ECLI:NL:RBAMS:2026:1986

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
782222
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:45 AwbAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gemeente moet schrapping adres van gedooglijst coffeeshops ongedaan maken

Eiser is eigenaar van een pand dat vroeger een coffeeshop huisvestte en dat door de burgemeester van de gedooglijst coffeeshops was geschrapt. Na aankoop probeerde eiser het pand weer te openen en een exploitatievergunning te verkrijgen, maar deze aanvragen werden afgewezen. De schrapping van het pand van de gedooglijst werd door de gemeente zonder duidelijke motivering doorgevoerd.

Eiser vordert in kort geding dat de gemeente deze schrapping ongedaan maakt en het pand weer op de gedooglijst plaatst. De gemeente voert verweer dat er een bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat, maar de voorzieningenrechter oordeelt dat de schrapping niet duidelijk gemotiveerd is en dat eiser een zwaarwegend en spoedeisend belang heeft bij terugplaatsing.

De rechtbank wijst de vordering toe, legt geen dwangsom op en veroordeelt de gemeente in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De gemeente wordt bevolen het pand weer op de gedooglijst coffeeshops te plaatsen en veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/782222 / KG ZA 26-52 MdV/GR
Vonnis in kort geding van 24 februari 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij bij dagvaarding van 2 februari 2026,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. J. de Groot,
tegen
DE BURGEMEESTER VAN AMSTERDAM,
in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de gemeente Amsterdam,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de gemeente,
advocaat: mr. R. Verduijn.

1.De procedure

Op de zitting van 10 februari 2026 is geconstateerd dat de burgemeester is gedagvaard waar dat de gemeente had moeten zijn. De gemeente is ter zitting verschenen en heeft hiervan geen punt gemaakt. [eiser] heeft de vordering zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. De gemeente heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties en een pleitnota ingediend.
Op de zitting was [eiser] aanwezig met mr. De Groot. Aan de zijde van de gemeente waren [naam 1] (in dienst van de gemeente), [naam 2] (beleidsadviseur) en mr. Verduijn aanwezig.
Vonnis is bepaald op vandaag.

2.2. De feiten

2.1.
[eiser] is sinds 9 januari 2019 eigenaar van het appartementsrecht aan de [adres] , met de kadastrale aanduiding [sectie+nummer] , hierna te noemen: ‘het pand’. In het pand zat vroeger coffeeshop [naam coffeeshop] . Na beschietingen in 2016 is het pand op last van de burgemeester gesloten en geschrapt van de zogenaamde ‘gedooglijst coffeeshops’. Alleen op adressen die op deze gedooglijst staan, mag van de gemeente een coffeeshop worden geëxploiteerd, als ook aan de overige voorwaarden daarvoor (een exploitatievergunning en een gedoogverklaring) is voldaan.
2.2.
De toenmalige eigenaar van het pand heeft in 2017 in kort geding gevorderd dat de gemeente het pand weer op de gedooglijst zou plaatsen. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 14 november 2017 die vordering toegewezen, kort gezegd omdat niet was gebleken dat de toenmalige eigenaar een verwijt van de sluiting van het pand kon worden gemaakt. Het pand is vervolgens weer op de gedooglijst geplaatst.
2.3.
Nadat [eiser] het pand had gekocht, heeft hij pogingen gedaan het pand weer geopend te krijgen en er weer een coffeeshop in te gaan exploiteren. In december 2021 is het pand heropend. Pogingen om een exploitatievergunning en gedoogverklaring te verkrijgen, zijn echter niet geslaagd, ook niet nadat [eiser] het pand op 3 juli 2025 had verkocht aan [naam 3] (waarbij de levering pas zal plaatsvinden na verlening van de benodigde exploitatievergunning en gedoogverklaring).
2.4.
Op 19 september 2025 heeft de rechtbank Amsterdam een beroep van [eiser] en [naam 3] tegen de weigering van een exploitatievergunning en gedoogverklaring ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing is hoger beroep ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dat hoger beroep loopt nog.
2.5.
Op 26 september 2025 heeft de gemeente een nieuwe aanvraag van [naam 3] afgewezen. Het door [eiser] daartegen ingestelde bezwaar is op 20 januari 2026 ongegrond verklaard. [eiser] heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank Amsterdam. Dat beroep loopt nog.
2.6.
Op 6 november 2025 heeft [naam 3] wederom een aanvraag gedaan. Daarop is nog niet beslist.
2.7.
Op 18 december 2025 heeft de gemeente aan de raadsman van [naam 3] laten weten dat de burgemeester had besloten het pand van de gedooglijst te schrappen. Op zijn verzoek heeft [eiser] op 20 januari 2026 de meest recente gedooglijst toegestuurd gekregen, waar het pand niet meer op staat.

