ECLI:NL:RBAMS:2026:1914

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
23 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
AMS 25/4724 en AMS 25/4726
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.3 OwArt. 5.30 OwArt. 2.41 Waterschapsverordening Amstel, Gooi en VechtArt. 2.47 Waterschapsverordening Amstel, Gooi en VechtArt. 1.7 Waterschapsverordening Amstel, Gooi en Vecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling omgevingsvergunning wateractiviteit voor damwandvervanging en demping primair oppervlaktewater

Het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht heeft vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het vervangen van een damwand en het dempen van primair oppervlaktewater nabij een adres te Amsterdam. Eiseressen, waaronder een persoon en een stichting, maakten bezwaar tegen deze vergunning, onder meer over compensatie van gedempt oppervlaktewater, de veiligheidsklasse van de damwanden en het ontbreken van een plan van aanpak voor sanering.

De rechtbank stelt vast dat de bezwaren tegen eerdere vergunningen niet in deze procedure beoordeeld kunnen worden. De rechtbank oordeelt dat de compensatievoorschriften in de vergunning duidelijk en uitvoerbaar zijn en dat de vermeende overschrijding van de demping een uitvoeringskwestie betreft. De veiligheidsklasse RC1 voor de damwanden is passend omdat deze een grondkerende functie hebben en de kerende hoogte minder dan vijf meter bedraagt. De cultuurhistorische bescherming en saneringsplannen vallen niet binnen het beoordelingskader van de vergunning.

De rechtbank concludeert dat het Waterschap zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanvraag verenigbaar is met de doelstellingen voor het waterbeheer en dat de vergunning terecht is verleend. De beroepen worden ongegrond verklaard en het griffierecht wordt niet teruggegeven.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt dat het Waterschap de omgevingsvergunning terecht heeft verleend.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 25/4724 en 25/4726

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 februari 2026 in de zaken tussen

In de zaak AMS 25/4724
[persoon 1], uit [plaats] , eiseres
In de zaak AMS 25/4726
[stichting], te [plaats] , eiseres
(gemachtigden: mr. [persoon 1] , [naam 2] en [naam 5] )
en
In beide zaken
het dagelijks bestuur van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (het Waterschap), verweerder
(gemachtigde: mr. J.G.J. Geerlings).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel:
BLVG Beheer B.V.te [plaats] , vergunninghouder
(gemachtigde: [persoon 2] ).

Procesverloop

1. Op 25 april 2024 heeft het Waterschap aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor een wateractiviteit inhoudende het vervangen van een damwand en het dempen van oppervlaktewater in boezemwater ter hoogte van de [adres 1] . Met afzonderlijke besluiten van 3 juli 2024 heeft het Waterschap de bezwaren van eiseressen niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij hun bezwaren te laat hebben ingediend. Eiseressen hebben hiertegen beroep ingediend. [1]
1.1.
Op 15 augustus 2024 heeft vergunninghouder een nieuwe aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor de activiteiten (1) het vervangen van een werk in primair water, (2) het dempen en graven van oppervlaktewater, (3) het tijdelijk dempen van oppervlaktewater in het hoogwaterbemalingsgebied, (4) het vervangen en plaatsen van werken in een verholen waterkering en (5) het lozen van water uit de bouwkuip.
1.2.
Met een besluit van 27 september 2024 (de omgevingsvergunning) heeft het Waterschap aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor de wateractiviteiten het vervangen van een stalen damwand en het dempen van 12 m² primair oppervlaktewater (boezemwater) en het tijdelijk dempen van 65 m² primair oppervlaktewater (boezemwater) ter hoogte van [adres 1] (hierna: de omgevingsvergunning). Verder wordt de omgevingsvergunning van 25 april 2024 ingetrokken en worden er maatwerkvoorschriften opgelegd voor het vervangen van een damwand in de beschermingszone van een verholen waterkering.
1.3.
Eiseressen hebben tegen de omgevingsvergunning bezwaar gemaakt. Met afzonderlijke bestreden besluiten van 7 juli 2025 op de bezwaren van eiseressen, is het Waterschap bij de verlening van de omgevingsvergunning gebleven.
1.4.
Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen het aan hen gerichte bestreden besluit.
1.5.
Het Waterschap heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd.
1.6.
Verder heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam met een besluit van 6 juni 2024 aan vergunninghouder een omgevingsvergunning [2] verleend voor het aanbrengen van nieuwe damwanden langs het perceel [adres 1]. Ook over deze omgevingsvergunning lopen procedures bij deze rechtbank. [3]
1.7.
De rechtbank heeft de beroepen gezamenlijk met de zaken AMS 24/4727, AMS 24/4729, AMS 25/1743 en AMS 25/1749, op 12 januari 2026 op zitting behandeld. [4] Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] als eiseres en als gemachtigde van de Stichting, [naam 2] als gemachtigde van de Stichting, [naam 3] en de gemachtigde van het Waterschap, bijgestaan door [naam 4] en [naam 4] . Vergunninghouder heeft niet deelgenomen aan de zitting.

