ECLI:NL:RBAMS:2026:19

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
7 januari 2026
Zaaknummer
13-058901-22
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overlevering op basis van Europees Aanhoudingsbevel met betrekking tot vonnissen uit Polen

Op 7 januari 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende de overlevering van een opgeëiste persoon op basis van een Europees Aanhoudingsbevel (EAB) dat is uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten. De zaak betreft de tenuitvoerlegging van gevangenisstraffen die zijn opgelegd in verschillende vonnissen van Poolse rechtbanken. De opgeëiste persoon, geboren in 1983 in Polen, is verschenen op de zitting en werd bijgestaan door zijn advocaat en een tolk. De rechtbank heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon in persoon aanwezig was bij de zittingen die hebben geleid tot de vonnissen II K 616/14 en II K 181/15, waardoor artikel 12 van de Overleveringswet (OLW) niet van toepassing is. Voor het vonnis II K 435/17, waartegen de opgeëiste persoon zelf hoger beroep heeft ingesteld, is de situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW van toepassing. De rechtbank heeft geoordeeld dat de overlevering kan worden toegestaan, omdat er geen weigeringsgronden zijn die aan de overlevering in de weg staan. De rechtbank heeft de overlevering goedgekeurd en vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van de OLW.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-058901-22
Datum uitspraak: 7 januari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 23 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 31 januari 2022 door
the District Court in Koszalin II Criminal Department, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1983 te [geboorteplaats] (Polen),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 17 december 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.H. Aalmoes, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Pools taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. [2]
Daarnaast heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen, met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
Op de zitting van 7 januari 2026 heeft de rechtbank het onderzoek (met toestemming van partijen enkelvoudig) gesloten en direct uitspraak gedaan.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt:
  • enforceable judgment of the Local Court in Białogardvan 20 maart 2015, met kenmerk II K 616/14;
  • enforceable judgment of the Local Court in Bialogardvan 17 juni 2015, met kenmerk II K 181/15;
  • enforceable judgment of the Local Court in Białogard 8,van 16 februari 2018, met kenmerk II K 435/17.
Daarnaast hebben de Poolse autoriteiten in de aanvullende informatie van 18 november 2025 vermeld dat tegen het vonnis van 16 februari 2018 met kenmerk II K 435/17 hoger beroep is ingesteld en dat in het hoger beroep op 21 mei 2018 een arrest is gewezen door
the District Court in Koszalin, V Appeal Departmentmet kenmerk V Ka 245/18.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van gevangenisstraffen voor de duur van:
  • één jaar en zes maanden (II K 616/14), door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Daarvan resteren volgens het EAB één jaar, drie maanden en elf dagen;
  • één jaar (II K 181/15), door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Daarvan resteren volgens het EAB negen maanden en twintig dagen;
  • één jaar en één maand (II K 435/17), door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Deze straf resteert volgens het EAB nog volledig.
Uit het EAB blijkt voorts dat de straffen in de vonnissen met kenmerk II K 616/14 en II K 181/15 aanvankelijk in voorwaardelijke vorm opgelegd zijn, met bepaling van een proeftijd. Bij beslissingen van de
Local Court in Bialogardvan 14 november 2018 (voor het vonnis met kenmerk II K 616/14) en van 12 september 2018 (voor het vonnis met kenmerk IIK 181/15) is de tenuitvoerlegging van de straffen bevolen, omdat de opgeëiste persoon tijdens de proeftijd de hem opgelegde verplichtingen niet was nagekomen.
De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen en arrest.
Deze vonnissen en arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon niet zijn geschonden. Bij de zittingen die hebben geleid tot de vonnissen met kenmerk II K 616/14 en II K 181/15 is hij aanwezig geweest. Tegen het vonnis met kenmerk II K 435/17 heeft de opgeëiste persoon zelf hoger beroep ingesteld. Dat hoger beroep heeft geresulteerd in de beslissing met kenmerk V Ka 245/18. Het had op de weg van de opgeëiste persoon gelegen om de voortgang van het door hemzelf ingestelde hoger beroep in de gaten te houden. De rechtbank kan dan ook afzien van weigeren.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de overlevering kan worden toegestaan.
