ECLI:NL:RBAMS:2026:1866

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
81.258425.20
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 57 SrArt. 63 SrArt. 420ter SrArt. 1 Wet op de economische delicten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling gewoontewitwassen en groothandel ketamine met zes jaar gevangenisstraf

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte veroordeeld voor gewoontewitwassen van circa 2,9 miljoen euro en het medeplegen van het opzettelijk zonder registratie in voorraad hebben en afleveren van grote hoeveelheden ketamine. Het onderzoek, onderdeel van het zogeheten onderzoek Kristal, toonde aan dat verdachte een centrale rol speelde in het witwassen van geldstromen en de groothandel in ketamine.

Bewijsmiddelen bestonden uit onder meer cryptotelefoonberichten, financiële transacties, inbeslaggenomen documenten en getuigenverklaringen. De rechtbank stelde vast dat verdachte nauw samenwerkte met anderen en gebruikmaakte van complexe witwasconstructies, waaronder schijnleningen en betalingen via buitenlandse rekeningen. Daarnaast werd ruim 1.125 kilogram ketamine in voorraad gehouden, waarvan 940 kilogram werd afgeleverd.

De rechtbank achtte bewezen dat verdachte een gewoonte had gemaakt van witwassen en dat hij medepleger was van de ketaminehandel. Gelet op de ernst van de feiten, de omvang van de witwaspraktijken en de eerdere veroordeling van verdachte, legde de rechtbank een gevangenisstraf van zes jaar op. Tevens werd gevangenneming bevolen vanwege vluchtgevaar, aangezien verdachte in Dubai verblijft.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf voor gewoontewitwassen en medeplegen van ketaminehandel.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 81.258425.20
Datum uitspraak: 20 februari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteland] op [geboortedag] 1970, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, maar met als geregistreerd buitenlands adres [adres 1] ),
hierna: [verdachte] of verdachte.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is bij verstek gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 12, 13 en 17 november 2025 (inhoudelijke behandeling) en 20 februari 2026 (sluiting).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie, mrs. F. Bahadin en J.P. Hopman (hierna gezamenlijk: de officier van justitie).

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
gewoontewitwassen van in totaal € 3.023.522,- en
het opzettelijk zonder registratie in voorraad hebben van 1125 kilogram ketamine en/of (laten) afleveren van 940 kilogram ketamine, dan wel het opzettelijk drijven van een groothandel in ketamine.
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in een bijlage bij dit vonnis.
Anders dat de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat bij feit 1 een bedrag van € 68.456,- (in verband met de betaling van een factuur in juni 2020) buiten het bereik van de verfeitelijking in de tenlastelegging valt, zodat het witwassen van dit deelbedrag in de zaak van [verdachte] niet aan de rechtbank voorligt.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Inleiding
Verdachte is een van de verdachten in het onderzoek Kristal. Dit onderzoek is opgestart naar aanleiding van (anonieme) meldingen, waarbij de verdenking is ontstaan dat [naam 1] zich samen met anderen schuldig zou maken aan de handel in ketamine en witwassen. Gedurende het onderzoek zijn drie verschillende witwasconstructies geïdentificeerd. Één van de constructies ziet op het witwassen via het netwerk van verdachte. Verdachte is in beeld gekomen bij het witwassen van de geldstromen die via hem zijn gelopen en bij de handel in ketamine.
3.2.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie vindt bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan.
3.3.
Oordeel van de rechtbank [1]
3.3.1.
Identificatie crypto-accounts
De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat de volgende verdachten in dit onderzoek gebruik hebben gemaakt van in elk geval de volgende cryptotelefoons:
Verdachte Sky-account(s) Encrochat-account
[naam 1] [sky-account 1]
[sky-account 2] , [sky-account 3]
[sky-account 4]
De rechtbank zal na de identificatie omwille van de leesbaarheid niet de betreffende crypto-accounts noemen, maar de achternaam van geïdentificeerde gebruiker.
De rechtbank leidt deze identificaties af uit de volgende feiten en omstandigheden.
[sky-account 1]
Het Sky-account [sky-account 1] is gekoppeld aan IMEI-nummer [IMEI-nummer 1] . Tijdens de doorzoeking op 27 augustus 2020 is in de woning van [naam 1] aan de [adres 2] een iPhone met dit IMEI-nummer in beslag genomen. [2]
Op 7 juli 2020 stuurt [sky-account 1] de volgende berichten: ‘kan die honderd op rek porsche’, ‘ik heb al 60 aanbetaald’. Op 9 juli 2020 stuurt [sky-account 1] : ‘als je 107 overmaakt is er rust met de auto’. [3] [naam 1] heeft verklaard dat hij in 2019 een nieuwe Porsche heeft besteld die hij in 2020 moest afnemen voor € 167.000,- en dat hij hier al € 25.000,- en € 35.000,- voor had aanbetaald. [4]
Op 10 juli 2020 stuurt [sky-account 1] de volgende berichten: ‘no car, i’m in a appartment’, ‘if you there in front of hotel i walk to you’ en ‘ [adres 3] ’. [5] Op het adres [adres 3] in Malaga is het Hotel [hotel] gevestigd. [naam 1] is mede-eigenaar van appartementen op het adres [adres 4] . [6]
Gelet op deze feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat [naam 1] de gebruiker is van Sky-ID [sky-account 1] .
