ECLI:NL:RBAMS:2026:20

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
7 januari 2026
Zaaknummer
13-227404-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overlevering op basis van Europees aanhoudingsbevel met betrekking tot detentieomstandigheden in Polen

Op 7 januari 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende de overlevering van een opgeëiste persoon op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat door de regionale rechtbank in Szczecin, Polen, was uitgevaardigd. De zaak begon met een vordering van de officier van justitie op 19 september 2025 en de behandeling van het EAB startte op 4 november 2025. De opgeëiste persoon, geboren in 1981 in Polen, was gedetineerd en werd bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.W. Ebbink. Tijdens de zittingen werd de rechtbank geconfronteerd met de vraag of de detentieomstandigheden in Polen in strijd waren met de grondrechten van de opgeëiste persoon. In een tussenuitspraak op 18 november 2025 oordeelde de rechtbank dat er een reëel gevaar bestond voor schending van deze rechten, wat leidde tot een aanhouding van de beslissing over de overlevering. De rechtbank stelde een termijn van dertig dagen vast voor eventuele wijziging van omstandigheden. Op 17 december 2025 werd de behandeling voortgezet, waarbij opnieuw werd gekeken naar de detentieomstandigheden. De Poolse autoriteiten gaven aanvullende informatie dat de opgeëiste persoon in een detentiecentrum zou worden geplaatst waar hij over vier m2 persoonlijke ruimte zou beschikken. De rechtbank concludeerde dat dit de eerder vastgestelde gevaren wegnam. Uiteindelijk oordeelde de rechtbank dat het EAB voldeed aan de eisen van de Overleveringswet en dat er geen weigeringsgronden waren. De overlevering werd toegestaan, en de uitspraak werd openbaar gemaakt op 7 januari 2026.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-227404-25
Datum uitspraak: 7 januari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 19 september 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 16 mei 2025 door
the Regional Court in Szczecin, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1981 in [geboorteplaats] (Polen),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[BRP-adres] ,
nu gedetineerd in de [P.I.] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting 4 november 2025
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 4 november 2025, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.W. Ebbink (waarnemend voor mr. L.J. Woltring), beiden advocaat in Haarlem, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
Tussenuitspraak van 18 november 2025
Bij tussenuitspraak van 18 november 2025 [3] heeft de rechtbank het onderzoek heropend en vastgesteld dat voor de opgeëiste persoon sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van zijn grondrechten in detentie in Polen, omdat met de aanvullende informatie het vastgestelde algemene gevaar niet is weggenomen. Op grond van artikel 11, tweede lid, OLW is de beslissing over de overlevering aangehouden, omdat een mogelijkheid bestond dat bij wijziging van de omstandigheden het reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling alsnog kon worden uitgesloten. De rechtbank heeft hier een redelijke termijn van dertig dagen aan verbonden en geoordeeld dat als binnen deze termijn zich geen gewijzigde omstandigheden voordoen geen gevolg zal worden gegeven aan het EAB.
Ook heeft de rechtbank op basis van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW de termijn verlengd waarbinnen zij uitspraak moet doen met zestig dagen, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting van 17 december 2025
De rechtbank heeft - met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling - de behandeling
van het EAB voortgezet op de zitting van 17 december 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. J.W. Ebbink (wederom waarnemend voor mr. L.J. Woltring), beiden advocaat in Haarlem, en door een tolk in de Poolse taal.
Op de zitting van 7 januari 2026 heeft de rechtbank het onderzoek (met toestemming enkelvoudig) gesloten en direct uitspraak gedaan.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Tussenuitspraak

De rechtbank stelt vast dat bij de tussenuitspraak van deze rechtbank van 18 november 2025 al is geoordeeld over de grondslag en de genoegzaamheid van het EAB, alsook over de strafbaarheid van de feiten. Wat de rechtbank heeft overwogen kan als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

