ECLI:NL:RBAMS:2026:1869

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
81.211305.20
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 56 SrArt. 57 SrArt. 225 SrArt. 420ter Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling gewoontewitwassen van 13,5 miljoen euro met valsheid in geschrift

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte veroordeeld voor gewoontewitwassen van ongeveer 13,5 miljoen euro, valsheid in geschrift en het gebruik van een vals geschrift. Het onderzoek betrof meerdere witwasroutes via contante kasontvangsten, Dubai en China/Hongkong, waarbij verdachte een cruciale uitvoerende rol had in de financiële administratie van [bedrijf 1] B.V.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte vanaf november 2017 tot augustus 2020 grote contante bedragen en geldstromen via ondergrondse bankiers heeft witgewassen. Daarnaast heeft verdachte valselijke documenten opgesteld, waaronder een leningsovereenkomst en een factuur, die dienden om de criminele herkomst van gelden te verhullen. Verdachte werkte daarbij nauw samen met anderen, waaronder [naam 1] en [medeverdachte].

De verdediging voerde psychische overmacht aan wegens overbelasting en druk, maar dit werd verworpen. De rechtbank legde een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden op, waarbij rekening is gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn, de rol van verdachte, zijn beperkte persoonlijk profijt en zijn medewerking aan het onderzoek.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf voor gewoontewitwassen, valsheid in geschrift en gebruik van vals geschrift.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 81.211305.20
Datum uitspraak: 20 februari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982,
wonende op het adres [adres] ,
hierna: [verdachte] of verdachte.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 12, 13, 17, 19 en 25 november 2025 (inhoudelijke behandeling) en 20 februari 2026 (sluiting).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie, mrs. F. Bahadin en J.P. Hopman (hierna gezamenlijk: de officier van justitie), en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R. Zilver, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
(gewoonte)witwassen van een geldbedrag van in totaal € 13.608.046,61;
valsheid in geschrift ten aanzien van twee geschriften;
gebruik maken van één vals geschrift.
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in een bijlage bij dit vonnis.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Inleiding
Verdachte is een van de verdachten in het onderzoek Kristal. Dit onderzoek is gestart naar aanleiding van (anonieme) meldingen, waarbij de verdenking is ontstaan dat [naam 1] zich samen met anderen schuldig zou maken aan de handel in ketamine en witwassen. Gedurende het onderzoek zijn drie verschillende witwasconstructies geïdentificeerd; kasontvangsten binnen [bedrijf 1] B.V., geldstromen via Dubai met behulp van ondergrondse bankier [medeverdachte] en geldstromen via China en Hongkong met behulp van ondergrondse bankier [bankier] . Verdachte is een van de verdachten die in dit dossier in beeld zijn gekomen bij het witwassen. Hij verzorgde de financiële administratie van [bedrijf 1] B.V. en wordt in verband gebracht met alle drie de witwasconstructies.
3.2.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie vindt bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan.
3.3.
Standpunt van de verdediging
De verdediging vindt niet bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan en verzoekt verdachte daarvan vrij te spreken.
Ten aanzien van de kasontvangsten bij [bedrijf 1] B.V. is niet bewezen dat die geldbedragen uit misdrijf afkomstig zijn. Daarnaast geldt dat hij ten aanzien van die ontvangsten een concrete en verifieerbare verklaring heeft afgelegd. Ten aanzien van de andere betalingen geldt dat hij heeft gedaan wat hij kon doen. Bovendien geldt ten aanzien van alle tenlastegelegde geldbedragen dat verdachte geen (voorwaardelijk) opzet had op de criminele herkomst daarvan.
Ten aanzien van de feiten 2 en 3 stelt de verdediging dat de leningsovereenkomst niet is geantedateerd en dat verdachte voor het overige te goeder trouw heeft gehandeld bij het opstellen en versturen van de leningsovereenkomst. Ten aanzien van de tenlastegelegde factuur is niet bewezen dat verdachte deze heeft opgemaakt of dat hij het oogmerk had deze als echt en onvervalst te gebruiken.
3.4.
Oordeel van de rechtbank [1]
3.4.1.
Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.
[bedrijf 1] B.V. [2]
[bedrijf 1] B.V. is op 26 april 2016 opgericht onder de naam [bedrijf 2] B.V. en heet sinds 4 juni 2020 [bedrijf 1] B.V. De onderneming staat geregistreerd als internetdetailhandel [webshop] en groothandel. [3] Van 26 april 2016 tot 24 juni 2020 was [bedrijf 3] B.V. bestuurder. [4] [verdachte] was vanaf de oprichting op 26 april 2016 de bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 3] B.V. [5] [bedrijf 4] B.V. is vanaf 26 april 2016 bestuurder van [bedrijf 1] B.V. en vanaf 24 juni 2020 ook enig aandeelhouder. [6] [naam 1] was vanaf de oprichting op 25 april 2016 bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 4] B.V. [7] De aandelenverhouding in [bedrijf 1] B.V. tussen [naam 1] en [verdachte] was 80% versus 20%. [8]
Kasontvangsten
In 2017 is in totaal € 211.446,- contant gestort op de bankrekening van [bedrijf 1] B.V. In de kasadministratie van [bedrijf 1] B.V. over 2017 is een achttal boekstukken, notities, aangetroffen voor een totaalbedrag van € 136.250,-. [9] De stortingen die in verband met deze notities zijn verricht vinden plaats in de periode van 2 november 2017 tot en met 30 december 2017. [10] Deze boekstukken zijn in de auditfiles geboekt als ‘Omzet buiten de EU’ of ‘Omzet laag’. [11] In de auditfiles zijn ook 493 klantbetalingen (debiteuren) aangetroffen voor een totaalbedrag van € 80.552,-. [12]
Over 2018 is geen kasadministratie van [bedrijf 1] B.V. aangetroffen. In de auditfiles over 2018 zijn onder de rekeningnamen ‘omzet laag’ en ‘omzet buiten de EU’ 30 mutaties te vinden van contante verkopen van € 1.000,- of meer, met een totale waarde van afgerond € 533.470,-. In totaal is in 2018 een bedrag van € 488.465,- contant gestort op de rekening van [bedrijf 1] B.V. [13] Uit de auditfiles is op te maken dat daarnaast per saldo € 42.176,- vanuit de kas wordt betaald voor leaseauto’s. [14]