[sky-account 3] , [sky-account 3] en [sky-account 2]
Tijdens de doorzoeking bij [medeverdachte] is een notitie in beslag genomen waarop staat ‘ [bijnaam 1] ’ en ‘ [sky-account 3] ’. [7] Uit berichten van [sky-account 3] wordt afgeleid dat de gebruiker gebruikmaakt van de naam [bijnaam 1] . Hetzelfde geldt voor de gebruiker ‘ [sky-account 3] @encrochat.com . [8] [sky-account 3] en [sky-account 3] geven allebei ‘ [e-mailadres 1] ’ door voor het ontvangen van een e-mailbericht. [9]
Op 24 juni 2020 stuurt [sky-account 3] vermoedelijk 67 Sky-id’s door naar [sky-account 2] . Op 24 juni 2020 vraagt [sky-ID 1] aan [sky-account 2] ‘nieuwe toch?’ [sky-account 2] schrijft zelf aan [sky-ID 2] ‘Deze is new’ en dat andere ‘nog 2 maanden is’ en zijn back up is. [sky-ID 3] vraagt die dag aan [sky-account 2] ‘Is dit he nieuwe [bijnaam 1] ?’. [10] Uit meer berichten is op te maken dat [sky-account 2] de bijnaam [bijnaam 1] gebruikt. [11]
Op 18 december 2020 schrijft [naam account] aan [sky-account 2] ‘happy happy Bday’. [verdachte] is op [geboortedag] 1970 geboren. [12]
In een onder [naam 1] in beslag genomen telefoon is het telefoonnummer [telefoonnummer] opgeslagen als ‘ [bijnaam 1] ’. Dit nummer staat op naam van [naam vrouw verdachte] , de vrouw van [verdachte] . Op 13 december 2019 stuurt [bijnaam 1] naar [naam 1] ‘ [voornaam en achternaam verdachte] ’ en op 4 juni 2020 stuurt hij twee foto’s naar [naam 1] met de tekst ‘Ben getrimd’. De verbalisant herkent op deze foto’s [verdachte] van zijn foto uit het politieregistratiesysteem. [13]
In de telefoon van [naam 1] is het nummer [nummer 1] opgeslagen als ‘ [bijnaam 1] ’. [bijnaam 1] stuurt op 18 oktober 2018 naar [naam 1] : “Boss. Dit is mijn dubai nr.” Op 23 januari 2019 stuurt [bijnaam 1] een foto waarop de verbalisanten [verdachte] en [naam 1] van de foto’s uit het politieregistratiesystemen herkennen. [14]
[naam bestuurder] heeft verklaard dat hij de persoon die hij in zijn verhoren [bijnaam 1] noemde, herkent op een foto uit het politieregistratiesysteem als [verdachte] . [15]
Gelet op deze feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat het Encrochat-account [sky-account 3] en de Sky-accounts [sky-account 3] en [sky-account 2] een en dezelfde ‘ [bijnaam 1] ’ als gebruiker hebben,dat [verdachte] deze ‘ [bijnaam 1] ’ is en dat de telefoonnummers [telefoonnummer] en [nummer 1] in gebruik zijn bij [verdachte] .
[sky-account 4]
Het Sky-account [sky-account 4] is gekoppeld aan IMEI-nummer [IMEI-nummer 2] . Tijdens de doorzoeking van de woning van [medeverdachte] is de telefoon met IMEI-nummer [IMEI-nummer 2] aangetroffen. Tijdens de doorzoeking is in een portemonnee ook een notitie aangetroffen met daarop ‘ [bijnaam 2] ’ en ‘ [bijnaam 3] ’. In het onderzoek zijn Sky-gesprekken tussen [bijnaam 3] en [sky-account 4] aangetroffen. [16]
Op 26 augustus stuurt [naam 1] naar [sky-account 4] dat hij om 11.00 in Soest is, en later ‘sorry 13:30 kroeg’. [sky-account 4] reageert hierop met ‘oké’. Een observatieteam heeft op 26 augustus 2020 om 17.13 uur [medeverdachte] uit de woning zien lopen op het adres waar [naam 1] stond ingeschreven en waar zijn kroeg ook is gevestigd. [17]
Gelet op deze feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte] de gebruiker is geweest van het Sky-account [sky-account 4] .
3.3.2.
Gewoontewitwassen
3.3.2.1. Deelvrijspraak
De rechtbank kan, net als de officier van justitie, niet vaststellen dat [verdachte] het geldbedrag van € 35.000,- dat ten behoeve van een verbouwing in Spanje zou zijn betaald, heeft witgewassen. De rechtbank zal [verdachte] daarom van dat onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.
3.3.2.2. Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.
[bedrijf 1] B.V. [18]
[bedrijf 1] B.V. is op 26 april 2016 opgericht onder de naam [bedrijf 2] B.V. en heet sinds 4 juni 2020 [bedrijf 1] B.V. De onderneming staat geregistreerd als internetdetailhandel [webshop] en groothandel. [19] Van 26 april 2016 tot 24 juni 2020 was [bedrijf 3] B.V. bestuurder. [20] [bestuurder] was vanaf de oprichting op 26 april 2016 de bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 3] B.V. [21] [bedrijf 4] B.V. is vanaf 26 april 2016 bestuurder van [bedrijf 1] B.V. en vanaf 24 juni 2020 ook enig aandeelhouder. [22] [naam 1] was vanaf de oprichting op 25 april 2016 bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 4] B.V. [23] De aandelenverhouding in [bedrijf 1] B.V. tussen [naam 1] en [naam 2] was 80% versus 20%. [24]
Aankoop [bedrijf 13]
Tussen 17 augustus 2018 en 28 september 2018 ontvangt [bedrijf 1] B.V. vijf betalingen van in totaal € 855.946,40:
Datum
Bedrag afkomstig
Bedrag
17-8-2018
[bedrijf 5]
€ 99.945,00
30-8-2018
[bedrijf 6]
€ 99.935,00
5-9-2018
[bedrijf 7]
€ 50.410,00
11-9-2018
[bedrijf 8]
€ 49.430,00
28-9-2018
[bedrijf 9]
€ 556.226,40
De eerste vier betalingen komen uit Dubai en in de omschrijvingen staat ‘For purchase of nutrition products’ of ‘Import of healthcare products’. De vijfde betaling is afkomstig uit Bulgarije en bij de overboeking staat ‘factuurnummer [factuurnummer] ’. [25]
Tussen 30 augustus 2018 en 1 oktober 2018 wordt in totaal € 606.253,- overgemaakt naar [bedrijf 10] en [advocatenkantoor] in verband met de aankoop van het merk [bedrijf 13] van [bedrijf 10] . Voor het overige worden de ontvangen gelden gebruikt voor de bedrijfsvoering van [bedrijf 1] B.V., onder andere voor het betalen van facturen. [26]
De factuur met factuurnummer [factuurnummer] is in de administratie van [bedrijf 1] B.V. aangetroffen. [27] Deze factuur is gericht aan [bedrijf 11] en bevat een gedetailleerde opsomming van gefactureerde goederen voor een totaalbedrag van € 556.226,40 euro en met een afleveradres in Bulgarije. [28] Volgens de bestandseigenschappen is het bestand gecreëerd op 24 september 2018 en gewijzigd op 26 september 2018. De vermelde auteursnaam is ‘ [voornaam bestuurder] ’, de voornaam van [naam 2] . [29]
In het onderzoek is ook een digitale leningsovereenkomst, gedateerd 2 juli 2018, aangetroffen. [30] Volgens de overeenkomst leent [bedrijf 12] C ., gevestigd in Dubai , € 1.500.000,- aan [bedrijf 1] B.V. De overeenkomst is namens [bedrijf 1] B.V. ondertekend door [naam 2] . [31]
In het dossier is communicatie in relatie tot deze geldtransacties opgenomen. Deze communicatie houdt onder meer het volgende in.