3.3. Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat - de gemeente te bevelen de schrapping van het pand van de gedooglijst coffeeshops ongedaan te maken en het pand weer op de gedooglijst te plaatsen, dit op straffe van een dwangsom en met veroordeling van de gemeente in de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat het onrechtmatig is om zonder enige grond een adres van de gedooglijst te halen; hij lijdt daardoor ook schade.
3.3.
De gemeente voert verweer. Op hetgeen zij aanvoert, wordt hierna ingegaan voor zover dat van belang is voor de beoordeling.

4.De beoordeling

4.1.
Het meest verstrekkende verweer van de gemeente komt erop neer dat [eiser] in zijn vordering niet ontvankelijk moet worden verklaard, omdat er een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang open staat. De gemeente wordt in dit verweer niet gevolgd, zoals hierna wordt toegelicht.
4.2.
De rechtspraak van de Raad van State waarop de gemeente zich beroept, heeft in het ene geval betrekking op een situatie waarin sprake was van een weigering of intrekking van de gedoogverklaring, en in het andere geval op een situatie waarin sprake was van een gecombineerde beslissing over het schrappen van de gedooglijst en het intrekken van de exploitatievergunning. Beide situaties doen zich in dit geval niet voor. Het gaat hier alleen over de schrapping van de gedooglijst, waartoe de gemeente blijkbaar uit zichzelf heeft besloten. De (herhaalde) weigering van de gedoogverklaring en exploitatievergunning zijn besluiten die zijn genomen naar aanleiding van aanvragen van [naam 3] . Het is daarom niet direct evident dat de enkele schrapping van de gedooglijst een besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) of daarmee gelijk is te stellen. Dat de schrapping van de gedooglijst mogelijk (ook) kan worden aangevochten in het kader van de reeds lopende procedures en/of aanvragen over de exploitatievergunning en gedoogverklaring, is evenmin direct evident, al was het maar omdat die aanvragen niet door [eiser] zijn gedaan. Ten slotte komt daar nog bij dat de gemeente over de schrapping van de gedooglijst allerminst duidelijk heeft gecommuniceerd met [eiser] . Een mededeling met daarin de vermeldingen als bedoeld in artikel 3:45 Awb Pro is in het dossier bijvoorbeeld niet terug te vinden. Tegen deze achtergrond acht de voorzieningenrechter zich, in ieder geval als restrechter, bevoegd om over de vordering van [eiser] te beslissen.
4.3.
Inhoudelijk wordt als volgt overwogen. De gemeente heeft in dit kort geding onvoldoende duidelijk kunnen maken welk belang zij erbij had om in december 2025 (op het oog nogal plotseling) over te gaan tot schrapping van het pand van de gedooglijst. Op dit punt heeft de gemeente enerzijds een voor de voorzieningenrechter niet goed te volgen verband gelegd tussen de schrapping en de uitspraak van de bestuursrechter van 19 september 2025, en anderzijds gezegd dat besloten is tot schrapping nadat [naam 3] op 6 november 2025 weer een aanvraag voor een exploitatievergunning en gedoogverklaring had gedaan en de gemeente meende dat “men zo bezig zou blijven”. Daarmee is niet alleen het belang van de gemeente niet duidelijk geworden, maar ook de motivering van de beslissing niet.
4.4.
[eiser] heeft een zwaarwegend en spoedeisend belang bij terugplaatsing van het pand op de gedooglijst. Vast staat immers dat zolang het pand niet op de gedooglijst staat, er hoe dan ook nooit sprake kan zijn van exploitatie van een coffeeshop. Alle aanvragen en procedures over de exploitatievergunning en gedoogverklaring zijn dan bij voorbaat kansloos. Daar tegenover staat dat de gemeente een minder zwaarwegend belang lijkt te hebben bij handhaving van de schrapping op dit moment. Gelet op hetgeen de gemeente heeft aangevoerd over de samenhang tussen de aanvragen/procedures over de exploitatievergunning en gedoogverklaring, gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat de gemeente altijd nog op een later moment kan besluiten tot schrapping van het pand, waarbij dat besluit dan deugdelijk wordt gemotiveerd en vormgegeven.
4.5.
De slotsom uit het voorgaande is dat de vordering van [eiser] zal worden toegewezen. Voor oplegging van een dwangsom wordt geen aanleiding gezien nu ervan wordt uitgegaan dat de gemeente zich aan deze uitspraak zal houden.
4.6.
De gemeente is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
151,94
- griffierecht
341,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.858,94

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
beveelt de gemeente de schrapping van [adres] van de gedooglijst coffeeshops ongedaan te maken door dit adres weer op de gedooglijst coffeeshops te plaatsen,
5.2.
veroordeelt de gemeente in de proceskosten van € 1.858,94, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als het vonnis wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.M. de Vries, voorzieningenrechter, bijgestaan door
mr. G.P. Raats, en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026. [1]

Voetnoten

1.Coll: EB