4.Artikel 11 OLW: Poolse detentieomstandigheden

De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 6 van de tussenuitspraak van 18 november 2025. De overwegingen uit voornoemde uitspraak moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
Bij brief van 3 december 2025 heeft de
Deputy Regional Director of the Prison servicein Koszalin de volgende aanvullende informatie verstrekt:
"
In response to the letter dated 28 November 2025,(…)
in order to secure proper course of criminal proceedings and in order to provide a detainee with living space of no less than 4m2 I agree to waive the established regionalisation and to place [opgeëiste persoon] , suspected of committing an offence contemplated under Artikel 258(1) of the Polisch Criminal Code, in the Stargard External Unit of the Remand Centre in Szcezecin.
(…)”
Standpunt van de officier van justitie
Omdat door de Poolse autoriteiten in de aanvullende informatie van 2 december 2025, zeker in samenhang gelezen met de aanvullende informatie van 27 oktober 2025, wordt gegarandeerd dat de opgeëiste persoon geplaatst wordt in de
Stargard External Uniten daar de beschikking zal hebben over vier m2 persoonlijke ruimte, exclusief sanitair, is het algemene gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie weggenomen. Uit de Dorobantu jurisprudentie [4] volgt dat indien een opgeëiste persoon over vier m2 persoonlijke ruimte, exclusief sanitair, kan beschikken, de overige detentieomstandigheden minder relevant zijn en niet getoetst hoeven worden. De overlevering kan dan ook worden toegestaan.
Standpunt van de raadsman
De raadsman stelt zich op het standpunt dat de overlevering moet worden geweigerd. Uit de aanvullende informatie blijkt onvoldoende dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk kan beschikken over vier m2 persoonlijke ruimte in een meerpersoons-cel. In de aanvullende informatie wordt ook ingegaan op de overige detentieomstandigheden, met name op de activiteiten buiten de cel. Daaruit leidt hij af dat de opgeëiste persoon mogelijk niet over vier m2 persoonlijke ruimte zal kunnen beschikken. In eerdere informatie is bovendien gesteld dat het afhankelijk is van de directeur van een detentie-instelling hoe lang een gedetineerde daadwerkelijk buiten zijn cel kan verblijven. Omdat er veel onduidelijk blijft, is het door de rechtbank vastgestelde algemene gevaar niet binnen de gestelde redelijke termijn weggenomen en moet de overlevering worden geweigerd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of zich binnen de in de tussenuitspraak gestelde redelijke termijn een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan op grond waarvan het algemeen reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ten aanzien van de opgeëiste persoon kan worden uitgesloten. De rechtbank is van oordeel dat de hierboven weergegeven door de Poolse autoriteiten verstrekte aanvullende informatie daartoe voldoende aanknopingspunten biedt.
Daarbij is van belang dat – zoals in de tussenuitspraak van 18 november 2025 ook omschreven – het kernpunt voor het aannemen van een algemeen reëel gevaar voor schending van grondrechten van gedetineerden die in het “
remand regime” in Poolse detentie-instellingen terecht komt, is dat in het
remand regimeslechts 3 m2 persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel is gegarandeerd, terwijl de voorlopig gedetineerde veelal drieëntwintig uren per dag op zijn cel doorbrengt. In het onderhavige geval is dit in zoverre anders, dat uit het antwoord van de Poolse autoriteiten van 2 december 2025 blijkt dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering geplaats zal worden in de
Stargard External Uniten daar de beschikking zal hebben over ten minste vier m2 persoonlijke ruimte, exclusief sanitair. De rechtbank is daarom van oordeel dat voor de opgeëiste persoon het vastgestelde reële gevaar van schending van zijn grondrechten wegens de detentieomstandigheden in het Poolse
remand regimeis weggenomen.

5.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

6.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 7 en 11 OLW.

7.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Regional Court in Szczecin, Polen voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. M. Scheeper en H.P. Kijlstra, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 7 januari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Rb. Amsterdam 18 november 2025, RBAMS:2025:9702
4.Hof van Justitie van de Europese Unie 15 oktober 2019, ECLI:EU:C:2019:857 (Dorobantu).