Op 2 juli 2018 informeert [naam 2] [naam 1] dat [bedrijf 13] een officiële e-mail eruit heeft gedaan dat het te koop staat. [32]
Op 14 augustus 2018 meldt [naam 1] aan [naam 2] : ‘Als het goed is moet 300 aanbetaling participatie binnen komen’. Op 15 augustus 2018 vraagt [naam 2] aan [naam 1] : ‘Zodra het er is gaat de eerste betaling naar [bedrijf 13] eruit toch?’ en of [naam 1] kan navragen of ze een bevestiging van de bank kunnen sturen. [naam 1] stuurt deze laatste vraag door naar [verdachte] . [verdachte] vraagt vervolgens om een e-mailadres van [voornaam bestuurder] [ [naam 2] ], waarna [naam 1] het door [naam 2] opgegeven e-mailadres doorstuurt naar [verdachte] . [33] Op 17 augustus 2018 stuurt [verdachte] betalingsgegevens door van betalingen van € 100.000,- door [bedrijf 5] en € 100.000,- door [bedrijf 6] aan [bedrijf 1] B.V. op 16 augustus 2018. Op 20 augustus 2018 stuurt [verdachte] de betalingsgegevens nogmaals, waarna [naam 1] het tweede bericht doorstuurt naar [naam 2] . [34] Op 5 september 2018 meldt [naam 2] aan [naam 1] ’50 ontvangen zojuist’. [35]
Op 20 september 2018 meldt [naam 1] aan [naam 2] ‘Komt nu snel 559 k binnen’. Op 21 september 2018 stuurt [verdachte] een e-mailadres en ‘ [bedrijf 9] ’, waarna [naam 1] vraagt ‘Wat bedoel je’. Vervolgens legt [verdachte] uit dat dit het e-mailadres is en dat het bedrijf zo heet. Daarna stuurt [naam 1] de naam van het bedrijf door naar [naam 2] en meldt ‘559 word overgemsskt’. [36] Op 28 september 2018 laat [naam 2] aan [naam 1] weten dat Bulgarije heeft betaald. [37]
Op 24 september 2018 ontvangt [naam 2] een e-mailbericht van [naam 3] van [bedrijf 14] met daarin informatie over [bedrijf 11] . De ge-e-mailde gegevens komen terug op de factuur met factuurnummer [factuurnummer] . [38]
Op 18 januari 2019 vraagt [medewerker bank] van de [bank] per e-mail aan [naam 2] of hij zo snel mogelijk de documenten kan mailen die dienen als basis voor de betalingen die uit de VAE zijn ontvangen. [naam 2] antwoordt dat hij op dat moment in China is. [39] Op maandag 21 januari 2019 geeft [naam 2] bij [naam 1] aan dat als hij woensdag in Dubai kan zijn, hij in de avond weer kan doorvliegen en dat hij gaat bellen of hij zijn ticket kan omboeken. Op 23 januari 2019 laat [naam 2] aan [verdachte] weten dat als hij zijn koffer heeft, hij met een taxi naar het hotel gaat. [verdachte] reageert met ‘Ik ben er dan half 3’. [40]
Op 23 januari 2019 stuurt [naam 2] een ongetekende leenovereenkomst naar [e-mailadres 2] , waarin is opgenomen dat [bedrijf 1] B.V. een bedrag van € 1.500.000,- leent. [41] Op 28 januari 2019 ontvangt [naam 2] een scan van een getekende leningsovereenkomst voor € 1.500.000,- tussen [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 12] C . [42] Op 29 januari 2019 stuurt [naam 2] een e-mailbericht aan [medewerker bank] van de [bank] , met als bijlage een leenovereenkomst tussen [bedrijf 12] C . en [bedrijf 1] B.V. [43]
[naam 2] heeft verklaard dat er nooit producten zijn geleverd en dat het nooit de intentie is geweest om daadwerkelijk goederen te leveren aan de bedrijven in Bulgarije en Dubai . Omdat [bank] vragen ging stellen over de betalingen uit Dubai , is er een leningsovereenkomst opgesteld. [44]
Chinese bankrekening
Op de laptop van [naam 2] zijn overzichten aangetroffen van mutaties van een Chinese privérekening op naam van [naam 2] (rekeningnummer [nummer 2] ). Het betreft een overzicht over het jaar 2019 en een overzicht over de periode 11 september 2018 tot en met 21 april 2019. Door de FIOD zijn deze overzichten samengevoegd tot een transactieoverzicht, waarbij vanaf 23 januari 2019 alleen de transacties zijn opgenomen die zijn bevestigd door [naam 4] . [45] Deze beperking in 2019 is van belang omdat vanaf 15 februari 2019 de Chinese rekening ook gevoed wordt via een niet aan verdachte tenlastegelegde witwasconstructie. De door [naam 4] bevestigde bedragen staan in relatie tot de aan verdachte tenlastegelegde witwasconstructie.
Uit het samengestelde document komt naar voren dat in de periode van 15 september 2018 tot en met 29 maart 2019 in totaal 9.983.235,99 RMB is bijgeschreven op de Chinese rekening. [46] Omgerekend aan de hand van de gemiddelde wisselkoers uit die periode, gaat het om een bedrag van tussen de € 1.250.000,- en € 1.300.000,-. [47]
Het dossier bevat onder meer de volgende berichten die in relatie staan tot (transacties op) deze Chinese rekening.
