar het oordeel van de bezwaarschriftencommissie heeft u zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat sluiting noodzakelijk en passend is om de openbare orde in de omgeving te herstellen en verdere incidenten te voorkomen. De heroverweging geeft echter op grond van nieuw gebleken feiten en omstandigheden aanleiding om het bestreden besluit deels te herroepen.”
2.6.
[gedaagde] heeft tijdens de zitting aangevoerd na de explosie nog niet te zijn teruggekeerd naar de woning. Deze is op slot en nog niet hersteld. Hij leeft sindsdien op straat. Van een regulier inkomen is mede daardoor geen sprake en om die reden kan hij de huur niet betalen. Zijn destijds inwonende zoon is nog steeds gedetineerd. De zoon woonde in de slaapkamer en [gedaagde] in de woonkamer, waar hij ook sliep. [gedaagde] heeft naar voren gebracht niets te weten van de betrokkenheid bij drugs van zijn zoon en evenmin dat er een (doorgeladen) vuurwapen in de slaapkamer lag. Hij kwam niet in de slaapkamer. Dat was het domein van zijn zoon.

3.Het geschil

3.1.
Woningstichting Eigen Haard vordert, samengevat en na wijziging van eis ontruiming van het pand aan [adres] , betaling van de huurachterstand, betaling van de huur zolang de ontruiming nog niet heeft plaatsgevonden en betaling van een contractuele boete van € 10.000.00. Eigen Haard vordert daarnaast de kosten van ontruiming, voor het geval [gedaagde] niet vrijwillig aan de veroordeling tot ontruiming voldoet. Tenslotte vordert Eigen Haard dat [gedaagde] in de kosten van het geding wordt veroordeeld.
3.2.
Woningstichting Eigen Haard legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Eigen Haard heeft ter zitting aangevoerd de (primaire) grondslag van ontruiming op basis van de buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst niet langer te handhaven. Aanleiding daarvoor is het gedeeltelijk herroepen sluitingsbevel van de burgemeester.
Eigen Haard handhaaft de subsidiaire grondslag van de vordering en voert aan dat [gedaagde] ernstige wanprestatie valt te verwijten op grond waarvan mag worden verwacht dat de bodemrechter de huurovereenkomst zal ontbinden.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] voert aan dat hij groot belang heeft bij de woning omdat hij niet over andere huisvesting beschikt en het mede gezien de woningnood vrijwel onmogelijk is om in zijn situatie een andere woning te vinden. Hij wijst erop dat zijn zoon volwassen is en dat hij niet verantwoordelijk is voor de drugs en het doorgeladen vuurwapen dat in de kamer van zijn zoon is gevonden. Hij heeft niets gemerkt van aanloop van bezoekers van zijn zoon die betrokken waren bij drugs. Met de explosie heeft hij evenmin iets van doen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Hetgeen door Eigen Haard is aangevoerd met betrekking tot de buitengerechtelijke ontbinding behoeft verder geen bespreking, nu deze grondslag van de vordering ter zitting is ingetrokken.
Ontruiming gerechtvaardigd
4.2.
De kantonrechter overweegt dat in deze civielrechtelijke (kort geding) procedure centraal staat de vraag of sprake is van een zodanige ernstige wanprestatie als bedoeld in artikel 6:265 BW Pro dat mag worden verwacht dat de bodemrechter de huurovereenkomst zal ontbinden en dat ontruiming vooruitlopend daarop is gerechtvaardigd. De gemachtigde die [gedaagde] heeft bijgestaan in de bestuursrechtelijke procedure heeft, in een aan de kantonrechter en Eigen Haard gericht schrijven, aangevoerd dat ontruiming niet meer aan de orde kan zijn nu het sluitingsbevel gedeeltelijk is herroepen alsmede vanwege de gronden die in de herroepingsbeslissing staan vermeld. De gemachtigde ziet hier echter over het hoofd dat de vordering tevens (subsidiair) is gebaseerd op wanprestatie. Daarvoor geldt een eigen civielrechtelijk beoordelingskader.
4.3.
De kantonrechter stelt voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet - volgens vaste jurisprudentie - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.
4.4.