Juridisch kader

2. Op grond van artikel 5.3 van de Omgevingswet (Ow) is het verboden zonder omgevingsvergunning een activiteit te verrichten wanneer dat in de waterschapsverordening is bepaald. Artikel 5.30 van de Ow bepaalt dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 5.3 of 5.4, de omgevingsvergunning alleen kan worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn bepaald in de waterschapsverordening respectievelijk de omgevingsverordening.
2.1.
Op grond van artikel 2.41, aanhef en onder b, van de Waterschapsverordening Amstel, Gooi en Vecht (de Waterschapsverordening) is het verboden zonder omgevingsvergunning een ander primair water geheel of gedeeltelijk te dempen. Op grond van artikel 2.47 van de Waterschapsverordening is het – voor zover hier van belang – verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk of ander werk aan te brengen, te hebben, te wijzigen of te verwijderen in een primair water of de beschermingszone van een primair water.
2.2.
De toets die het Waterschap moet uitvoeren is of de gevraagde activiteiten verenigbaar zijn met de doelstellingen voor het waterbeheer. Dit volgt uit artikel 1.7 van de Waterschapsverordening. Deze doelstellingen zijn in de Waterschapsverordening verder uitgewerkt in oogmerken en specifieke zorgplichten. De in deze zaken van belang zijnde oogmerken staan in artikel 2.12 en artikel 2.35 van de Waterschapsverordening. De specifieke zorgplichten zijn terug te vinden in artikel 2.13 en artikel 2.36 van de Waterschapsverordening. Tezamen vormen de oogmerken en specifieke zorgplichten de beoordelingsregels voor de omgevingsvergunning, aangevuld door de beleidsregels 4.1, 10.1 en 11.6 van de Beleidsregels voor de Waterschapsverordening.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt in deze procedures of het Waterschap zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanvraag van vergunninghouder verenigbaar is met de doelstellingen voor het waterbeheer en het Waterschap de omgevingsvergunning dus mocht verlenen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseressen.
3.1.
De rechtbank oordeelt dat de beroepen ongegrond zijn. Dit betekent dat eiseressen geen gelijk krijgen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat ligt er in deze procedures voor?
4. De rechtbank stelt vast dat eiseressen veel beroepsgronden hebben ingediend die gericht zijn tegen de (eerste en ingetrokken) omgevingsvergunning voor een wateractiviteit van 25 april 2024 en de door het college verleende omgevingsvergunning. De rechtbank kan daar in de hier voorliggende procedures geen oordeel over geven.
4.1.
De beroepsgronden van eiseressen die gericht zijn tegen de omgevingsvergunning waar het in deze zaken om gaat, zien – samengevat – op de compensatie van het gedempte oppervlaktewater, de veiligheid van de damwanden, de cultuurhistorische waarde van de [adres 1] en het ontbreken van een plan van aanpak voor sanering. De rechtbank zal de beroepsgronden van eiseressen hierna bespreken.
Compensatie
5. Eiseressen voeren – samengevat – aan dat de omgevingsvergunning de permanente demping van maximaal 12 m² waterbodem toestaat, maar dat ten onrechte geen maatwerkvoorschrift is opgenomen over hoe de vereiste compensatie voor het afgraven van 12 m² land vorm moet krijgen. Tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft het Waterschap zijn standpunt dat voldoende compensatie is geboden onderbouwd door middel van een tekening, maar die tekening is ten onrechte niet aan de omgevingsvergunning toegevoegd, aldus eiseressen. Verder voeren eiseressen aan dat er in de praktijk is gebleken dat er meer gedempt is dan is toegestaan en dat er te weinig compensatie is geboden, namelijk slechts 9,5 m².
5.1.