Op 9 augustus 2018 stuurt [naam 1] berichten door naar [verdachte] , te weten het Chinese rekeningnummer, de naam van de bank en een foto van de debitcard van de bank. [48]
Op 15 oktober 2018 stuurt [naam 2] aan [naam 1] een afbeelding met Chinese tekens, maar in het Nederlands leesbaar: ‘ [bericht 1] ’. [naam 1] stuurt dit bericht door naar [verdachte] die aangeeft ‘That’s it’. Op 17 oktober 2018 vraagt [naam 2] aan [naam 1] wat hij [naam 5] ] kan berichten voor China, omdat daar eigenlijk kosten betaald moeten worden. [naam 1] laat weten ‘Ben er nu mee bezig’ en ‘een deze dagen zeker op rekening’. [naam 2] laat [naam 5] vervolgens weten dat hij de bevestiging heeft dat deze week sowieso 50K beschikbaar komt. Op 18 oktober 2018 stuurt [verdachte] (met een telefoonnummer uit de Verenigde Arabische Emiraten) acht afbeeldingen naar [naam 1] , waaronder één afbeelding waarop leesbaar is: ‘ [bericht 2] … ( [bericht 2] )’. [verdachte] merkt op ‘Boss. Dit is mijn dubai nr” en vraagt [naam 1] om die betalingen allemaal te bevestigen. [49]
Op 23 januari 2019 start [naam 4] een Whatsapp-gesprek met [naam 2] en hij stuurt acht schermafbeeldingen van betalingsbevestigingen. Die worden vervolgens door [naam 2] bevestigd. Daarna geeft [naam 2] bij [verdachte] aan dat er wat gekomen is en dat hij dat heeft kunnen bevestigen, maar dat er nog niet alles is. [naam 2] bevestigt aan [verdachte] dat de ‘284’ er nog niet is en [verdachte] gaat daarachter aan. Op 24 januari 2019 bevestigt [naam 2] aan [naam 4] en [verdachte] de 284 te hebben ontvangen. [50]
[naam 2] heeft verklaard dat hij ervan uitging dat het geld van [bijnaam 1] [ [verdachte] ] kwam, omdat het om Dubai ging. Het geld dat op de rekening kwam is gebruikt voor betalingen in China voor het bedrijf van [naam 5] ]. [51]
Geldoverdrachten
Op 9 juli 2020 vraagt [naam 1] aan [verdachte] of hij een token kan afgegeven en vervolgens stuurt hij een afbeelding van een fragment van een bankbiljet met serienummer [serienummer 1] . Op 10 juli 2020 vraagt [sky-ID 4] in een groepschat of er ‘local drops’ zijn en [verdachte] reageert met ‘I have a local one 85k eu.’ en ‘Tkn 85k eu Malaga [serienummer 2] ’. [naam 1] stuurt later die dag wederom een fragment van een bankbiljet met serienummer [serienummer 1] , nu naar [sky-ID 5] . Later laat [sky-ID 4] in de groepschat weten dat de 85k gedaan is en stuurt daarbij een foto met een fragment van een bankbiljet met serienummer [serienummer 1] mee. [naam 1] meldt aan [verdachte] ‘job done thx’. [52]
Op 18 juli 2020 vraagt [naam 1] of [verdachte] zijn token had ontvangen en later stuurt hij [serienummer 3] . Op 19 juli 2020 stuurt [naam 1] een fragment van een bankbiljet met serienummer [serienummer 3] naar [sky-ID 5] . Vervolgens stuurt [sky-ID 5] een foto met een fragment van een bankbiljet met serienummer [serienummer 3] naar [verdachte] met de toevoeging ‘60k done’. [verdachte] reageert met ‘Thx mate’. [naam 1] meldt ook aan [verdachte] dat de 60 job gedaan is. [53]
Op 11 augustus 2020 stuurt [naam 1] een fragment van een bankbiljet met serienummer [serienummer 4] naar [verdachte] . Op 15 augustus 2020 stuurt [naam 1] naar [sky-ID 5] ‘ [serienummer 4] ’. Vervolgens stuurt [sky-ID 5] een foto met een fragment van een bankbiljet met serienummer [serienummer 4] naar [verdachte] met de toevoeging ‘125k done’. [naam 1] meldt aan [verdachte] ‘job done’. [sky-ID 4] meldt tot slot in een groepschat ‘125k done bro’ en [verdachte] reageert met ‘Thx bro. Confirmed’. [54]
Op 20 augustus 2020 vraagt [naam 1] aan [verdachte] of het doekoe wordt in ’t weekend en op 22 augustus 2020 stuurt [naam 1] ‘ [serienummer 5] ’. Diezelfde dag stuurt hij ‘ [serienummer 5] ’ ook naar [sky-ID 5] . Op 23 augustus zegt [naam 1] tegen [verdachte] ‘125 job done’ [55]
[naam 1] heeft bij bovenvermelde vier geldoverdrachten in juli 2020 en augustus 2020 in totaal een bedrag van € 395.000,00 overgedragen gekregen.
Verbouwingskosten Spanje
Op 20 mei 2019 stuurt [naam 6/getuige] van [bedrijf 15] per Whatsapp een factuur van € 159.720,- naar [naam 1] . [naam 1] stuurt het bericht door naar [verdachte] die reageert met ‘Ok aboeng. Doekoe aanwezig’ [Ok, dat is goed. Geld is aanwezig]. [56] De omschrijving van de factuur houdt onder meer in ‘Third payment reform villa malaga’
. [57]
Op 19 juni 2019 vraagt [naam 6/getuige] aan [naam 1] of ze de factuur al hadden overgemaakt, wat [naam 1] bevestigt. Op 25 juni 2019 stuurt [naam 1] op verzoek van [naam 6/getuige] een betaalbewijs door en vervolgens bevestigt [naam 6/getuige] dat de overboeking binnen is. [58] Op het betaalbewijs staat dat [bedrijf 16] uit Dubai € 159.720,- heeft betaald aan [bedrijf 15] onder vermelding van ‘purchase construction Machinery’. [59]
In de administratie in de woning van [naam 1] is een tweede factuur aangetroffen van [bedrijf 15] [60] Deze factuur heeft betrekking op ‘First payment reform house limonar’ en ziet op een bedrag van € 169.400,- (inclusief btw). [61]
[naam 6/getuige] is als getuige gehoord en heeft verklaard dat de hiervoor beschreven facturen pro-forma facturen betreffen en dat later definitieve facturen zijn opgesteld. [62] Het gaat om een factuur van € 84.473,-, betaald op 15 februari 2019, en een factuur van € 88.675,26, betaald op 19 februari 2019. [63] Daarnaast is een detailoverzicht van een bijschrijving van € 159.191,26 van 25 juni 2019 overgelegd, die betrekking heeft op twee facturen van € 121.000,- en € 38.191,26. [64] Het totaalbedrag van de daadwerkelijke betalingen (€ 332.339,52) ligt dus iets hoger dan het totaalbedrag van de aangetroffen (pro-forma) facturen (€ 329.120,-).
