ECLI:NL:RBAMS:2026:2003

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
AWB - 26 _ 302 en 26 _ 645
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening schorst omgevingsvergunning voor plaatsing woonwagen wegens belangenafweging

Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam verleende op 2 januari 2026 een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een woonwagen op een perceel. Verzoekers maakten bezwaar tegen dit besluit en vroegen de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om de uitvoering van de vergunning te schorsen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de technische werkzaamheden en plaatsing van de woonwagen technisch ongedaan gemaakt kunnen worden, maar dat het gebruik van de woonwagen de facto moeilijk omkeerbaar is vanwege het ontbreken van alternatieve standplaatsen en het belang van vergunninghouder om de huidige locatie vrij te maken voor stadsontwikkeling.

De voorzieningenrechter concludeerde dat er een spoedeisend belang is en dat het belang van verzoekers bij het treffen van de voorziening zwaarder weegt dan het belang van het college. Daarom werd de voorlopige voorziening toegewezen, het besluit geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar, en het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: De voorzieningenrechter schorst de omgevingsvergunning voor het plaatsen van een woonwagen tot zes weken na de beslissing op bezwaar en veroordeelt het college tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 26/302 en AMS 26/645

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 februari 2026 in de zaken tussen

[verzoeker] en [vereniging] , uit [plaats] , verzoekers

(gemachtigde: mr. M.E. Beukers)
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college

(gemachtigde: [ gemachtigde 1] ).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de gemeente Amsterdam (vergunninghouder)
(gemachtigde: [gemachtigde 2] ).

Inleiding

1. Met het primaire besluit van 2 januari 2026 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een woonwagen op het perceel aan de [adres] .
1.1.
Verzoekers hebben tegen dit besluit afzonderlijk bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. [1]
1.2.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op de zitting van 10 februari 2026 gevoegd behandeld. Hierbij waren aanwezig: [verzoeker] en [persoon 1] namens verzoekers, bijgestaan door hun gemachtigde, de gemachtigde van het college en de gemachtigde van vergunninghouder, bijgestaan door [persoon 2] .

Totstandkoming van het besluit

2. Op 11 juli 2025 heeft vergunninghouder een aanvraag ingediend voor een Omgevingsplanactiviteit voor bouwwerken voor het plaatsen van een woonwagen. In de aanvraag staat verder in de projectomschrijving dat het ook gaat om het bouwen van een bij de woonwagen behorend bijgebouw, het ophogen en verharden van een deel van het perceel en het realiseren van de bijbehorende parkeervoorziening.
3. Met het primaire besluit heeft het college de omgevingsvergunning voor deze Omgevingsplanactiviteit verleend. Op 14 januari 2026 is dit besluit bekendgemaakt via het Gemeenteblad van de gemeente Amsterdam.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