In 2019 is in totaal € 126.238,- contant gestort op de bankrekening van [bedrijf 1] B.V. In de boekstukken van [bedrijf 1] B.V. over 2019 zijn boekstukken aangetroffen ten aanzien van kasinkomsten (in totaal € 24.650,-) en kasuitgaven (in totaal € 21.321,-). In totaal is er € 122.909,- meer contant gestort dan per saldo contant in kas is gekomen. [15] De laatste storting vond plaats op 27 juni 2019. In de auditfiles over de eerste zes maanden van 2019 zijn zeven boekingen aangetroffen waarvan er geen kasstukken zijn aangetroffen. Deze zeven boekingen betreffen een totaalbedrag van afgerond € 126.550,-. De boekingen zijn geboekt op de rekeningen ‘omzet laag’, ‘kas’ of ‘R/C HoN BE’. De overgrote meerderheid van de reguliere ontvangsten per kas is geboekt op ‘Debiteuren’ en voor die posten zijn facturen opgemaakt. [16]
[verdachte] heeft verklaard dat hij de administratie voor [bedrijf 1] B.V. verzorgde, waaronder de financiële administratie. [17] [verdachte] heeft ook verklaard dat hij de contanten naar de bank heeft gebracht en dat niemand anders dit deed. [18]
[medeverdachte] -route
Aankoop [bedrijf 5]
Tussen 17 augustus 2018 en 28 september 2018 ontvangt [bedrijf 1] B.V. vijf betalingen van in totaal € 855.946,40:
Datum
Bedrag afkomstig
Bedrag
17-8-2018
[bedrijf 6]
€ 99.945,00
30-8-2018
[bedrijf 7]
€ 99.935,00
5-9-2018
[bedrijf 8]
€ 50.410,00
11-9-2018
[bedrijf 9]
€ 49.430,00
28-9-2018
[bedrijf 10]
€ 556.226,40
De eerste vier betalingen komen uit Dubai en in de omschrijvingen staat ‘For purchase of nutrition products’ of ‘Import of healthcare products’. De vijfde betaling is afkomstig uit Bulgarije en bij de overboeking staat ‘factuurnummer [factuurnummer] ’ [19]
Tussen 30 augustus 2018 en 1 oktober 2018 wordt in totaal € 606.253,- overgemaakt naar [bedrijf 11] en [advocatenkantoor] in verband met de aankoop van het merk [bedrijf 5] van [bedrijf 11] . Voor het overige worden de ontvangen gelden gebruikt voor de bedrijfsvoering van [bedrijf 1] B.V., onder andere voor het betalen van facturen. [20]
De factuur met factuurnummer [factuurnummer] (hierna: De factuur) is in de administratie van [bedrijf 1] B.V. aangetroffen. [21] De factuur is gericht aan [bedrijf 12] en bevat een gedetailleerde opsomming van gefactureerde goederen voor een totaalbedrag van € 556.226,40 euro en met een afleveradres in Bulgarije. [22] Volgens de bestandseigenschappen is het bestand gecreëerd op 24 september 2018 en gewijzigd op 26 september 2018. De vermelde auteursnaam is ‘ [voornaam verdachte] ’, de voornaam van verdachte. [23]
In het onderzoek is ook een digitale leningsovereenkomst, gedateerd 2 juli 2018, aangetroffen. [24] Volgens de overeenkomst leent [bedrijf 13] ., gevestigd in Dubai, € 1.500.000,- aan [bedrijf 1] B.V. De overeenkomst is namens [bedrijf 1] B.V. ondertekend door [verdachte] . [25]
In het dossier is communicatie in relatie tot deze geldtransacties opgenomen. Deze communicatie houdt onder meer het volgende in.
Op 2 juli 2018 informeert [verdachte] [naam 1] dat [bedrijf 5] een officiële e-mail eruit heeft gedaan dat het te koop staat. [26]
Op 14 augustus 2018 meldt [naam 1] aan [verdachte] : ‘Als het goed is moet 300 aanbetaling participatie binnen komen’. Op 15 augustus 2018 vraagt [verdachte] aan [naam 1] : ‘Zodra het er is gaat de eerste betaling naar [bedrijf 5] eruit toch?’ en of [naam 1] kan navragen of ze een bevestiging van de bank kunnen sturen. [naam 1] stuurt deze laatste vraag door naar [medeverdachte] . [medeverdachte] vraagt vervolgens om een e-mailadres van [voornaam verdachte] [ [verdachte] ], waarna [naam 1] het door [verdachte] opgegeven e-mailadres doorstuurt naar [medeverdachte] . [27] Op 17 augustus 2018 stuurt [medeverdachte] betalingsgegevens door van betalingen van € 100.000,- door [bedrijf 14] en € 100.000,- door [bedrijf 15] aan [bedrijf 1] B.V. op 16 augustus 2018. Op 20 augustus 2018 stuurt [medeverdachte] de betalingsgegevens nogmaals, waarna [naam 1] het tweede bericht doorstuurt naar [verdachte] . [28] Op 5 september 2018 meldt [verdachte] aan [naam 1] ’50 ontvangen zojuist’. [29]
Op 20 september 2018 meldt [naam 1] aan [verdachte] ‘Komt nu snel 559 k binnen’. Op 21 september 2018 stuurt [medeverdachte] een e-mailadres en ‘ [bedrijf 12] ’, waarna [naam 1] vraagt ‘Wat bedoel je’. Vervolgens legt [medeverdachte] uit dat dit het e-mailadres is en dat het bedrijf zo heet. Daarna stuurt [naam 1] de naam van het bedrijf door naar [verdachte] en meldt ‘559 word overgemsskt’. [30] Op 28 september 2018 laat [verdachte] aan [naam 1] weten dat Bulgarije heeft betaald. [31]
Op 24 september 2018 ontvangt [verdachte] een e-mailbericht van [naam 3] van [bedrijf 16] met daarin informatie over [bedrijf 12] . De ge-e-mailde gegevens komen terug op De factuur. [32]
Op 18 januari 2019 vraagt [medewerker bank] van de [bank] per e-mail aan [verdachte] of hij zo snel mogelijk de documenten kan mailen die dienen als basis voor de betalingen die uit de VAE zijn ontvangen. [verdachte] antwoordt dat hij op dat moment in China is. [33] Op maandag 21 januari 2019 geeft [verdachte] bij [naam 1] aan dat als hij woensdag in Dubai kan zijn, hij in de avond weer kan doorvliegen en dat hij gaat bellen of hij zijn ticket kan omboeken. Op 23 januari 2019 laat [verdachte] aan [medeverdachte] weten dat als hij zijn koffer heeft, hij met een taxi naar het hotel gaat. [medeverdachte] reageert met ‘Ik ben er dan half 3’. [34]
Op 23 januari 2019 stuurt [verdachte] een ongetekende leenovereenkomst naar [e-mailadres] , waarin is opgenomen dat [bedrijf 1] B.V. een bedrag van € 1.500.000,- leent. [35] Op 28 januari 2019 ontvangt [verdachte] een scan van een getekende leningsovereenkomst voor € 1.500.000,- tussen [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 13] . [36] Op 29 januari 2019 stuurt [verdachte] een e-mailbericht aan [medewerker bank] van de [bank] , met als bijlage een leenovereenkomst tussen [bedrijf 13] . en [bedrijf 1] B.V. [37]
[verdachte] heeft verklaard dat er nooit producten zijn geleverd en dat het nooit de intentie is geweest om daadwerkelijk goederen te leveren aan de bedrijven in Bulgarije en Dubai. Omdat [bank] vragen ging stellen over de betalingen uit Dubai, is er een leningsovereenkomst opgesteld. [38]
Chinese bankrekening
Op de laptop van [verdachte] zijn overzichten aangetroffen van mutaties van een Chinese privérekening op naam van [verdachte] (rekeningnummer [nummer 1] ). Het betreft een overzicht over het jaar 2019 en een overzicht over de periode 11 september 2018 tot en met 21 april 2019. Door de FIOD zijn deze overzichten samengevoegd tot een transactieoverzicht, waarbij vanaf 23 januari 2019 alleen de transacties zijn opgenomen die zijn bevestigd door [naam 4] . [39] Deze beperking in 2019 is van belang omdat vanaf 15 februari 2019 de Chinese rekening ook gevoed wordt via de hierna nog te bespreken [achternaam] -route. De door [naam 4] bevestigde bedragen staan in relatie tot de [medeverdachte] -route.