Het Waterschap stelt zich op het standpunt dat in de omgevingsvergunning voorschriften zijn opgenomen over het dempen van oppervlaktewater. Zo zegt voorschrift 7.1 dat er niet meer dan 12 m² oppervlaktewater permanent mag worden gedempt. De locatie van de demping staat op de tekening met kenmerk [kenmerk] die deel uitmaakt van de vergunning. De tekening die tijdens de hoorzitting is getoond, diende slechts ter verduidelijking van wat is vergund. Verder staat in voorschrift 7.4 dat per 1 m² te dempen oppervlaktewater, ten minste 1 m² land tot oppervlaktewater wordt gegraven. De locatie waar het oppervlaktewater wordt gecreëerd staat eveneens op de tekening met kenmerk [kenmerk] , die deel uitmaakt van de vergunning. Ter zitting heeft het Waterschap zich nog op het standpunt gesteld dat de vraag of er na uitvoering van het werk te weinig is gecompenseerd niet in deze vergunningprocedure thuishoort, omdat dit onderdeel uitmaakt van toezicht op de naleving van de vergunningvoorschriften. Ten overvloede heeft het Waterschap toegelicht dat uit de door vergunninghouder overgelegde en door het Waterschap gecontroleerde stukken blijkt dat er ruim 18 m² aan gedempt oppervlaktewater is gecompenseerd.
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de tekeningen bij de omgevingsvergunning en de toelichting van het Waterschap op zitting dat tussen de toenmalige damwanden en de nieuwe damwanden, een zeer smalle strook land komt en dat dit ten minste 12 m² is. In de tekeningen heeft vergunninghouder verder een berekening opgenomen waaruit blijkt dat 17,30 m² gecompenseerd wordt. Anders dan eiseressen stellen is de rechtbank van oordeel dat de tekeningen en de voorschriften over de compensatie voldoende duidelijk en uitvoerbaar zijn. Voor zover eiseressen stellen dat er na uitvoering van het werk teveel oppervlaktewater is gedempt en te weinig is gecompenseerd, is dat – wat hier ook van zij – een eventuele uitvoeringskwestie en dus niet iets wat de rechtbank in deze procedure kan beoordelen. De beroepsgrond slaagt niet.
Veiligheid damwanden
6. Eiseressen voeren – samengevat – aan dat de damwanden ten onrechte veiligheidsklasse RC1 hebben. Omdat uit de legger volgt dat de [adres 1] in een primaire waterkering ligt, moeten de damwanden voldoen aan veiligheidsklasse RC3.
6.1.
Het Waterschap stelt zich op het standpunt dat op de locatie sprake is van een primaire en verholen waterkering. De sluis, het kunstwerk, heeft ter plekke de waterkerende functie. De damwanden worden vervangen om de oever in stand te houden en hebben niet de functie van een vervangende waterkering. Omdat de damwanden slechts een grond kerende functie hebben en de maximaal kerende hoogte op deze locatie aanzienlijk minder dan vijf meter is, kan worden volstaan met veiligheidsklasse RC1, aldus het Waterschap.
6.2.
De rechtbank stelt vast dat het standpunt van het Waterschap overeenkomt met de openbaar te raadplegen legger. Verder overweegt de rechtbank dat vergunninghouder in een notitie van 10 april 2024 nader heeft onderbouwd waarom veiligheidsklasse RC1 in dit geval volstaat. Vergunninghouder heeft verwezen naar de NEN-EN 1990 waaruit volgt dat veiligheidsklasse RC3 vereist is in het geval van grote gevolgen ten aanzien van het verlies van mensenlevens en/of zeer grote economische of sociale gevolgen voor de omgeving, bijvoorbeeld bij bijzondere constructies en (damwanden in) een primaire waterkering. Veiligheidsklasse RC1 volstaat bij geringe gevolgen ten aanzien van het verlies van mensenlevens en/of kleine of verwaarloosbare economische of sociale gevolgen of gevolgen voor de omgeving, bijvoorbeeld een kademuur met een beperkte kerende hoogte tot maximaal vijf meter. De rechtbank overweegt dat de damwanden geen waterkerende maar een grond kerende functie hebben. De damwanden hebben tot doel de oever in stand te houden. Omdat van een primaire waterkering geen sprake is en de kerende hoogte van de damwanden minder dan vijf meter is, is voldoende onderbouwd dat kan worden volstaan met damwanden van veiligheidsklasse RC1. De beroepsgrond slaagt niet.