Ten aanzien van de vonnissen met II K 616/14 en II K 181/15 is artikel 12 OLW niet van toepassing, omdat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen op de zittingen die tot de beslissingen hebben geleid. De beslissingen waarbij de tenuitvoerlegging is bevolen van de aanvankelijk voorwaardelijk opgelegde straf, hoeven niet getoetst te worden aan artikel 12 OLW. Ten aanzien van het vonnis met II K 435/17, waartegen door de opgeëiste persoon hoger beroep is ingesteld en wat heeft geleid tot het arrest met kenmerk V Ka 245/18, moet het arrest getoetst worden aan artikel 12 OLW. Voor de procedure die tot het arrest geleid heeft, is de situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW van toepassing, omdat de opgeëiste persoon voor de zitting in hoger beroep van 21 mei 2018 in persoon is opgeroepen op 12 mei 2018. De ontkenning van de opgeëiste persoon dat hij op die dag is opgeroepen (omdat hij Polen toen al verlaten had), is onvoldoende om anders te oordelen. Het vertrouwensbeginsel brengt met zich dat er van de juistheid van de informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit moet worden uitgegaan. Subsidiair heeft de officier van justitie er nog op gewezen dat kan worden afgezien van weigering nu de opgeëiste persoon in eerste aanleg wel aanwezig was en hij zelf het hoger beroep heeft ingesteld en eventuele oproepen dus in de gaten had moeten houden.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van de vonnissen II K 616/14 en II K 181/15
Uit het EAB volgt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen op de zittingen die tot de beslissingen hebben geleid. Dat betekent dat artikel 12 OLW niet van toepassing is op deze vonnissen.
Bij de beslissingen van
the Local Court in Białogardvan 14 November 2018 (in de zaak met kenmerk II K 616/14) en van 12 September 2018 (in de zaak met kenmerk II K 181/15) zijn deze straffen omgezet naar onvoorwaardelijke straffen, omdat de opgeëiste persoon zich niet had gehouden aan de bij de voorwaardelijke straffen gestelde voorwaarden.
De beslissingen tot tenuitvoerlegging van de straffen zelf zijn geen beslissingen waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd. Deze beslissingen vallen daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW. [4]
Ten aanzien van het vonnis met kenmerk II K 435/17 en het arrest met kenmerk V Ka 245/18
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg, resulterend in het vonnis met kenmerk II K 435/17, gevolgd door een procedure in hoger beroep, resulterend in het arrest met kenmerk V Ka 245/18, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [5] Uit de aanvullende informatie van 17 november 2025 blijkt dat in dit geval de procedure in hoger beroep aan artikel 12 OLW getoetst moet worden.
De rechtbank stelt op grond van de hiervoor genoemde aanvullende informatie en het daarbij gevoegde d-formulier dat is ingevuld voor de procedure in hoger beroep vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest, terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. In het d-formulier is voorts aangekruist en ingevuld dat de opgeëiste persoon op 12 mei 2018 in persoon is gedagvaard en daarbij op de hoogte is gesteld van tijd en plaats van de zitting en is geïnformeerd dat een beslissing kan worden genomen als hij niet verschijnt. Gelet op het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid van die informatie. Bovendien zijn geen objectieve stukken overgelegd waaruit zou blijken dat de informatie in het EAB onjuist is. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon is daarvoor niet voldoende. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.

5.Strafbaarheid

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
schuldheling;
overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994;
diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, uit een woning, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikel 311 en 417bis Wetboek van Strafrecht, de artikelen 8 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994 en de artikelen 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the District Court in Koszalin II Criminal Department,Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. M. Scheeper en H.P. Kijlstra, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 7 januari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023 (
5.Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (