ECLI:NL:RBAMS:2026:1864

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
81.222360.22
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling gewoontewitwassen en verbeurdverklaring banktegoeden door Rechtbank Amsterdam

De rechtbank Amsterdam heeft op 20 februari 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte B.V. die zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen van in totaal ruim 7,9 miljoen euro en 1,8 miljoen dollar. Het onderzoek betrof drie witwasconstructies via kasontvangsten, Dubai en China/Hongkong, waarbij verdachte B.V. als rechtspersoon nauw betrokken was.

De rechtbank baseerde haar oordeel op uitgebreide bewijsmiddelen waaronder kasadministraties, banktransacties, communicatie en verklaringen van betrokkenen. De contante stortingen en geldstromen pasten niet bij de aard van de onderneming (webshop) en waren niet onderbouwd met facturen of legitieme transacties. Verdachte B.V. en haar indirect bestuurder wisten of aanvaardden de aanmerkelijke kans dat het geld uit misdrijf afkomstig was.

De rechtbank oordeelde dat verdachte B.V. als medepleger van witwassen een gewoonte heeft gemaakt. De inbeslaggenomen banktegoeden van bijna € 84.000 werden verbeurd verklaard. Gezien de omstandigheden en het feit dat de onderneming is gestaakt, legde de rechtbank geen aanvullende straf op. De straf is gebaseerd op artikel 33 en Pro 33a van het Wetboek van Strafrecht.

Uitkomst: Verdachte B.V. veroordeeld voor gewoontewitwassen en banktegoeden verbeurd verklaard.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 81.222360.20
Datum uitspraak: 20 februari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] B.V. ,
gevestigd op het adres [adres] ,
hierna: [verdachte] B.V. of verdachte.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is bij verstek gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 12, 13 en 17 november 2025 (inhoudelijke behandeling) en 20 februari 2026 (sluiting).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie, mrs. F. Bahadin en J.P. Hopman (hierna gezamenlijk: de officier van justitie). Namens de verdachte was niemand aanwezig.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan het gewoontewitwassen van in totaal € 7.914.784,84 en $ 1.835.024,16.
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in een bijlage bij dit vonnis.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Inleiding
Verdachte is een van de verdachten in het onderzoek Kristal. Dit onderzoek is gestart naar aanleiding van (anonieme) meldingen, waarbij de verdenking is ontstaan dat [persoon 1] zich samen met anderen schuldig zou maken aan de handel in ketamine en witwassen. Gedurende het onderzoek zijn drie verschillende witwasconstructies geïdentificeerd; kasontvangsten bij verdachte, geldstromen via Dubai met behulp van ondergrondse bankier [naam bankier 1] en geldstromen via China en Hongkong met behulp van ondergrondse bankier [naam bankier 2] . Verdachte is een van de verdachten die in dit dossier in beeld zijn gekomen bij het witwassen en wordt in verband gebracht met alle drie de witwasconstructies voor zover die geldbedragen uiteindelijk op haar bankrekening zijn terechtgekomen.