Zakelijke facturen [bedrijf 1] B.V.
Op 21 juni 2019 vraagt [naam 2] aan [naam 1] of hij wil kijken naar de factuur voor een Dubai beurs en [naam 1] vraagt hem het per app te sturen. Vervolgens stuurt [naam 2] een tax invoice van [bedrijf 17] aan [bedrijf 1] B.V. [65] Deze factuur ziet op een bedrag van AED 67.096,59. [66]
Op 5 september 2019 vraagt [naam 2] of [naam 1] de tweede betaling wil doen voor de beurs in Dubai en stuurt een foto van een opsomming van geldbedragen. [naam 1] antwoordt dat hij dat gaat doen en stuurt het bericht over de tweede betaling door naar [verdachte] . [verdachte] bevestigt dat hij de tweede betaling wil doen. [67] Dit betreft wederom een bedrag van AED 67.096,59. [68]
Op 5 november 2019 stuurt [naam 2] een tax invoice door naar [naam 1] . [69] Deze factuur van [bedrijf 18] aan [bedrijf 1] B.V. is gedateerd op 4 november 2019 en heeft betrekking op een bedrag van AED 102.012,75. [70]
Op 8 januari 2020 stuurt [naam 2] wederom een factuur naar [naam 1] met de vraag of hij die door wil sturen voor betaling. Op 30 januari 2020 vraagt [naam 2] of [naam 1] Dubai wil vragen de factuur te betalen en hij geeft daarbij aan dat het nog iets is van de beurs. [71] Het betreft een tax invoice van [bedrijf 17] aan [bedrijf 1] B.V. van 8 januari 2020 die ziet op een bedrag van AED 33.548,30. [72]
Op 16 april 2020 meldt [naam 1] aan [naam 2] dat hij vandaag Dubai gaat afvinken. Hij stuurt vervolgens een afbeelding van een factuur door aan [verdachte] met de opmerking dat die nog open staat. [verdachte] vraagt of het de oude factuur is of dat deze voor de nieuwe beurs is, want die oude is betaald. [naam 1] licht toe dat er van de oude nog een rekening openstaat. Op 22 april 2020 geeft [verdachte] aan dat hij ‘ Dubai beurs’ regelt en op 30 april 2020 dat [bedrijf 18] ook is betaald. [73] De op 16 april 2020 verstuurde factuur betreft een factuur van 4 december 2019 voor AED 102.012,75 van [bedrijf 18] aan [bedrijf 1] B.V. [74]
De vijf hiervoor besproken facturen betreffen in totaal een bedrag van AED 371.766,98. Uitgaande van een historische middenkoers van 4,13 [75] is dit omgerekend € 90.016,22.
3.3.2.3. Overwegingen
De rechtbank acht bewezen dat verdachte het tenlastegelegde gewoontewitwassen heeft begaan. Daarvoor is het volgende van belang.
Beoordelingskader witwassen
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van witwassen niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf", kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Als door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij of zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Als de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als zo'n verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.
Toepassing beoordelingskader
Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een vermoeden van witwassen. Bij [verdachte] gaat het om het bedrag van € 855.946,- dat door [bedrijf 1] is ontvangen rond de aankoop van [bedrijf 13] , de omgerekend € 1.250.000,- die op de Chinese rekening van [naam 2] is gestort, de geldleveringen in Spanje van in totaal € 395.000,-, de betaling van facturen voor de verbouwing van de villa van in totaal € 329.120,- en de betaalde facturen van [bedrijf 1] B.V. van in totaal (omgerekend) € 90.000,-. In totaal gaat het om een bedrag van € 2.920.066,-.
Dat sprake is van een vermoeden van witwassen leidt de rechtbank af uit de bredere context rondom geldstromen van [verdachte] . Uit de weergegeven bewijsmiddelen komt naar voren dat [verdachte] vanuit Dubai geld beheert van [naam 1] en dat dit geld op verzoek van [naam 1] beschikbaar komt. Zo weet [verdachte] van welk bedrijf [naam 1] geld gestort krijgt op de rekening van [bedrijf 1] B.V. en gaat [verdachte] erachteraan als blijkt dat geld nog niet is bijgeschreven op de Chinese rekening op naam van [naam 2] . Ook voor zakelijke facturen van [bedrijf 1] B.V. vraagt [naam 1] aan [verdachte] deze facturen te betalen. Verder laat [naam 1] via [verdachte] grote contante geldbedragen bij hem afleveren in Spanje en laat [naam 1] privéfacturen via [verdachte] betalen. Het is daarbij [verdachte] die aangeeft dat het geld (de ‘doekoe’) aanwezig is. Daarbij vindt een deel van de communicatie plaats met behulp van crypto-telefoons. Dat verder ook sprake is geweest van criminele samenwerking tussen [naam 1] en [verdachte] blijkt uit de hierna te bespreken ketaminehandel, waarbij [verdachte] [naam 1] zijn ‘full partner in keta’ noemt.
Tegen de achtergrond van deze bredere context leidt de rechtbank het vermoeden van witwassen voor de aan verdachte tenlastegelegde geldbedragen in het bijzonder af uit het volgende.
De bijschrijvingen van in totaal € 855.946,- zien, gelet op de omschrijving bij de betalingen, op het betalen van facturen, terwijl er nooit producten zijn geleverd of geleverd zouden gaan worden. Ten aanzien van de betaling van één van deze facturen van ruim € 559.000,- is een zeer gedetailleerde factuur opgesteld voor kennelijk geleverde producten, terwijl er in werkelijkheid geen producten zijn geleverd. De leningsovereenkomst, op grond waarvan de betalingen zouden zijn verricht, is pas opgesteld en ondertekend nadat vanuit de bank vragen werden gesteld en ziet op een ander geldbedrag. In de inbeslaggenomen administratie van [bedrijf 1] zijn geen rentebetalingen en is geen correspondentie of onderliggende stukken betreffende deze lening aangetroffen. [76] De bijschrijvingen op de Chinese privérekening van [naam 2] zijn gebruikt voor zakelijke uitgaven en het geld is via Dubai op die rekeningen gestort. Een zakelijke aanleiding waarom vanuit of via Dubai betaald zou moeten worden blijkt niet uit het dossier. Ook blijkt uit het dossier geen zakelijke verklaring voor de reden waarom zakelijke kosten van [bedrijf 1] B.V. in Dubai door/via [verdachte] betaald zouden moeten worden. Dat deze uitgaven zijn doorbelast aan [bedrijf 1] B.V. blijkt evenmin. Ten aanzien van de geldoverdrachten gaat het om grote contante geldbedragen, waarvan de aflevering met behulp van tokens wordt geregeld en de contacten hierover worden gevoerd via cryptotelefoons. Ten aanzien van de verbouwingskosten in Spanje is vooral van belang dat privéuitgaven van [naam 1] in Spanje, via niet aan hem gerelateerde bedrijven in Dubai worden betaald, zonder dat daarvoor een aannemelijke verklaring uit het dossier volgt.
Hoewel sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen, heeft [verdachte] geen verklaring afgelegd. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte een geldbedrag van in totaal € 2.920.066,- heeft witgewassen.
Gewoontewitwassen
De rechtbank acht ook bewezen dat [verdachte] van het witwassen een gewoonte heeft gemaakt. Dit volgt uit de omvang en de intensiteit van het bewezen witwassen en de periode waarin dit heeft plaatsgevonden.
Medeplegen
De rechtbank leidt uit de feitelijke gang van zaken af dat [verdachte] bij het gewoontewitwassen nauw en bewust heeft samengewerkt met anderen, zoals [naam 1] en [naam 2] . De rechtbank acht daarom ook het medeplegen bewezen.
3.3.3.
Ketaminehandel
3.3.3.1.
Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.
Op 27 augustus 2020 is de woning aan het [adres 5] in [plaats] , de woning van de vader van medeverdachte [medeverdachte] , doorzocht en daarbij zijn in drie ruimtes dozen met een witte stof aangetroffen en in beslag genomen. [77] De witte stof is gewogen en bemonsterd en vervolgens zijn de monsters geanalyseerd. Uit dit onderzoek bleek dat het ging om in totaal ongeveer 185 kilogram en dat alle deelmonsters hoofdzakelijk bestonden uit ketamine(hydrochloride). [78]
Op 27 augustus 2020 is ook de woning van medeverdachte [medeverdachte] aan de [adres 6] in [plaats] doorzocht. Daarbij is een papiertje met notities in beslag genomen: [79]
In een Encrochatbericht van 4 april 2020 schrijft ‘ [account 1] ’ aan [verdachte] dat die klant toch 120 stuks wil kopen en [verdachte] reageert met ‘Ok is goed. Ik regel alles denk ik.’ Op 5 april 2020 schrijft [verdachte] aan ‘ [account 2] ’ dat die meteen met [naam 6] moet afspreken en [verdachte] bevestigd dat het om 120 gaat. Op 6 april 2020 informeert ‘ [account 1] ’ [verdachte] dat hij het ontvangen heeft van niffo. ‘ [account 2] ’ laat weten dat 120 opgehaald en afgegeven is. [80] In de hiervoor genoemde notitie staat bij ‘6/4’ in de kolom onder ‘ [bijnaam 2] ’ [bijnaam 2] .
Op 7 april 2020 vraagt ‘ [account 3] ’ aan [verdachte] hoe het met de keta is. [verdachte] laat weten dat dat hij 50 verkocht had aan [naam 7] , maar dat die toch gecanceld heeft. Op 23 april 2020 schrijft [verdachte] aan ‘ [account 3] ’ dat [naam 7] gisteren toch 40 gekocht. [81] In de hiervoor genoemde notitie staat bij ‘22/4’ in de kolom onder ‘ [bijnaam 4] .
Op 5 juni 2020 schrijft [medeverdachte] aan [naam 1] ‘5 kl afgegeven [bijnaam 5] ’. [82] In de hiervoor genoemde notitie staat bij ‘7/6’ in de kolom onder ‘ [bijnaam 5] ’ 5.
Op 17 juni 2020 stuurt [medeverdachte] in een gesprek met [naam 1] “145 at retour [bijnaam 6] staan weer in het magazijn”. [83] In de hiervoor genoemde notitie staat bij ‘17/6’ in de kolom onder ‘ [bijnaam 6] ’ (retour +145).
In gesprek met 33A507 omschrijft [verdachte] ‘ [bijnaam 6] ’ als ‘one of our sellers’. [84]
Op 26 juli 2020 checkt [bijnaam 3] bij [verdachte] of die van [naam 6] morgen staat, want ‘moet even busje regelen dan’. Kort daarna zegt [bijnaam 3] ‘ok dan ga ik met hem tijd regelen’ en ‘en driver’. [verdachte] bericht ondertussen aan [naam 1] dat hij eindelijk verkoop heeft, [naam 6] 120kg, en vraagt of dat morgen lukt. [naam 1] bevestigt dit met ‘siiiiii’. [naam 1] vraagt aan [verdachte] of het goed is dat hij pata contact laat maken met [bijnaam 2] . Vervolgens zegt [naam 1] tegen [medeverdachte] ‘yo morgen 120 [bijnaam 2] ok?’ en hij vraagt of [medeverdachte] contact met hem opneemt. [medeverdachte] meldt later dat hij contact met [bijnaam 2] heeft gehad en later een tijd doorkrijgt. [naam 1] geeft aan [verdachte] door ‘afspraak staat’. Op 27 juli 2020 geeft [bijnaam 3] aan bij [medeverdachte] dat hij er ongeveer 9.07 is. [medeverdachte] geeft aan [naam 1] aan ‘120 st afgegeven [bijnaam 2] ’ en [bijnaam 3] meldt [verdachte] ‘ [naam 6] is ok’. Tot slot geeft [verdachte] bij [naam 1] aan ‘ [bijnaam 2] done’. [85] In de hiervoor genoemde notitie staat bij ‘26/7’ in de kolom onder ‘ [bijnaam 2] ’ 120.