Volgens Eigen Haard is sprake van een ernstige vorm van wanprestatie als hiervoor bedoeld. Eigen Haard wijst er daarbij op dat er een groot tekort is aan sociale huurwoningen en toewijzing aan een andere gegadigde op korte termijn gewenst is. Eigen Haard voert verder aan dat zich op [datum] 2025 een explosie nabij de woning heeft voorgedaan die in relatie is te brengen met [gedaagde] dan wel zijn inwonende zoon. Door de explosie is er grote onrust in de buurt ontstaan en hebben meerdere bewoners hun huis enige tijd niet kunnen bewonen. Daarnaast zijn er drugs en een doorgeladen vuurwapen in de woning aangetroffen Tenslotte is er kort na de explosie iemand nabij de woning aangetroffen die op weg was naar [gedaagde] of zijn zoon en drugs bij zich had.
4.5.
[gedaagde] heeft de feitelijke juistheid van deze verwijten niet bestreden maar aangevoerd dat niet hij maar zijn zoon hiervan de oorzaak is. Hij wist niet van het vuurwapen en was evenmin op de hoogte van de aanwezigheid van drugs en/of aanloop van mensen die voor zijn zoon kwamen. Volgens [gedaagde] was de explosie niet op hem gericht.
4.6.
De kantonrechter is van oordeel dat het argument dat [gedaagde] van niets wist weinig overtuigend is. Het gaat om een kleine woning. De slaapkamer waar de zoon kennelijk woonde is blijkens de plattegrond van de woning alleen via de woonkamer, waar [gedaagde] stelt te hebben gewoond, bereikbaar. In een dergelijke situatie is moeilijk voorstelbaar dat de bewoner van de woonkamer geen benul heeft van wat zich in de slaapkamer afspeelt of wie deze kamer bezoekt. Omwonenden hebben er over geklaagd dat de woning regelmatig, met name ’s nachts, door mensen die zij in verband brengen met drugs werd bezocht. Dat was blijkens de politierapportage ook kort na de explosie nog het geval. [gedaagde] heeft verder aangevoerd dat hij niet gewoon was de kamer van zijn zoon te inspecteren en dat dat ook niet van hem kan worden gevergd. Nu [gedaagde] door de regelmatige aanloop van derden in ieder geval wel aanwijzingen had dat er druggerelateerde activiteiten in zijn woning plaatsvonden, had van hem wel verdergaand optreden mogen worden verwacht. Los hiervan, ook al was [gedaagde] niet op de hoogte, dan draagt hij als hoofdbewoner tegenover Eigen Haard de verantwoordelijkheid voor wat er in de woning gebeurt. Verder (of is voldoende aannemelijk) dat de explosie grote onrust bij omwonenden teweeg heeft gebracht. Het verweer van [gedaagde] treft daarom geen doel.
4.7.
Bij de beoordeling van de ernst van de wanprestatie speelt verder mee dat blijkens een door Eigen Haard in het geding gebracht overzicht al voordat de explosie zich voordeed er sprake was van een aanzienlijke en structurele huurachterstand. Per 1 augustus 2025 bedroeg deze achterstand € 2.520,60. Inmiddels is deze achterstand, met verdiscontering van een verrekening in november 2025, opgelopen tot € 4.336,86.
4.8.
De kantonrechter overweegt dat gelet op het voorgaande er sprake is van een ernstige vorm van wanprestatie. [gedaagde] heeft groot belang bij behoud van de woning. Dat belang moet echter in dit geval wijken voor de belangen van Eigen Haard en in het verlengde daarvan die van omwonenden bij een rustig huur- en woongenot. De kantonrechter komt daarom tot de conclusie dat het dermate waarschijnlijk is dat in een bodemzaak de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde zal worden uitgesproken, dat het gerechtvaardigd is daarop voor wat betreft de ontruiming vooruit te lopen in kort geding. Nu [gedaagde] feitelijk niet in de woning verblijft maar zijn spullen er wellicht nog wel staan, zal de ontruiming op een termijn van 10 dagen na betekening van het vonnis, worden toegewezen. De eveneens gevraagde veroordeling van [gedaagde] in de eventuele kosten van ontruiming zal worden afgewezen, nu onvoldoende vaststaat of daarvan sprake zal zijn en de hoogte daarvan te onbepaald is.