3.2.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie vindt bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden. [1]
[verdachte] B.V. [2]
[verdachte] B.V. is op 26 april 2016 opgericht onder de naam [verdachte] en heet sinds 4 juni 2020 [verdachte] B.V. De onderneming staat geregistreerd als internetdetailhandel [webshop] en groothandel. [3] Van 26 april 2016 tot 24 juni 2020 was [naam bedrijf 1] B.V. bestuurder. [4] [persoon] was vanaf de oprichting op 26 april 2016 de bestuurder en enig aandeelhouder van [naam bedrijf 1] B.V. [5] [naam bedrijf 2] B.V. is vanaf 26 april 2016 bestuurder van [verdachte] B.V. en vanaf 24 juni 2020 ook enig aandeelhouder. [6] [persoon 1] was vanaf de oprichting op 25 april 2016 bestuurder en enig aandeelhouder van [naam bedrijf 2] B.V. [7] De aandelenverhouding in [verdachte] B.V. tussen [persoon 1] en [persoon] was 80% versus 20%. [8]
Kasontvangsten
In 2017 is in totaal € 211.446,- contant gestort op de bankrekening van [verdachte] B.V. In de kasadministratie van [verdachte] B.V. over 2017 is een achttal boekstukken, notities, aangetroffen voor een totaalbedrag van € 136.250,-. [9] De stortingen die in verband met deze notities zijn verricht vinden plaats in de periode van 2 november 2017 tot en met 30 december 2017. [10] Deze boekstukken zijn in de auditfiles geboekt als ‘Omzet buiten de EU’ of ‘Omzet laag’. [11] In de auditfiles zijn ook 493 klantbetalingen (debiteuren) aangetroffen voor een totaalbedrag van € 80.552,-. [12]
Over 2018 is geen kasadministratie van [verdachte] B.V. aangetroffen. In de auditfiles over 2018 zijn onder de rekeningnamen ‘omzet laag’ en ‘omzet buiten de EU’ 30 mutaties te vinden van contante verkopen van € 1.000,- of meer, met een totale waarde van afgerond € 533.470,-. In totaal is in 2018 een bedrag van € 488.465,- contant gestort op de rekening van [verdachte] B.V. [13] Uit de auditfiles is op te maken dat daarnaast per saldo € 42.176,- vanuit de kas wordt betaald voor leaseauto’s. [14]
In 2019 is in totaal € 126.238,- contant gestort op de bankrekening van [verdachte] B.V. In de boekstukken van [verdachte] B.V. over 2019 zijn boekstukken aangetroffen ten aanzien van kasinkomsten (in totaal € 24.650,-) en kasuitgaven (in totaal € 21.321,-). In totaal is er € 122.909,- meer contant gestort dan per saldo contant in kas is gekomen. [15] De laatste storting vond plaats op 27 juni 2019. In de auditfiles over de eerste zes maanden van 2019 zijn zeven boekingen aangetroffen waarvan er geen kasstukken zijn aangetroffen. Deze zeven boekingen betreffen een totaalbedrag van afgerond € 126.550,-. De boekingen zijn geboekt op de rekeningen ‘omzet laag’, ‘kas’ of ‘R/C HoN BE’. De overgrote meerderheid van de reguliere ontvangsten per kas zijn geboekt op ‘Debiteuren’ en voor die posten zijn facturen opgemaakt. [16]
[persoon] heeft verklaard dat hij de administratie voor [verdachte] B.V. verzorgde, waaronder de financiële administratie. [17] [persoon] heeft ook verklaard dat hij de contanten naar de bank heeft gebracht en dat niemand anders dit deed. [18]
[naam bankier 1] -route
Aankoop [naam bedrijf 8]
Tussen 17 augustus 2018 en 28 september 2018 ontvangt [verdachte] B.V. vijf betalingen van in totaal € 855.946,40:
Datum
Bedrag afkomstig
Bedrag
17-8-2018
[naam bedrijf 3] T
€ 99.945,00
30-8-2018
[naam bedrijf 4] GE
€ 99.935,00
5-9-2018
[naam bedrijf 5] LL
€ 50.410,00
11-9-2018
[naam bedrijf 6] FZE
€ 49.430,00
28-9-2018
[naam bedrijf 7] LTD
€ 556.226,40
De eerste vier betalingen komen uit Dubai en in de omschrijvingen staat ‘For purchase of nutrition products’ of ‘Import of healthcare products’. De vijfde betaling is afkomstig uit Bulgarije en bij de overboeking staat ‘factuurnummer 18.003863’. [19]
Tussen 30 augustus 2018 en 1 oktober 2018 wordt in totaal € 606.253,- overgemaakt naar [naam advocatenkantoor] in verband met de aankoop van het merk [naam bedrijf 8] van [naam bedrijf 9] . Voor het overige worden de ontvangen gelden gebruikt voor de bedrijfsvoering van [verdachte] B.V. , onder andere voor het betalen van facturen. [20]
De factuur met factuurnummer 18.003863 is in de administratie van [verdachte] B.V. aangetroffen. [21] Deze factuur is gericht aan [naam bedrijf 7] EOOD en bevat een gedetailleerde opsomming van gefactureerde goederen voor een totaalbedrag van € 556.226,40 euro en met een afleveradres in Bulgarije. [22]
In het onderzoek is ook een digitale leningsovereenkomst, gedateerd 2 juli 2018, aangetroffen. [23] Volgens de overeenkomst leent [naam bedrijf 10] L.L.C., gevestigd in Dubai, € 1.500.000,- aan [verdachte] B.V. De overeenkomst is namens [verdachte] B.V. ondertekend door [persoon] . [24]
In het dossier is communicatie in relatie tot deze geldtransacties opgenomen. Deze communicatie houdt onder meer het volgende in.
Op 2 juli 2018 informeert [persoon] [persoon 1] dat [naam bedrijf 8] een officiële e-mail eruit heeft gedaan dat het te koop staat. [25]
Op 14 augustus 2018 meldt [persoon 1] aan [persoon] : ‘Als het goed is moet 300 aanbetaling participatie binnen komen’. Op 15 augustus 2018 vraagt [persoon] aan [persoon 1] : ‘Zodra het er is gaat de eerste betaling naar [naam bedrijf 8] eruit toch?’ en of [persoon 1] kan navragen of ze een bevestiging van de bank kunnen sturen. [persoon 1] stuurt deze laatste vraag door naar [naam bankier 1] . [naam bankier 1] vraagt vervolgens om een e-mailadres van [persoon] [ [persoon] ], waarna [persoon 1] het door [persoon] opgegeven e-mailadres doorstuurt naar [naam bankier 1] . [26] Op 17 augustus 2018 stuurt [naam bankier 1] betalingsgegevens door van betalingen van € 100.000,- door [naam bedrijf 3] en € 100.000,- door [naam bedrijf 4] FZC aan [verdachte] B.V. op 16 augustus 2018. Op 20 augustus 2018 stuurt [naam bankier 1] de betalingsgegevens nogmaals, waarna [persoon 1] het tweede bericht doorstuurt naar [persoon] . [27] Op 5 september 2018 meldt [persoon] aan [persoon 1] ’50 ontvangen zojuist’. [28]
Op 20 september 2018 meldt [persoon 1] aan [persoon] ‘Komt nu snel 559 k binnen’. Op 21 september 2018 stuurt [naam bankier 1] een e-mailadres en ‘Multimedia marketing’, waarna [persoon 1] vraagt ‘Wat bedoel je’. Vervolgens legt [naam bankier 1] uit dat dit het e-mailadres is en dat het bedrijf zo heet. Daarna stuurt [persoon 1] de naam van het bedrijf door naar [persoon] en meldt ‘559 word overgemsskt’. [29] Op 28 september 2018 laat [persoon] aan [persoon 1] weten dat Bulgarije heeft betaald. [30]
Op 18 januari 2019 vraagt [persoon 2] van de Rabobank per e-mail aan [persoon] of hij zo snel mogelijk de documenten kan mailen die dienen als basis voor de betalingen die uit de VAE zijn ontvangen. Op 23 januari 2019 stuurt [persoon] een ongetekende leenovereenkomst naar [mailadres] , waarin is opgenomen dat [verdachte] B.V. een bedrag van € 1.500.000,- leent. [31] Op 28 januari 2019 ontvangt [persoon] een scan van een getekende leningsovereenkomst voor € 1.500.000,- tussen [verdachte] B.V. en [naam bedrijf 10] L.L.C. [32] Op 29 januari 2019 stuurt [persoon] een e-mailbericht aan [persoon 2] van de Rabobank, met als bijlage een leenovereenkomst tussen [naam bedrijf 10] L.L.C. en [verdachte] B.V. [33]
[persoon] heeft verklaard dat er nooit producten zijn geleverd en dat het nooit de intentie is geweest om daadwerkelijk goederen te leveren aan de bedrijven in Bulgarije en Dubai. Doordat Rabobank vragen ging stellen over de betalingen uit Dubai is er een leningsovereenkomst opgesteld. [34]
[naam bankier 2] -route
Algemeen
[persoon] heeft verklaard dat al het geld dat hij naar [naam bankier 2] [ [naam bankier 2] [35] ] heeft gebracht, van [persoon 1] was en via [naam bankier 2] op een Chinese rekening terecht kwam. [36] Al het geld dat hij ooit naar [naam bankier 2] heeft gebracht, was afkomstig van [persoon 1] . Het geld kwam elke keer in China terecht nadat het contante geld van [persoon 1] naar [naam bankier 2] was gebracht. [37] Hij heeft verklaard dat de herkomst van het geld geen relatie had met de zakelijke activiteiten van [verdachte] B.V. of [naam bedrijf 11] B.V. Hij zag het geld als geld van [persoon 1] . [38] [persoon 1] heeft in een door zijn raadsman opgestelde schriftelijke verklaring verklaard dat er contant geld via [naam bankier 2] bancair werd gemaakt. [39]
[persoon] heeft ook verklaard dat hij het niet ‘extra’ verdacht vond dat het ging om biljetten van € 200,- en € 500,-, omdat het sowieso niet de gebruikelijke gang van zaken is dat er contante geldbedragen worden weggebracht. [40] [persoon] heeft verklaard dat hij wel eens op het punt heeft gestaan te stoppen met het wegbrengen van geld, maar dat hij de moed niet had om er wat van te zeggen. [41]
Overboekingen naar [verdachte] B.V.
Op de bankrekening van [verdachte] B.V. zijn in de periode van 28 maart 2019 tot en met 24 april 2019 negen geldbedragen gestort, afkomstig van [naam bedrijf 12] Limited (hierna: [naam bedrijf 12] ) voor een totaalbedrag van $ 730.085,38. [42]
[persoon] heeft over deze geldbedragen verklaard dat die niets te maken hebben met de bedrijfsactiviteiten van [verdachte] B.V. en dat dit geld van [persoon 1] betrof. [43] [persoon] vermoedt dat alle bedragen van [naam bedrijf 12] via [naam bankier 2] in China terecht zijn terechtgekomen en hij kent [naam bedrijf 12] alleen in verband met het geld dat naar [naam bankier 2] werd gebracht. [44]
Overboekingen naar [naam bedrijf 11] B.V.
In de periode van 29 maart 2019 tot en met 4 mei 2020 wordt in totaal $ 9.691.834,- overgemaakt naar de bankrekening van [naam bedrijf 11] B.V. De geldbedragen zijn afkomstig van vijf bedrijven, te weten [naam bedrijf 13] Limited (hierna: [naam bedrijf 13] ), [naam bedrijf 12] , [naam bedrijf 14] Limited en [naam bedrijf 15] Limited. [45] Omgerekend aan de hand van de gemiddelde wisselkoers uit de periode 1 januari 2019 – 30 juni 2020 gaat het om een bedrag van € 8.541.413,30. [46]
Vanaf de bankrekeningen van [naam bedrijf 11] B.V. is in de periode van 1 april 2019 tot en met 11 mei 2020 in totaal € 6.266.209,84 overgemaakt naar [verdachte] B.V. en in de periode van 9 april 2019 tot en met 11 juli 2019 in totaal een bedrag van $ 1.104.938,78. [47]
[persoon 3] [ [persoon 3] ] van [naam bedrijf 11] B.V. heeft verklaard dat hij het financiële management van [naam bedrijf 11] B.V. deed en dat hij niets van [naam bedrijf 13] weet, maar dat [verdachte] B.V. delen van hun kasstroom via [naam bedrijf 11] B.V. liet lopen en dat [naam bedrijf 11] B.V. soms een deel mocht houden en dat het soms door ging. Over [naam bedrijf 12] kan hij niets verklaren. [naam bedrijf 11] B.V. heeft niets verkocht aan [naam bedrijf 13] en [naam bedrijf 12] . [48] [persoon 3] heeft verklaard dat hij de overboekingen vanuit [naam bedrijf 11] B.V. naar [verdachte] verrichtte in opdracht van [persoon] . [49]
[persoon] heeft verklaard dat [verdachte] B.V. nooit iets heeft geleverd aan de vijf bedrijven en dat het dus wel geld van [persoon 1] zal zijn geweest. [50] [persoon] heeft ook bevestigd dat het geld dat van [naam bedrijf 12] en [naam bedrijf 13] kwam geen relatie had met zakelijke activiteiten van [verdachte] B.V. of [naam bedrijf 11] B.V. en dat [persoon 1] met het geld privéuitgaven en/of zakelijke investeringen deed. [51]
3.3.2.