Uit het samengestelde document komt naar voren dat in de periode van 15 september 2018 tot en met 29 maart 2019 in totaal 9.983.235,99 RMB is bijgeschreven op de Chinese rekening. [40] Omgerekend aan de hand van de gemiddelde wisselkoers uit die periode, gaat het om een bedrag van tussen de € 1.250.000,- en € 1.300.000,-. [41]
Het dossier bevat onder meer de volgende berichten die in relatie staan tot (transacties op) deze Chinese rekening.
Op 9 augustus 2018 stuurt [naam 1] berichten door naar [medeverdachte] , te weten het Chinese rekeningnummer, de naam van de bank en een foto van de debitcard van de bank. [42]
Op 15 oktober 2018 stuurt [verdachte] aan [naam 1] een afbeelding met Chinese tekens, maar in het Nederlands leesbaar: ‘ [bericht 1] ’. [naam 1] stuurt dit bericht door naar [medeverdachte] die aangeeft ‘That’s it’. Op 17 oktober 2018 vraagt [verdachte] aan [naam 1] wat hij [naam 5] ] kan berichten voor China, omdat daar eigenlijk kosten betaald moeten worden. [naam 1] laat weten ‘Ben er nu mee bezig’ en ‘een deze dagen zeker op rekening’. [verdachte] laat [naam 5] vervolgens weten dat hij de bevestiging heeft dat deze week sowieso 50K beschikbaar komt. Op 18 oktober 2018 stuurt [medeverdachte] (met een telefoonnummer uit de Verenigde Arabische Emiraten) acht afbeeldingen naar [naam 1] , waaronder één afbeelding waarop leesbaar is: ‘ [bericht 2] … ( [nummer 1] )’. [medeverdachte] merkt op ‘Boss. Dit is mijn dubai nr’ en vraagt [naam 1] om die betalingen allemaal te bevestigen. [43]
Op 23 januari 2019 start [naam 4] een Whatsapp-gesprek met [verdachte] en hij stuurt acht schermafbeeldingen van betalingsbevestigingen. Die worden vervolgens door [verdachte] bevestigd. Daarna geeft [verdachte] bij [medeverdachte] aan dat er wat gekomen is en dat hij dat heeft kunnen bevestigen, maar dat er nog niet alles is. [verdachte] bevestigt aan [medeverdachte] dat de ‘284’ er nog niet is en [medeverdachte] gaat daar achteraan. Op 24 januari 2019 bevestigt [verdachte] aan [naam 4] en [medeverdachte] de 284 te hebben ontvangen. [44]
[verdachte] heeft verklaard dat hij ervan uitging dat het geld van [bijnaam] [ [medeverdachte] [45] ] kwam, omdat het om Dubai ging. Het geld dat op de rekening kwam is gebruikt voor betalingen in China voor het bedrijf van [naam 5] ]. [46]
Zakelijke facturen [bedrijf 1] B.V.
Op 21 juni 2019 vraagt [verdachte] aan [naam 1] of hij wil kijken naar de factuur voor een Dubai beurs en [naam 1] vraagt hem het per app te sturen. Vervolgens stuurt [verdachte] een tax invoice van [bedrijf 17] aan [bedrijf 1] B.V. [47] Deze factuur ziet op een bedrag van AED 67.096,59. [48]
Op 5 september 2019 vraagt [verdachte] of [naam 1] de tweede betaling wil doen voor de beurs in Dubai en stuurt een foto van een opsomming van geldbedragen. [naam 1] antwoordt dat hij dat gaat doen en stuurt het bericht over de tweede betaling door naar [medeverdachte] . [medeverdachte] bevestigt dat hij de tweede betaling wil doen. [49] Dit betreft wederom een bedrag van AED 67.096,59. [50]
Op 5 november 2019 stuurt [verdachte] opnieuw een tax invoice door naar [naam 1] . [51] Deze factuur van [bedrijf 18] aan [bedrijf 1] B.V. is gedateerd op 4 november 2019 en heeft betrekking op een bedrag van AED 102.012,75. [52]
Op 8 januari 2020 stuurt [verdachte] wederom een tax invoice naar [naam 1] met de vraag of hij die door wil sturen voor betaling. Op 30 januari 2020 vraagt [verdachte] of [naam 1] Dubai wil vragen de factuur te betalen en hij geeft daarbij aan dat het nog iets is van de beurs. [53] Het betreft een factuur van [bedrijf 17] aan [bedrijf 1] B.V. van 8 januari 2020 en deze ziet op een bedrag van AED 33.548,30. [54]
Op 16 april 2020 meldt [naam 1] aan [verdachte] dat hij vandaag Dubai gaat afvinken. Hij stuurt vervolgens een afbeelding van een factuur door aan [medeverdachte] met de opmerking dat die nog open staat. [medeverdachte] vraagt of het de oude factuur is of dat deze voor de nieuwe beurs is, want die oude is betaald. [naam 1] licht toe dat er van de oude nog een rekening openstaat. Op 22 april 2020 geeft [medeverdachte] aan dat hij ‘Dubai beurs’ regelt en op 30 april 2020 dat [bedrijf 18] ook is betaald. [55] De op 16 april 2020 verstuurde factuur betreft een factuur van 4 december 2019 voor AED 012.012,75 van [bedrijf 18] aan [bedrijf 1] B.V. [56]
De vijf hiervoor besproken facturen betreffen in totaal een bedrag van AED 371.766,98. Uitgaande van een historische middenkoers van 4,13 [57] is dit omgerekend € 90.016,22.
Op 15 juni 2020 stuurt [naam 1] een factuur door naar [medeverdachte] met de opmerking dat die factuur nog open staat. [medeverdachte] reageert met ‘ok goed. Ga ik regelen’. [58] Het betreft een factuur van 25 mei 2020 van [bedrijf 19] aan [bedrijf 1] B.V. en ziet op een bedrag van € 68.456,-. [59]
[achternaam] -route
Algemeen
[verdachte] heeft verklaard dat al het geld dat hij naar [voornaam] [ [voornaam] [achternaam] [60] ] heeft gebracht van [naam 1] was en via [voornaam] op een Chinese rekening terechtkwam. [61] Al het geld dat hij ooit naar [voornaam] heeft gebracht, was afkomstig van [naam 1] . Het geld kwam elke keer in China terecht nadat het contante geld van [naam 1] naar [voornaam] was gebracht. [62] Hij heeft verklaard dat de herkomst van het geld geen relatie had met de zakelijke activiteiten van [bedrijf 1] B.V. of [bedrijf 20] B.V. Hij zag het geld als geld van [naam 1] . [63] [naam 1] heeft in een door zijn raadsman opgestelde schriftelijke verklaring verklaard dat er contant geld via [achternaam] bancair werd gemaakt. [64]
[verdachte] heeft ook verklaard dat hij het niet ‘extra’ verdacht vond dat het ging om biljetten van € 200,- en € 500,-, omdat het sowieso niet de gebruikelijke gang van zaken is dat er contante geldbedragen worden weggebracht. [65] [verdachte] heeft verklaard dat hij wel eens op het punt heeft gestaan te stoppen met het wegbrengen van geld, maar dat hij de moed niet had om er wat van te zeggen. [66]
Chinese rekening [verdachte]
Hiervoor bij de [medeverdachte] -route is al besproken dat er in China op naam van [verdachte] een bankrekening was geopend en dat op de laptop van [verdachte] een transactieoverzicht is aangetroffen. Door de FIOD is een overzicht samengesteld van transacties op deze Chinese rekening, waarbij alleen de bijschrijvingen zijn opgenomen die in chatberichten tussen [verdachte] , [achternaam] en/of een medewerker van [achternaam] worden bevestigd. [67] Uit dit overzicht volgt dat in de periode van 15 februari 2019 tot en met 20 april 2019 in totaal RMB 7.546.759,- wordt bijgeschreven op de Chinese bankrekening op naam van [verdachte] . [68] Omgerekend aan de hand van de gemiddelde wisselkoers uit de periode 1 januari 2019 – 30 juni 2020 gaat het om € 953.963,68. [69]
Chinese rekeningen Chinese particulieren
[verdachte] heeft verklaard dat [naam 6] , [naam 7] en [naam 8] medewerkers zijn van [naam 5] ] en dat hij vermoedt dat naar hen overgemaakte geldbedragen afkomstig waren van contant geld van [naam 1] dat naar [voornaam] was gebracht. De overgemaakte geldbedragen zijn volgens [verdachte] gebruikt voor kosten van [naam 5] ] in China of voor het platform JD waar kosten van betaald moesten worden. [70] Uit chatberichten komt met betrekking tot die overboekingen het volgende naar voren.
[naam 6]
Op 14 mei 2019 stuurt [naam 7] de bankgegevens van [naam 6] ( [nummer 3] ) door naar [verdachte] en zij geeft aan dat er 220k naar [naam 6] overgemaakt kan worden. [71] [verdachte] heeft de bankgegevens van [naam 6] gestuurd naar [achternaam] . Op 15 mei 2019 vraagt [verdachte] of er 220 gedaan kan worden. [achternaam] laat weten dat er al een verzoek voor 120 gedaan was en hij een tweede verzoek voor 100 zal doen. [72] Op 15 mei 2019 bevestigt [naam 7] de ontvangst van 120k aan [verdachte] en op 16 mei 2019 bevestigt [achternaam] de verzending van 100.000 in een groepschat met [verdachte] en [naam 9] . [73]
Op 19 juli 2019 vraagt [verdachte] aan [achternaam] of hij 1 mln rmb kan overmaken naar bankrekening [nummer 3] . [74] In een groepschat met [verdachte] , [naam 5] en [naam 7] bevestigt een zekere [naam 10] op 26 juli 2019 dat er 600.000 is ontvangen, op 31 juli 2019 dat er 200.000 is ontvangen en op 1 augustus 2019 dat de laatste 200.000 is ontvangen. Op diezelfde dagen bevestigt [verdachte] aan [achternaam] de ontvangst van ‘600 rmb’, ‘200’ en ‘the payment in China’. [75]
[naam 7]
Op 14 mei 2019 stuurt [verdachte] bankgegevens naar [achternaam] voor een betaling van 82k. Op 15 mei 2019 bevestigt [naam 7] dat zij 82k heeft ontvangen. [76] Op 28 mei 2019 bevestigt [naam 7] de ontvangst van 39.019,98 RMB en de ontvangst van 1m. Op 31 mei 2019 bevestigd [naam 7] de ontvangst van 500k en op 3 juni 2019 de ontvangst van 200k. [77]
[naam 8]
Op 14 mei 2019 stuurt [verdachte] gegevens van de bankrekening van [naam 8] naar [achternaam] met het bedrag 219980. Op 16 mei 2019 geeft [achternaam] in een groepschat met [verdachte] en een zekere [naam 9] aan dat de 219980 voltooid is. [78] Op 21 mei 2019 stuurt [verdachte] aan [achternaam] een afbeelding van ontvangen bedragen in RMB, waaronder een bedrag van 219.980,00 RMB. [79]
In totaal is er over de periode van 14 mei 2019 tot en met 1 augustus 2019 3.260.999,98 RMB overgemaakt op deze drie bankrekeningen. Omgerekend is dat een bedrag van € 412.213,45. [80]
Overboekingen naar [bedrijf 1] B.V.
Op de bankrekening van [bedrijf 1] B.V. zijn in de periode van 28 maart 2019 tot en met 24 april 2019 negen geldbedragen gestort, afkomstig van [bedrijf 21] (hierna: [bedrijf 21] ) voor een totaalbedrag van $ 730.085,38. [81] Omgerekend aan de hand van de gemiddelde wisselkoers uit de periode 1 januari 2019 – 30 juni 2020 gaat het om een bedrag van € 643.424,25. [82]
[verdachte] heeft over deze geldbedragen verklaard dat die niets te maken hebben met de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf 1] B.V. en dat dit geld van [naam 1] betrof. [83] [verdachte] vermoedt dat alle bedragen van [bedrijf 21] via [voornaam] in China zijn terechtgekomen en hij kent [bedrijf 21] alleen in verband met het geld dat naar [voornaam] werd gebracht. [84]
Overboekingen naar [bedrijf 20] B.V.
In de periode van 29 maart 2019 tot en met 4 mei 2020 wordt in totaal $ 9.691.834,- overgemaakt naar de bankrekening van [bedrijf 20] B.V. De geldbedragen zijn afkomstig van vijf bedrijven, te weten [bedrijf 22] (hierna: [bedrijf 22] ), [bedrijf 21] , [bedrijf 23] en [bedrijf 24] . [85] Omgerekend aan de hand van de gemiddelde wisselkoers uit de periode 1 januari 2019 – 30 juni 2020 gaat het om een bedrag van € 8.541.413,30. [86]
Vanaf de bankrekeningen van [bedrijf 20] B.V. is in de periode van 1 april 2019 tot en met 11 mei 2020 in totaal € 6.266.209,84 overgemaakt naar [bedrijf 1] B.V. en in de periode van 9 april 2019 tot en met 11 juli 2019 in totaal een bedrag van $ 1.104.938,78. [87]
[naam 5] ] van [bedrijf 20] B.V. heeft verklaard dat hij het financiële management van [bedrijf 20] B.V. deed en dat hij niets van [bedrijf 22] weet, maar dat [bedrijf 1] B.V. delen van haar kasstroom via [bedrijf 20] B.V. liet lopen en dat [bedrijf 20] B.V. soms een deel mocht houden en dat het soms door ging. Over [bedrijf 21] kon hij niets verklaren. [bedrijf 20] B.V. heeft niets verkocht aan [bedrijf 22] en [bedrijf 21] . [88] [naam 5] heeft verklaard dat hij de overboekingen vanuit [bedrijf 20] B.V. naar [bedrijf 1] verrichtte in opdracht van verdachte. [89]
[verdachte] heeft verklaard dat [bedrijf 1] B.V. nooit iets heeft geleverd aan de vijf bedrijven en dat het dus wel geld van [naam 1] zal zijn geweest. [90] [verdachte] heeft ook bevestigd dat het geld dat van [bedrijf 21] en [bedrijf 22] kwam geen relatie had met zakelijke activiteiten van [bedrijf 1] B.V. of [bedrijf 20] B.V. en dat [naam 1] met het geld privéuitgaven en/of zakelijke investeringen deed. [91]
3.4.2.
Overwegingen
De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] de tenlastegelegde feiten heeft begaan. Daarvoor is het volgende van belang.
Beoordelingskader witwassen
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van witwassen niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf", kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Als door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij of zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Als de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of, ondanks de verklaring van de verdachte, het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als zo'n verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.
Kasontvangsten [bedrijf 1] B.V.
Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een vermoeden van witwassen ten aanzien van meerdere contante geldbedragen bij [bedrijf 1] B.V., te weten € 136.250,- in 2017, € 533.470,- in 2018 en € 122.909,- in 2019 (totaal € 792.629,-). Daarvoor is van belang dat het gaat om grote bedragen per keer, ook in relatie tot de overige contante ontvangsten van [bedrijf 1] B.V. De omvang van de contante ontvangsten passen niet bij de aard van de onderneming, te weten een webshop. De ontvangsten zijn daarnaast afwijkend geboekt in de auditfiles en van deze ontvangsten zijn – in tegenstelling tot andere ontvangsten – geen facturen beschikbaar.
Tegenover dit vermoeden van witwassen heeft [verdachte] , die zich met de administratie bezig hield, als verklaring gegeven dat de gelden afkomstig zijn uit de contante omzet van [bedrijf 1] B.V. Hij heeft deze verklaring echter niet verder toegelicht of geconcretiseerd aan de hand van de aangetroffen administratie. Deze verklaring is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet. Bovendien is deze ook niet verifieerbaar, omdat naast deze stelling van [verdachte] alleen de notities in de boekstukken van 2017 en 2019 hier enige aanknopingspunten voor geven. Deze zijn in het onderzoek betrokken maar bieden onvoldoende aanknopingspunten voor nader onderzoek. Gelet daarop is bewezen dat de geldbedragen afkomstig zijn uit misdrijf.
De rechtbank acht ook bewezen dat verdachte dit wist, of in elk geval willens en wetens de aanmerkelijke kans op deze criminele herkomst heeft aanvaard. Verdachte heeft in zijn rol bij [bedrijf 1] B.V. de grote contante geldbedragen op de rekening gestort, de ontvangsten afwijkend geboekt in de auditfiles en wist dat er – in het beste geval – slechts een notitie beschikbaar was, en geen factuur.
De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte vanaf 2 november 2017, de dag waarop de eerste afwijkende contante storting plaatsvond, heeft witgewassen.
Witwassen via [medeverdachte]
Naar het oordeel van de rechtbank is ook bij de bedragen die via [medeverdachte] zijn betaald, sprake van een vermoeden van witwassen. Bij [verdachte] gaat het om het bedrag van € 855.946,- dat door [bedrijf 1] is ontvangen rond de aankoop van [bedrijf 5] , de omgerekend € 1.250.000,- die op de Chinese rekening van [verdachte] is geboekt en de betaalde facturen van [bedrijf 1] B.V. van in totaal (omgerekend) € 68.456,- en € 90.000,- (in totaal € 2.264.402,-).
Dat sprake is van een vermoeden van witwassen beoordeelt de rechtbank tegen de achtergrond van de bredere context in het dossier in relatie tot [medeverdachte] . Op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat [medeverdachte] vanuit Dubai geld beheert van [naam 1] en dat dit op verzoek van [naam 1] beschikbaar komt. Zo weet [medeverdachte] van welk bedrijf [naam 1] geld gestort krijgt op de rekening van [bedrijf 1] B.V. en gaat [medeverdachte] erachteraan als blijkt dat geld nog niet is bijgeschreven op de Chinese rekening op naam van [verdachte] . Ook voor zakelijke facturen van [bedrijf 1] B.V. vraagt [naam 1] aan [medeverdachte] deze facturen te betalen. Het gaat bij deze transacties om grote bedragen en facturen worden op een ongebruikelijke wijze via [medeverdachte] en Chinese rekeningen betaald.
Uit het dossier volgt daarnaast dat [medeverdachte] over [naam 1] zegt dat die zijn ‘full partner in keta’ is, [92] waaruit, mede tegen de achtergrond van de rest van het dossier, het vermoeden van een criminele samenwerking in de handel in ketamine is af te leiden. Ook volgt uit het dossier op basis van cryptocommunicatie dat [naam 1] door [medeverdachte] grote contante geldbedragen bij hem laat afleveren in Spanje. [93] Tot slot is ook van belang dat [naam 1] een factuur van een privéverbouwing doorstuurt naar [medeverdachte] die daarop reageert dat de ‘doekoe’ [het geld] aanwezig is. De factuur wordt vervolgens vanuit Dubai betaald. [94]
Tegen de achtergrond van deze bredere context leidt de rechtbank het vermoeden van witwassen voor de aan verdachte tenlastegelegde geldbedragen in het bijzonder af uit het volgende.
De bijschrijvingen van in totaal € 855.946,- zien, gelet op de omschrijving bij de betalingen, op het betalen van facturen, terwijl er nooit producten zijn geleverd of geleverd zouden gaan worden. Ten aanzien van de betaling van één van deze facturen van ruim € 559.000,- is een zeer gedetailleerde factuur (De factuur) opgesteld voor kennelijk geleverde producten, terwijl er in werkelijkheid geen producten zijn geleverd. De leningsovereenkomst, op grond waarvan de betalingen zouden zijn verricht, is pas opgesteld en ondertekend nadat vanuit de bank vragen werden gesteld en ziet op een ander geldbedrag. In de inbeslaggenomen administratie van [bedrijf 1] zijn geen rentebetalingen en is geen correspondentie of onderliggende stukken betreffende deze lening aangetroffen. [95]
De bijschrijvingen op de Chinese privérekening van verdachte zijn gebruikt voor zakelijke uitgaven en het geld is via Dubai op die rekeningen gestort. Een zakelijke aanleiding waarom vanuit of via Dubai betaald zou moeten worden blijkt niet uit het dossier. Ook blijkt uit het dossier geen zakelijke verklaring voor de reden waarom zakelijke kosten van [bedrijf 1] B.V. in Dubai door/via [medeverdachte] zouden moeten worden betaald. Dat deze uitgaven zijn doorbelast aan [bedrijf 1] B.V. blijkt evenmin. Gelet hierop is ten aanzien van het totaalbedrag van € 2.264.402,- sprake van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen.
[verdachte] heeft met betrekking tot het geldbedrag van € 855.946,- verklaard dat sprake is van een lening die door [naam 1] is geregeld. Dat er sprake zou zijn van een daadwerkelijke geldlening is naar het oordeel van de rechtbank hoogst onwaarschijnlijk, gelet op wat de rechtbank in het kader van het witwasvermoeden heeft overwogen over de onderzoeksbevindingen ten aanzien van de gestelde leningsovereenkomst en de omschrijvingen bij de overboekingen die bij de gestelde betalingen uit hoofde van die geldlening zouden horen. Ten aanzien van de overige onderdelen van dit witwasbedrag heeft [verdachte] geen verklaring gegeven over de herkomst van het geld. Gelet daarop is bewezen dat deze geldbedragen afkomstig zijn uit misdrijf.
De rechtbank acht ook bewezen dat [verdachte] minst genomen de aanmerkelijke kans op deze criminele herkomst heeft aanvaard. Bij aanvang van de geldstromen via [medeverdachte] was [verdachte] ermee bekend dat binnen [bedrijf 1] B.V. sprake was van een criminele geldstroom, zoals hiervoor onder het kopje “kasontvangsten [bedrijf 1] B.V.” is overwogen. Verder betrekt de rechtbank daarbij dat [verdachte] vanuit zijn rol en werkzaamheden op de hoogte was van de geldstromen en de administratie van [bedrijf 1] B.V. Hij wist dat de Chinese rekening op zijn naam via ‘Dubai’ werd gevoed ten behoeve van zakelijke uitgaven en dat rekeningen in Dubai niet vanaf de bankrekeningen van [bedrijf 1] B.V. betaald werden. Hij had ook een actieve betrokkenheid bij deze ongebruikelijke en omvangrijke transacties.
De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte de tenlastegelegde geldbedragen met betrekking tot de [medeverdachte] -route heeft witgewassen.
Valse geschriften
De rechtbank acht tevens bewezen dat verdachte De factuur en de leningsovereenkomst valselijk heeft opgemaakt en dat hij de leningsovereenkomst voorhanden heeft gehad en hiervan gebruik heeft gemaakt door deze naar de bank op te sturen.
De factuur is vals, omdat de op de factuur vermelde goederen niet zijn geleverd en het nooit de bedoeling is geweest deze goederen te leveren. Dat [verdachte] De factuur heeft opgemaakt leidt de rechtbank af uit zijn reguliere werkzaamheden, de omstandigheid dat hij de relevante informatie voor De factuur ge-e-maild krijgt en de metadata van het digitale bestand. De rechtbank gaat ervan uit dat De factuur met geen ander doel is opgemaakt dan om de ontvangst van dat bedrag in de administratie te kunnen verantwoorden.
De leningsovereenkomst is vals, omdat in werkelijkheid geen geld is geleend. De leningsovereenkomst is opgemaakt nadat de bank vragen ging stellen over ontvangen gelden, die gezien de omschrijving niet in relatie stonden tot een lening. Gelet op de wetenschap van [verdachte] over de criminele herkomst van de gelden, is de rechtbank van oordeel dat hij niet te goeder trouw heeft gehandeld bij het opstellen en ondertekenen van de leningsovereenkomst.
Witwassen via [achternaam]
De rechtbank is van oordeel dat ook ten aanzien van de geldbedragen die via [achternaam] zijn gelopen, sprake is van een vermoeden van witwassen. Het gaat om ruim 10,5 miljoen euro in contanten die in ruim een jaar tijd bij [achternaam] zijn gebracht. Daarbij gaat het grotendeels om contante geldsommen uit Nederland die via Chinese en/of Hongkongse bankrekeningen op Nederlandse zakelijke bankrekeningen terechtkomen. Tegenover de geldbedragen die door het bancaire systeem gingen stond geen aantoonbare verplichting. Dit is zeer ongebruikelijk. De omstandigheid dat [naam 1] heeft verklaard dat hij in totaal 7 miljoen euro in contanten heeft geleend van ‘een externe partij’ die naar [achternaam] zijn gebracht, maakt dat niet minder ongebruikelijk. Nu [verdachte] geen verklaring heeft gegeven voor de herkomst van deze bedragen, acht de rechtbank bewezen dat deze bedragen afkomstig zijn uit misdrijf.
De rechtbank acht ook bewezen dat verdachte dit wist, of in elk geval de aanmerkelijke kans daarop heeft aanvaard. Daarvoor is van belang dat [verdachte] wist dat het om grote contante geldbedragen ging en dat hij wist hoe de geldstromen terug naar Nederland ( [bedrijf 1] B.V.) liepen. Dit is – zoals hij zelf heeft verklaard – niet gebruikelijk.
De rechtbank acht dan ook bewezen dat [verdachte] , die op meerdere momenten actief betrokken was bij de transacties, de tenlastegelegde geldbedragen met betrekking tot de [achternaam] -route heeft witgewassen.
Gewoontewitwassen
De rechtbank acht ook bewezen dat [verdachte] van het witwassen een gewoonte heeft gemaakt. Dit volgt uit de omvang en de intensiteit van het bewezen witwassen en de periode waarin dit heeft plaatsgevonden.
Medeplegen
De rechtbank leidt uit de feitelijke gang van zaken af dat [verdachte] bij het gewoontewitwassen nauw en bewust heeft samengewerkt met anderen, zoals [naam 1] , [medeverdachte] en/of [achternaam] . De rechtbank acht daarom het medeplegen van het gewoontewitwassen bewezen.
De rechtbank acht ook bewezen dat [verdachte] bij het valselijk opmaken van de leningsovereenkomst nauw en bewust heeft samengewerkt met anderen, waaronder [naam 1] en [medeverdachte] .