6.3.
Eiseressen voeren verder aan dat ten onrechte slechts het oude en niet een actueel rapport van ADCIM Geotechniek B.V. (hierna: ADCIM) aan de onderhavige omgevingsvergunning ten grondslag ligt.
6.4.
De rechtbank volgt eiseressen hierin niet. Uit de stukken in het dossier blijkt dat er naast een advies van 2 februari 2024, een tweede notitie van ADCIM van 3 september 2024 is, die ingaat op de nieuwe locatie van de damwanden. De stelling van eiseressen dat de omgevingsvergunning slechts gebaseerd is op het verouderde advies is dus onjuist. Eiseressen hebben zelf geen tegenadvies overgelegd en de rechtbank ziet ook in hetgeen eiseressen verder stellen geen reden te twijfelen aan de deskundige onderbouwing van het bestreden besluit. Voor het inschakelen van een onafhankelijke deskundige of een descente ziet de rechtbank daarom geen aanleiding. De beroepsgrond slaagt niet.
Sanering en cultuurhistorische waarde
7. Eiseressen voeren – samengevat – aan dat ten onrechte geen plan van aanpak sanering is vastgesteld en uitgevoerd. Verder voeren eiseressen aan dat het Waterschap gehouden was een stenen kademuur met een cultuurhistorisch verantwoorde authentieke houten kadebeschoeiing langs de [adres 2] en de [adres 3] aan te (laten) brengen.
7.1.
De rechtbank oordeelt dat het beschermen van cultuurhistorische waarden geen deel uitmaakt van het beoordelingskader voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit. Hetzelfde geldt voor een plan van aanpak sanering, omdat voor het lozen van grondwater bij sanering of ontwatering geen vergunningplicht geldt op grond van de Waterschapsverordening. De aanvraag voor het lozen van water uit de bouwkuip is daarom terecht gelezen als melding. Voor zover eiseressen stellen dat er een eis tot sanering van de (water)bodem is, is dat evenmin iets wat onderdeel is van het beoordelingskader voor deze omgevingsvergunning. De beroepsgrond slaagt niet.
Mocht de omgevingsvergunning worden verleend?
8. Eiseressen hebben aangevoerd dat de omstandigheid dat vergunninghouder zich niet heeft gehouden aan de voorwaarden van de eerder afgegeven vergunning moet worden meegewogen. De rechtbank overweegt dat het buiten kijf staat dat vergunninghouder in strijd met de eerste (en nadien ingetrokken) omgevingsvergunning voor een wateractiviteit van 25 april 2024 heeft gehandeld en dat dit de aanleiding is geweest voor spoedeisende bestuursdwang en het afgeven van de onderhavige vergunning. Evenmin is in geschil dat het door die handelwijze van vergunninghouder niet meer mogelijk was te handelen conform de eerste omgevingsvergunning. Deze omstandigheid maakt echter, anders dan eiseressen kennelijk bedoeld hebben aan te voeren, niet dat de onderhavige omgevingsvergunning onrechtmatig is. De onderhavige omgevingsvergunning moet op eigen merites, los van de eerdere vergunning, worden beoordeeld, zoals de rechtbank dat hierboven heeft gedaan. De rechtbank komt gelet op die beoordeling tot de conclusie dat het Waterschap zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanvraag van vergunninghouder verenigbaar is met de doelstellingen voor het waterbeheer. Dit betekent dat het Waterschap de onderhavige omgevingsvergunning mocht verlenen.

Conclusie en gevolgen

9. Het Waterschap mocht de omgevingsvergunning verlenen. De beroepen zijn ongegrond. Eiseressen krijgen daarom het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Verberne, voorzitter, en mr. M. Frishert en mr. A.M. van der Linden-Kaajan, leden, in aanwezigheid van mr. I.N. van Soest, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Deze beroepen zijn geregistreerd onder kenmerken AMS 24/4727 en AMS 24/4729.
2.Op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
3.Deze beroepen zijn geregistreerd onder AMS 25/1743 en AMS 25/1749.
4.In de zaken AMS 24/4727 en 24/4729 en AMS 25/1743 en AMS 25/1749 doet de rechtbank afzonderlijk uitspraak.