De verzoeken
4. Verzoekers willen met hun verzoeken om voorlopige voorziening bereiken dat de voorzieningenrechter de werking van het bestreden besluit schorst, zodanig dat er, gedurende deze schorsing, geen gebruik mag worden gemaakt van de omgevingsvergunning. Bouwwerkzaamheden en plaatsing van de woonwagen op het perceel moeten gestaakt worden en gestaakt gehouden worden tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
Hebben verzoekers spoedeisend belang?
5. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op het bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te bepalen of er sprake is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
6. Volgens het college ontbreekt dit spoedeisend belang, omdat de werkzaamheden (het aanleggen van kabels en leidingen en afwatering en ontsluiting, ophogen van de grond en woonrijp maken) geen van allen onomkeerbaar zijn en relatief eenvoudig ongedaan te maken zijn. Daarnaast zijn ook de woonwagen en het bijgebouw zelf verplaatsbaar. Het college geeft verder aan dat de hoorzitting in het kader van de bezwaarprocedure op korte termijn (in de week van 23 maart a.s.) gehouden zal worden. Een beslissing op bezwaar valt dus binnen afzienbare termijn te verwachten. Niet valt in te zien waarom verzoekers de uitkomst van de bezwaarprocedure niet kunnen afwachten, aldus het college.
7. Verzoekers hebben in verband met het spoedeisend belang in het verzoekschrift en op de zitting aangevoerd dat het woonrijp maken van het perceel en de plaatsing en ingebruikname van een woonwagen en bijgebouw zorgen voor ingrijpende feitelijke wijzigingen op en rond het perceel. Dat de werkzaamheden technisch gezien ongedaan gemaakt zouden kunnen worden doet niet af aan het feit dat de uitvoering volgens verzoekers leidt tot een feitelijk voldongen situatie, waardoor de woon- en leefomgeving en de rechtspositie van verzoekers wordt aangetast. Daarnaast is het spoedeisend belang van verzoekers ook gelegen in het feit dat zich directe sociale spanningen en veiligheidsrisico’s kunnen voordoen.
8. De voorzieningenrechter overweegt dat de technische werkzaamheden die het college in het verweerschrift en op de zitting heeft benoemd, zoals het aanleggen van kabels, leidingen, afwatering en ontsluiting, het ophogen van de grond met zand en puin, het plaatsen van klinkers op het perceel en het woonrijp maken van de grond niet onomkeerbaar zijn. Door de kabels, leidingen, het zand en de klinkerverharding te verwijderen kan de oorspronkelijke situatie immers worden hersteld. Nu de woonwagen en het bijgebouw mobiel zijn, zijn ook deze elementen verplaatsbaar. Aan de technische werkzaamheden kunnen verzoekers dus geen spoedeisend belang ontlenen.
9. De rechtbank overweegt verder dat ter zitting is vast komen te staan dat er spoed is aan de kant van vergunninghouder, omdat de huidige standplaats waar de woonwagen en haar bewoners staan, vrijgemaakt moet worden voor gebiedsontwikkeling (het project). Dit project loopt al geruime tijd en zolang de bewoners die nog op die plek wonen geen andere huisvesting vinden, kan er niet worden begonnen met de werkzaamheden in het kader van de gebiedsontwikkeling, aldus de vergunninghouder. Nu er ook binnen de gemeente geen (andere) tijdelijke plekken zijn waar de bewoners kunnen verblijven, kan en wil het college de voorliggende vergunning niet schorsen tot na de beslissing op bezwaar, wat vaak in dit soort zaken wel gebeurt.
10. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is daarmee het spoedeisend belang gegeven. Daarbij is van belang dat niet alleen is komen vast te staan dat de vergunninghouder voornemens is op korte termijn de standplaats te doen betrekken, maar dat deze toewijzing de facto moeilijk omkeerbaar is. Immers zijn er, zoals ter zitting is gebleken, geen andere alternatieve standplaatsen beschikbaar en wordt de huidige standplaats, na het vrijmaken daarvan, een bouwplaats. Op het moment dat het project van start gaat is die oorspronkelijke locatie dus niet meer te gebruiken als standplaats voor woonwagens.
Geen voorlopig rechtmatigheidsoordeel
11. De voorlopige voorziening is verzocht tijdens de bezwaarfase. Het college zal naar aanleiding van de door verzoekster ingediende bezwaargronden moeten beslissen of het besluit van 2 januari 2026 in stand kan blijven. Dat besluit op het bezwaar heeft het college nog niet genomen. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat het eerst aan het college is om in te gaan op de bezwaargronden en over te gaan tot een volledige heroverweging van het besluit van 2 januari 2026. De voorzieningenrechter zal in deze uitspraak daarom niet vooruitlopen op de beoordeling van de bezwaargronden door een voorlopig rechtmatigheidsoordeel te geven over het bestreden besluit. Wel kijkt de voorzieningenrechter of het bestreden besluit niet evident onrechtmatig is. Dat houdt in dat in één oogopslag duidelijk is dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven in bezwaar. Dat is hier niet aan de orde. Omdat de voorzieningenrechter in deze fase niet toekomt aan een volledig rechtmatigheidsoordeel over het bestreden besluit, beperkt zij zich nu tot een belangenafweging.
Belangenafweging
12. De voorzieningenrechter weegt bij de vraag of een voorlopige voorziening moet worden getroffen de belangen van verzoekers die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van het college die pleiten tegen het treffen daarvan af. Zij doet dat als volgt. De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat de belangen van verzoekers zwaarder wegen dan het belang van het college bij de verleende omgevingsvergunning. Hierbij speelt wat onder 10. is overwogen een belangrijke rol. De omgevingsvergunning maakt plaatsing van een woonwagen en de ingebruikname daarvan mogelijk, en kennelijk beoogt de vergunninghouder dit gebruik ook op korte termijn te doen ingaan. Zoals hiervoor is overwogen is dit gebruik, vanwege het grote tekort aan standplaatsen in de gemeente, de facto moeilijk omkeerbaar terwijl de bezwaarprocedure nog niet is afgerond. Vergunninghouder heeft weliswaar belang bij het afwijzen van de voorziening opdat de woonwagen kan worden herplaatst om een locatie vrij te maken voor stadsontwikkeling, maar niet is gebleken dat die laatste ontwikkeling geen verder uitstel kan lijden. Dit maakt dat de voorzieningenrechter het belang van verzoekers bij het treffen van de voorziening zwaarder doet wegen.

Conclusie en gevolgen

13. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening toe. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om het bestreden besluit te schorsen tot zes weken na de beslissing op bezwaar.
14. Omdat de verzoeken worden toegewezen, moet het college het griffierecht ter hoogte van € 597,- [2] vergoeden aan verzoekers. Verzoekers hebben ook recht op een proceskostenvergoeding. De rechtbank ziet aanleiding om het college te veroordelen in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze proceskostenvergoeding bedraagt in totaal € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een verzoekschrift in de zaak AMS 26/645 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting in de gevoegde zaken, met een waarde per punt van € 934,-).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • schorst het besluit van 2 januari 2026 tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 597,- aan verzoekers moet vergoeden;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Verberne, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.Y. Exterkate, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.[persoon 3] op 26 januari 2026 en [vereniging] op 9 februari 2026.
2.Eenmaal griffierecht van € 200,- in de zaak AMS 26/302 en eenmaal griffierecht van € 397,- in de zaak AMS 26/645.