De rechtbank kan niet vaststellen dat [verdachte] het gebruik van de leningsovereenkomst of het valselijk opstellen van De factuur samen met anderen heeft gedaan, zodat de rechtbank bewezen zal achten dat hij dat ‘alleen’ heeft gedaan.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3.4 weergegeven bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
Feit 1
in de periode van 2 november 2017 tot en met 27 augustus 2020 in Nederland en in de Verenigde Arabische Emiraten en in Bulgarije en in België en in China en in Hong Kong, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,
telkens voorwerpen, te weten
geldbedragen van in totaal (ongeveer) EUR 792.629,-, bestaande uit (ongeveer) EUR 136.250,- en (ongeveer) EUR 533.470,- en (ongeveer) EUR 122.909,-
en
geldbedragen van in totaal (ongeveer) EUR 2.264.402,-, bestaande uit (ongeveer) EUR 855.946,- en (ongeveer) EUR 1.250.000,- en (ongeveer) EUR 68.456,- en (ongeveer) EUR 90.000,-
en
geldbedragen van in totaal (ongeveer) EUR 10.551.015,61, bestaande uit (ongeveer) EUR 953.963,68 en (ongeveer) EUR 412.213,45 en (ongeveer) EUR 643.423,91 en (ongeveer) EUR 8.541.413,30
voorhanden heeft gehad en/of heeft omgezet en/of heeft overgedragen en/of van die geldbedragen gebruik heeft gemaakt
en/of
van die geldbedragen de werkelijke aard en/of herkomst en/of vindplaats en/of verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op die geldbedragen waren en/of wie die geldbedragen voorhanden hadden,
terwijl hij, verdachte, telkens wist dat die geldbedragen geheel of gedeeltelijk –onmiddellijk of middellijk– afkomstig waren uit enig misdrijf,
terwijl hij, verdachte, daarvan een gewoonte heeft gemaakt;
Feit 2
in de periode van 1 september 2018 tot en met 29 januari 2019,
in Nederland en in de Verenigde Arabische Emiraten, tezamen en in vereniging met een ander of anderen
een leningsovereenkomst
zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers hebben zij, verdachte, en/of zijn mededader(s), in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven-
in die leningsovereenkomst opgenomen dat [bedrijf 13] . een geldbedrag van EUR 1.500.000,- -middels een lening- heeft verstrekt aan [bedrijf 2] B.V., terwijl in werkelijkheid [bedrijf 13] . geen lening heeft verstrekt aan [bedrijf 2] B.V.
zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken
en
in Nederland
een factuur
zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft hij, verdachte, in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven-
in die factuur opgenomen dat [bedrijf 1] goederen heeft geleverd aan [bedrijf 12] , terwijl in werkelijkheid [bedrijf 1] die goederen niet heeft verkocht en/of geleverd aan [bedrijf 12]
en
in die factuur een geldbedrag (te weten: EUR 556.226,40) opgenomen dat in werkelijkheid geen betrekking heeft op in die factuur opgenomen goederen,
zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken;
Feit 3
op 29 januari 2019 in Nederland,
opzettelijk gebruik heeft gemaakt en voorhanden heeft gehad
een leningsovereenkomst, zijnde een vals geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, terwijl hij, verdachte wist dat dit geschrift bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst,
bestaande dat gebruik maken hieruit dat hij, verdachte, die leningsovereenkomst per e-mail heeft verzonden aan (een accountmanager van) [bank] en
bestaande die valsheid hieruit dat in die leningsovereenkomst is opgenomen dat [bedrijf 13] . een geldbedrag van EUR 1.500.000,- -middels een lening- heeft verstrekt aan [bedrijf 2] B.V., terwijl in werkelijkheid [bedrijf 13] . geen lening heeft verstrekt aan [bedrijf 2] B.V.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. [verdachte] is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

De verdediging stelt dat verdachte een beroep op psychische overmacht toekomt en dat hij om die reden ten aanzien van alle feiten dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Verdachte had een veel te zwaar takenpakket, hij was ernstig overbelast en stond onder enorme druk van [naam 1] , waardoor zijn wilsvrijheid was aangetast en niet van hem kon worden gevergd dat hij weerstand kon bieden aan de druk, aldus de verdediging.
Het Openbaar Ministerie stelt dat niet is komen vast te staan dat verdachte zodanig onder druk stond dat er geen andere uitweg was dan het plegen van strafbare feiten.
De rechtbank verwerpt het beroep op psychische overmacht. Voor een geslaagd beroep op psychische overmacht is vereist dat een verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet hoefde te bieden aan een van buiten komende drang. Naar het oordeel van de rechtbank is het niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest van dusdanige uitzonderlijke of buitengewone omstandigheden, dat naleving van de strafrechtelijke norm in redelijkheid niet van hem kon worden gevergd. Dat verdachte zich naar eigen zeggen in zijn werkzaamheden liet leiden door [naam 1] vindt op onderdelen steun in het dossier, maar is onvoldoende om psychische overmacht aan te nemen.
Ook overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7.
Motivering van de straf
7.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 48 maanden, waarvan 18 maanden voorwaardelijk.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die de duur van de ondergane voorlopige hechtenis (15 dagen) overstijgt.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op van 24 maanden. Daarvoor vindt de rechtbank het volgende van belang.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van ongeveer 13,5 miljoen euro en in het kader van het witwassen zich ook schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift en het gebruiken van een vals geschrift. Uit het dossier komt naar voren dat verdachte betrokken was bij verschillende, steeds complexer wordende witwasroutes. Als een route niet langer kon worden gebruikt, werd er alles aan gedaan om een andere/alternatieve route in te zetten. Het begon eind 2017 en eindigde pas in 2020. Het ging om steeds grotere bedragen en ondanks waarschuwende signalen, bijvoorbeeld van de accountant of de [bank] , is verdachte doorgegaan.
In zijn uitvoerende rol was verdachte bijna dagelijks met witwassen bezig. De rechtbank kwalificeert de rol van verdachte als een cruciale uitvoerende rol. Verdachte verrichtte veel feitelijke handelingen, onderhield zelfstandig contacten met andere betrokkenen en had in zijn positie het overzicht over het binnenkomen van geldbedragen. De rol van verdachte was dus een volwaardige rol bij het plegen van de strafbare feiten, maar de rechtbank vindt het aannemelijk dat hij geen leidende positie bij de feiten had.
Gelet op de ernst van de feiten en de rol die verdachte daarbij heeft gehad, kan het niet anders dan dat aan verdachte een aanzienlijk onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd. Vanuit de strafdoelen bekeken, is een vorm van vergelding en generale preventie/normbevestiging noodzakelijk. Tegen die achtergrond kan niet worden volstaan met een onvoorwaardelijk strafdeel van maximaal 15 dagen, zoals door de verdediging is bepleit.
Bij het bepalen van de hoogte van de straf houdt de rechtbank ermee rekening dat uit het dossier naar voren komt dat verdachte – anders dan andere verdachten – persoonlijk nauwelijks lijkt te hebben geprofiteerd van de strafbare feiten (of de brondelicten die aan het witwassen ten grondslag hebben gelegen). Niet financieel, maar ook niet op andere wijze.
