ECLI:NL:RBAMS:2026:194
Rechtbank Amsterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen gebiedsverbod wegens openbare ordeverstoring
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen een gebiedsverbod dat de burgemeester van Amsterdam aan hem heeft opgelegd voor de periode van 11 december 2025 tot en met 10 februari 2026 in een wijk in Amsterdam. Het gebiedsverbod is opgelegd op grond van artikel 172a van de Gemeentewet vanwege herhaalde ernstige verstoringen van de openbare orde door verzoeker.
De voorzieningenrechter heeft het spoedeisend belang van verzoeker erkend, omdat het gebiedsverbod directe werking heeft en de bezwaarprocedure naar verwachting niet binnen de looptijd van het verbod zal zijn afgerond. De rechter heeft vervolgens getoetst of de burgemeester bevoegd was het gebiedsverbod op te leggen en of dit in redelijkheid is gebeurd.
De rechter acht de bevoegdheid van de burgemeester tot oplegging van het gebiedsverbod gegrond, mede op basis van een bestuurlijke rapportage van de politie met meerdere incidenten waarin verzoeker betrokken was. De rechter vindt dat het gebiedsverbod proportioneel en subsidiariteit is toegepast, gezien de ernst en herhaling van de ordeverstoringen en het onvoldoende effect van eerdere hulpverlening en interventies.
Hoewel de moeder van verzoeker niet eerder op de hoogte was gesteld van de incidenten, acht de rechter dit geen reden om het besluit onrechtmatig te verklaren. De voorzieningenrechter concludeert dat het gebiedsverbod bij bezwaar stand zal houden en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het gebiedsverbod wordt afgewezen omdat het besluit rechtmatig en proportioneel is genomen.