Huurachterstand
4.9.
Eigen Haard vordert, na vermeerdering van eis, een bedrag van € 4.336,86 aan huurachterstand. Het betreft de openstaande huur tot en met februari 2026. [gedaagde] heeft erop gewezen, zo begrijpt de kantonrechter zijn verweer op dit punt, dat hij sinds de explosie feitelijk geen gebruik meer heeft kunnen maken van zijn woning en ook na afloop van de termijn van het sluitingsbevel niet in de gelegenheid is gesteld de woning weer te betrekken. De kantonrechter overweegt dat een bijzonderheid in het onderhavige geval is dat door de uitkomst van de bezwaarschriftenprocedure over het sluitingsbevel, [gedaagde] in beginsel per 28 augustus 2025 weer aanspraak had op daadwerkelijk gebruik van zijn woning. Dat is echter pas door de herziene beslissing van de burgemeester op 3 februari 2026 duidelijk geworden. Of [gedaagde] onder de geschetste omstandigheden gehouden is tot onverkorte betaling van huur tot op heden terwijl hij geen gebruik van het gehuurde kon maken staat op dit moment nog onvoldoende vast. Daarvoor is onder andere meer duidelijkheid gewenst over de vraag waarom [gedaagde] niet per 7 november 2025 (einde van het oorspronkelijke sluitingsbevel) in de gelegenheid is gesteld de woning te betrekken. Gezien de onzekerheid over de hoogte van de betalingsachterstand, ziet de kantonrechter, nu het een kort geding betreft waar verder onderzoek of bewijs niet aan de orde is, aanleiding de vordering op dit punt af te wijzen.
Contractuele boete
4.10.
Dit onderdeel van de vordering wordt door Eigen Haard gebaseerd op de overtreding van het verbod in de Algemene Voorwaarden tot het verrichten van bedrijfsmatige activiteiten op grond van de Opiumwet in het gehuurde. Ook hier heeft [gedaagde] het verweer gevoerd dat voor zover er verboden druggerelateerde activiteiten hebben plaatsgevonden, dit zijn zoon is te verwijten en hij hier buiten staat.
4.11.
De kantonrechter overweegt, ambtshalve toetsend, dat hij het boetebeding voorshands niet oneerlijk of onredelijk bezwarend acht. Het beding dient om potentiële overtreders van het verbod van druggerelateerde activiteiten in het gehuurde af te schrikken. Dat zijn in de regel activiteiten waar veel geld mee wordt verdiend. Het gaat om een gefixeerd (maximaal) bedrag dat de kantonrechter in het licht van de activiteiten die het beding wil bestrijden niet bovenmatig hoog voorkomt.
4.12.
Of het beding ook tegen [gedaagde] kan worden ingeroepen, zoals Eigen Haard doet, acht de kantonrechter echter de vraag. Het beding in de Algemene Voorwaarden (artikel 7.19) is gericht op de huurder en verbiedt hem, kort samengevat, druggerelateerde activiteiten in het gehuurde te (doen) verrichten. Indien de huurder op bedrijfsmatige wijze hennep heeft geteeld, dan wel op andere wijze in het kader van de Opiumwet het gehuurde bedrijfsmatig heeft gebruikt, is hij de boete verschuldigd. Voor toepassing van deze bepaling dient naar het oordeel van de kantonrechter voldoende aannemelijk te zijn dat de huurder zelf het verbod heeft overtreden. Tegenover het verweer van [gedaagde] dat niet hij maar zijn zoon als overtreder moet worden aangemerkt, heeft Eigen Haard naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende onderbouwd dat [gedaagde] niettemin de boete is verschuldigd. Dit onderdeel van de vordering zal daarom tevens worden afgewezen.
4.13.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.5. De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen tien dagen na betekening van dit vonnis het pand aan [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Eigen Haard zijn, en de sleutels af te geven aan Eigen Haard, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo. 444 Rv bepaalde;
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.J. van der Molen, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026 door mr. J.F. Kuiken, kantonrechter, in tegenwoordigheid van de griffier.