Ook houdt de rechtbank enigszins rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal een grote impact hebben op verdachte en zijn gezin. Tegelijkertijd is dat een omstandigheid die voor een groot deel van de verdachten geldt en in die zin inherent is aan het opleggen van een straf. Wel blijkt uit de persoonlijke omstandigheden van verdachte dat zijn leven een andere wending heeft genomen, waardoor de rechtbank het herhalingsgevaar als laag inschat. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om naast een onvoorwaardelijke straf ook een voorwaardelijke straf aan verdachte op te leggen.
De rechtbank houdt ook enigszins rekening met de omstandigheid dat verdachte heeft meegewerkt aan het onderzoek en inhoudelijke verklaringen heeft afgelegd. Tegelijkertijd stelt de rechtbank vast dat verdachte slechts tot op zekere hoogte inzicht heeft gegeven in en verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen.
Anders dan de verdediging ziet de rechtbank geen aanleiding om in strafmatigende zin rekening te houden met de media-aandacht die deze zaak heeft gehad. Dat sprake is van mediabelangstelling voor zaken zoals deze, is inherent aan de aard en de ernst van de bewezen feiten. Gelet op wat daarover door de verdediging naar voren gebracht, was die aandacht niet zodanig dat dit van invloed moet zijn op de strafmaat.
Tot slot houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat de redelijke termijn is geschonden. De redelijke termijn is aangevangen op 27 augustus 2020, de dag waarop verdachte in verzekering is gesteld. De rechtbank ziet – anders dan de officier van justitie - in deze zaak geen bijzondere omstandigheden die een langere redelijke termijn dan de gebruikelijke twee jaar zouden rechtvaardigen. Het lijkt er vooral op dat het onderzoek geruime tijd heeft stilgelegen, terwijl er van de zijde van de verdediging van verdachte en/of zijn medeverdachten niet tot weinig onderzoekswensen zijn ingediend. De rechtbank gaat daarom uit van een redelijke termijn van twee jaar, zodat sprake is van een overschrijding van ongeveer 3,5 jaar. De rechtbank zal verdachte voor deze overschrijding compenseren door een lagere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Zonder overschrijding van de redelijke termijn zou de rechtbank een gevangenisstraf van 30 maanden hebben opgelegd.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 56, 57, 225 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

9.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Feit 1
medeplegen van van witwassen een gewoonte maken;
Feiten 2 en 3
medeplegen van valsheid in geschrift
en
opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift als ware het echt en onvervalsten
opzettelijk een vals geschrift voorhanden hebben
en
valsheid in geschrift.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van
24 (vierentwintig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Dit vonnis is gewezen door
mr. F. Dekkers, voorzitter,
mrs. J.M. van Hall en M. Wiewel, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C. Wolswinkel, griffier
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 februari 2026.
[--]

Voetnoten

1.Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de digitale nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Tenzij anders vermeld, zijn de met DOC aangeduide bewijsmiddelen geschriften.
2.[bedrijf 1] B.V. heette voorheen [bedrijf 2] B.V., maar handelde toen ook al onder de naam [bedrijf 1] . Voor de leesbaarheid schrijft de rechtbank steeds [bedrijf 1] B.V., ook als het gaat over de periode van voor de naamswijziging.
3.DOC-020, p. 3348 & 3350.
4.DOC-020, p. 3351.
5.DOC-017, p. 3335.
6.DOC-020, p. 3349.
7.DOC-013, p. 3321.
8.V-05-01, p. 710.
9.AMB-074, p. 1674.
10.AMB-097, bijlage 1, p. 5022-5023.
11.AMB-074, p. 1675.
12.AMB-074, p. 1676.
13.AMB-074, p. 1678.
14.AMB-074, p. 1680.
15.AMB-074, p. 1671.
16.AMB-074, p. 1672.
17.V-05-01, p. 712.
18.V-05-008, p. 783.
19.AMB-063, p. 1502, in samenhang met het Exceloverzicht met banktransacties van [nummer 4] .
20.AMB-063, p. 1504.
21.AMB-063, p. 1502.
22.DOC-106, p. 3939-3943.
23.DOC-106a, p. 3944.
24.AMB-063, p. 1504.
25.DOC-108, p. 3950-3952.
26.DOC-090, p. 3706.
27.DOC-090, p. 3706-3707.
28.DOC-090, p. 3709.
29.DOC-090, p. 3711.
30.DOC-090, p. 3711-3712.
31.DOC-090, p. 3713.
32.DOC-105, p. 3936
33.DOC-107, p. 3945.
34.DOC-090, p. 3713-3714.
35.DOC-120, p. 4048.
36.DOC-122, p. 4061-4067.
37.DOC-107, p. 3945, en DOC-108, p. 3950-3953.
38.V05-009, p. 813.
39.AMB-044, p. 1258.
40.DOC-092, p. 3759-3761.
41.AMB-063, p. 1574.
42.DOC-091, p. 3722
43.DOC-091, p. 3725-3726.
44.DOC-091, p. 3735-3736.
45.AMB-054, p. 1357.
46.V05-009, p. 796.
47.DOC-112, p. 3969.
48.DOC-223, p. 4352.
49.DOC-112, p. 3969.
50.DOC-224, p. 4354.
51.DOC-112, p. 3969.
52.DOC-225, p. 4356.
53.DOC-112, p. 3970.
54.DOC-226, p. 4357.
55.DOC-112, p. 3970-3971.
56.DOC-227, p. 4359.
57.AMB-063, p. 1619.
58.DOC-112, p. 3971.
59.DOC-184, p. 4259.
60.V09-001, p. 830.
61.V05-009, p. 791.
62.V05-009, p. 794.
63.V05-009, p. 795.
64.V-01-02, p. 645.
65.V05-009, p. 801.
66.V05-009, p. 803.
67.AMB-052, p. 1294.
68.DOC-094, p. 3811-3812.
69.AMB-052, p. 1350.
70.V-05-009, p. 802.
71.DOC-113, p. 3974.
72.DOC-113, p. 3973 en 3975.
73.DOC-113, p. 3976.
74.DOC-113, p. 3984.
75.DOC-113, p. 3992 en 3995-3996.
76.DOC-114, p. 3998.
77.DOC-114, p. 4004-4006.
78.DOC-115, p. 4007-4008.
79.DOC-115, p. 4011.
80.AMB-052, p. 1350
81.AMB-052, p. 1315.
82.AMB-052, p. 1350.
83.V05-009, p. 806.
84.V05-008, p. 787.
85.AMB-052, p. 1322-1325.
86.AMB-052, p. 1350.
87.AMB-052, p. 1326-1328.
88.G-01-01, p. 854.
89.Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 5] bij de rechter-commissaris, blad 5.
90.V05-009, p. 806.
91.V05-009, p. 794-795.
92.AMB-063, p. 1500.
93.AMB-063, p. 1597-1605.
94.AMB-063, p. 1610-1611.
95.AMB-73, p. 1542 en 1545.