Op 4 september 2020 vraagt [sky-ID 6] aan [verdachte] ‘He is partner in keta with u?’ waarop [verdachte] reageert met ‘Yeah. He is mij full partner’. [86] De rechtbank gaat er – in lijn met het dossier – van uit dat de ‘he’ waarover gesproken wordt, [naam 1] betreft. [87]
In het onderzoek is gekeken of er bedrijven en/of instanties zijn met een API-registratie met betrekking tot ketamine die te linken en/of te koppelen zijn aan verdachte en/of de medeverdachten [naam 1] , [medeverdachte] en [verdachte] , maar die zijn er niet. [88]
3.3.3.2.
Overwegingen
De rechtbank acht bewezen dat verdachte het tenlastegelegde ketamine-feit heeft begaan.
De rechtbank neemt de bij [medeverdachte] aangetroffen notitie als uitgangspunt voor wat er aan ketaminehandel heeft plaatsgevonden. De betekenis van de notitie wordt bevestigd door de aangetroffen 185 kilogram ketamine en de cryptogesprekken die onder andere [medeverdachte] , [naam 1] en [verdachte] hebben gevoerd. Gelet daarop kan de rechtbank aan de hand van de notitie het volgende vaststellen. De notitie heeft betrekking op een partij ketamine van aanvankelijk 1125 kilogram. In de periode van 18 maart 2020 tot en met 17 augustus 2020 hebben leveringen plaatsgevonden aan vier (groepen) afnemers, aangeduid met de bijnamen: [bijnaam 6] , [bijnaam 2] , [bijnaam 4] en [bijnaam 5] . Na 17 augustus 2020 resteerde nog een partij van 185 kilogram ketamine, wat overeen komt met de bij de vader van [medeverdachte] aangetroffen partij ketamine. Van de voorraad ketamine is dus in totaal (netto) 940 kilogram afgeleverd.
Uit de weergegeven berichten leidt de rechtbank af dat sprake was van een gezamenlijke partij ketamine waarvan [medeverdachte] de administratie bijhield. Gelet op de rol van [verdachte] zoals die in de berichten naar voren komt had hij – samen met anderen – de gehele partij ketamine in voorraad en hebben zij 940 kilogram hiervan – samen met anderen – afgeleverd of laten afleveren. De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde als medepleger heeft begaan.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3.3 weergegeven bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
Feit 1
in de periode van 17 augustus 2018 tot en met 27 augustus 2020 in Nederland en/of in de Verenigde Arabische Emiraten en/of in Bulgarije en/of in België en/of in Spanje en/of in China, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,
voorwerpen, te weten geldbedragen van in totaal (ongeveer) EUR 2.920.066,-,
bestaande uit (ongeveer) EUR 855.946,- en (ongeveer) EUR 1.250.000,- en (ongeveer) EUR 395.000,- en (ongeveer) EUR 329.120.- en (ongeveer) EUR 90.000,-
voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of van die geldbedragen gebruik heeft gemaakt
en
van die geldbedragen de werkelijke aard en/of herkomst en/of vindplaats heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op die geldbedragen waren,
terwijl hij, verdachte, wist dat die geldbedragen geheel of gedeeltelijk –onmiddellijk of middellijk– afkomstig waren uit enig misdrijf, terwijl hij, verdachte, daarvan een gewoonte heeft gemaakt;
Feit 2
in de periode van 18 maart 2020 tot en met 27 augustus 2020 tezamen en in vereniging met een ander of anderen,
te Almere, opzettelijk,
zonder registratie een werkzame stof, te weten 1125 kilo ketamine(hydrochloride), in voorraad heeft gehad
en
in Nederland, opzettelijk,
zonder registratie een werkzame stof, te weten 940 kilo ketamine(hydrochloride), heeft afgeleverd en/of heeft laten afleveren,
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straf

7.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7,5 jaar.
7.2.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op van 6 jaar. Daarvoor vindt de rechtbank het volgende van belang.
Verdachte heeft gedurende een halfjaar 1125 kilogram ketamine in voorraad gehad en daarvan 940 kilogram afgeleverd. Daarnaast heeft verdachte in twee jaar tijd bijna 3 miljoen euro witgewassen. Bij die feiten had verdachte een cruciale rol. Doordat hij als een spin in het web verschillende schakels met elkaar verbond, konden deals worden gesloten en geldbedragen de wereld over worden gestuurd. Ten aanzien van het witwassen was verdachte in staat om van verschillende constructies gebruik te maken, waaronder het verstrekken van contante gelden via underground banking, het verhullen van de daadwerkelijke herkomst van gelden door middel van een schijnlening en het vanaf rekeningen van derden (uit een (ver) buitenland) laten betalen voor zakelijke en/of privéuitgaven van [naam 1] .
Gelet op de ernst van de feiten die door verdachte zijn gepleegd, kan niet anders worden gereageerd dan met een substantiële onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Voor het bepalen van de hoogte van die gevangenisstraf houdt de rechtbank rekening met het volgende.
Hoewel de strafbaarstelling van ketamine geregeld wordt via de Geneesmiddelenwet, is het bekend dat ketamine populair is als partydrug. De rechtbank leidt uit de manier waarop in de ketamine werd gehandeld af dat verdachte gericht was op de markt voor partydrugs en niet op de geneesmiddelenmarkt. In die zin bestaat er bij ketaminehandel aanleiding om aansluiting te zoeken bij straffen voor harddrugs.
Tegelijkertijd is er de afgelopen periode sprake van een opwaartse ontwikkeling in de straffen die voor ketaminefeiten worden opgelegd en is in deze zaak sprake van oude feiten. Als de strafzaak kort na het einde van de pleegperiode zou zijn berecht, zou vermoedelijk sprake zijn geweest van een lagere strafeis. De rechtbank houdt bij het bepalen van de strafmaat in het voordeel van verdachte enigszins rekening met de straffen die in de beginjaren ’20 voor illegale ketaminehandel werden opgelegd.
Ten aanzien van het witwassen stelt de rechtbank vast dat er in deze zaak sprake is van een frauduleuze context en dat daarom het oriëntatiepunt fraude als vertrekpunt gebruikt kan worden. Dit oriëntatiepunt noemt bij een benadelingsbedrag, in dit geval witwasbedrag, van één miljoen euro of meer, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf vanaf 24 maanden.
De rechtbank heeft ook gekeken naar het strafblad van verdachte. Hieruit volgt dat verdachte in 2011 in België onherroepelijk is veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaar voor witwassen en deelname aan een criminele organisatie. De rechtbank neemt deze eerdere veroordeling strafverzwarend mee. De rechtbank stelt daarnaast vast dat formeel gezien artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing is in verband met een niet-onherroepelijke veroordeling in oktober 2018. Dit leidt echter niet tot een andere straf.
Hoewel sprake is van oude feiten, houdt de rechtbank in de zaak van verdachte geen rekening met een overschrijding van de redelijke termijn. Op basis van het dossier kan de rechtbank niet vaststellen dat deze termijn eerder is aangevangen dan in april 2025, op het moment dat de dagvaarding in de zaak van verdachte is uitgegaan.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 47, 57, 63 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 38 van Pro de Geneesmiddelenwet.

9.Voorlopige hechtenis

De rechtbank is van oordeel dat er reden is om in deze zaak de gevangenneming van verdachte te bevelen. Uit de bewezenverklaring en de opgelegde straf volgt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige strafbare feiten. Op basis van het dossier neemt de rechtbank aan dat verdachte in Dubai (Verenigde Arabische Emiraten) verblijft, waar hij buiten het zicht en bereik van de Nederlandse autoriteiten is. Daaruit leidt de rechtbank af dat sprake is van vluchtgevaar.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Feit 1
medeplegen van van witwassen een gewoonte maken;
Feit 2
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 38 van Pro de Geneesmiddelenwet gegeven verbod.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van
6 (zes) jaren.
Beveelt de gevangenneming van verdachte. Deze beslissing is afzonderlijk schriftelijk vastgelegd.
Dit vonnis is gewezen door
mr. F. Dekkers, voorzitter,
mrs. J.M. van Hall en M. Wiewel, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C. Wolswinkel, griffier
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 februari 2026.
[--]

Voetnoten

1.Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de digitale nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Tenzij anders vermeld, zijn de met DOC aangeduide bewijsmiddelen geschriften.
2.AMB-065, p. 1638.
3.DOC-268, p. 5187.
4.V-01-01, p. 641.
5.DOC-175, p. 4199.
6.AMB-065, p. 1639.
7.AMB-064, p. 1633.
8.AMB-064, p. 1634.
9.AMB-064, p. 1635.
10.AMB-064, p. 1635-1636.
11.AMB-064, p. 1636-1637.
12.AMB-064, p. 1637.
13.AMB-048, p. 1271.
14.AMB-048, p. 1271-1272.
15.AMB-054, p. 1357.
16.AMB-083, p. 4413.
17.AMB-083, p. 4415.
18.[bedrijf 1] B.V. heette voorheen [naam 2] [bedrijf 2] V., maar handelde toen ook al onder de naam [bedrijf 1] . Voor de leesbaarheid schrijft de rechtbank steeds [bedrijf 1] B.V., ook als het gaat over de periode van voor de naamswijziging.
19.DOC-020, p. 3348 & 3350.
20.DOC-020, p. 3351.
21.DOC-017, p. 3335.
22.DOC-020, p. 3349.
23.DOC-013, p. 3321.
24.V-05-01, p. 710.
25.AMB-063, p. 1502, in samenhang met het Exceloverzicht met banktransacties van [rekeningnummer] .
26.AMB-063, p. 1504.
27.AMB-063, p. 1502.
28.DOC-106, p. 3939-3943.
29.DOC-106a, p. 3944.
30.AMB-063, p. 1504.
31.DOC-108, p. 3950-3952.
32.DOC-090, p. 3706.
33.DOC-090, p. 3706-3707.
34.DOC-090, p. 3709.
35.DOC-090, p. 3711.
36.DOC-090, p. 3711-3712.
37.DOC-090, p. 3713.
38.DOC-105, p. 3936
39.DOC-107, p. 3945.
40.DOC-090, p. 3713-3714.
41.DOC-120, p. 4048.
42.DOC-122, p. 4061-4067.
43.DOC-107, p. 3945, en DOC-108, p. 3950-3953.
44.V05-009, p. 813.
45.AMB-044, p. 1258.
46.DOC-092, p. 3759-3761.
47.AMB-063, p. 1574.
48.DOC-091, p. 3722
49.DOC-091, p. 3725-3726.
50.DOC-091, p. 3735-3736.
51.V05-009, p. 796.
52.DOC-175, p. 4198-4200.
53.DOC-175, p. 4204-4205.
54.DOC-175, p. 4206-4207.
55.DOC-175, p. 4208.
56.DOC-125, p. 4070 en AMB-063, p. 1610.
57.DOC-126, p. 4072.
58.DOC-125, p. 4070-4071.
59.DOC-127, p. 4073.
60.AMB-063, p. 1611.
61.DOC-222, p. 4351.
62.G-12-01A, p. 4748.
63.DOC-228/229/230, p. 4696-4698.
64.DOC-231/232/233, p. 4699-4701.
65.DOC-112, p. 3969.
66.DOC-223, p. 4352.
67.DOC-112, p. 3969.
68.DOC-224, p. 4354.
69.DOC-112, p. 3969.
70.DOC-225, p. 4356.
71.DOC-112, p. 3970.
72.DOC-226, p. 4357.
73.DOC-112, p. 3970-3971.
74.DOC-227, p. 4359.
75.AMB-063, p. 1619.
76.AMB-73, p. 1542 en 1545.
77.IBN-001-04-01, p. 2907, 2910 en 2912.
78.AMB-023, p. 1064-1070, en AMB-023a, p. 1071-1073 (een rapport).
79.IBN-001-02-01, p. 2885 en 2889 en DOC-069, p. 3636.
80.DOC-132c, p. 4680-4682.
81.DOC-132a, p. 4079.
82.DOC-267, p. 5168.
83.DOC-267, p. 5170.
84.ZD-002-01, p. 632.
85.DOC-132c, p. 4688-4689.
86.AMB-082a, p. 4998.
87.AMB-082a, p. 5000.
88.AMB-101 (losbladig).