Overwegingen
De rechtbank acht bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Daarvoor is het volgende van belang.
Beoordelingskader witwassen
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van witwassen niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf", kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Als door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij of zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Als de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als zo'n verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.
Kasontvangsten [verdachte] B.V.
Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een vermoeden van witwassen ten aanzien van meerdere contante geldbedragen bij [verdachte] B.V. , te weten € 136.250,- in 2017, € 533.470,- in 2018 en € 122.909,- in 2019 (in totaal € 792.629,00) . Daarvoor is van belang dat het gaat om grote bedragen per keer, ook in relatie tot de overige contante ontvangsten van [verdachte] B.V. De omvang van de contante ontvangsten passen niet bij de aard van de onderneming, te weten een webshop. De ontvangsten zijn daarnaast afwijkend geboekt in de auditfiles en van deze ontvangsten zijn – in tegenstelling tot andere ontvangsten – geen facturen beschikbaar.
Tegenover dit vermoeden van witwassen heeft [persoon] , indirect bestuurder van [verdachte] B.V. , als verklaring gegeven dat de gelden afkomstig zijn uit de contante omzet van [verdachte] B.V. Hij heeft deze verklaring echter niet verder toegelicht of geconcretiseerd aan de hand van de aangetroffen administratie. Deze verklaring is naar het oordeel van de rechtbank dan ook onvoldoende concreet. Bovendien is deze ook niet verifieerbaar, omdat, naast deze stelling van [persoon] , alleen de notities in de boekstukken van 2017 en 2019 hier enige ondersteuning voor zouden kunnen geven. Deze notities zijn in het onderzoek betrokken, maar bieden onvoldoende aanknopingspunten voor nader onderzoek. Gelet daarop is bewezen dat de geldbedragen afkomstig zijn uit misdrijf.
De rechtbank acht ook bewezen dat [persoon] , indirect bestuurder van [verdachte] , dit wist of in elk geval willens en wetens de aanmerkelijke kans op deze criminele herkomst heeft aanvaard. [persoon] heeft in zijn rol bij [verdachte] B.V. de grote contante geldbedragen op de rekening gestort, de ontvangsten afwijkend geboekt in de auditfiles en wist dat er – in het beste geval – slechts een notitie beschikbaar was en geen factuur.
Witwassen via [naam bankier 1]
Naar het oordeel van de rechtbank is ook bij de bedragen die via [naam bankier 1] zijn ontvangen, sprake van een vermoeden van witwassen. Bij [verdachte] B.V. gaat het om het bedrag van € 855.946,- dat is ontvangen rond de aankoop van [naam bedrijf 8] . De rechtbank leidt dit vermoeden van witwassen af uit het volgende.
De bijschrijvingen van in totaal € 855.946,- zien, gelet op de omschrijving bij de betalingen, op het betalen van facturen, terwijl er nooit producten zijn geleverd of geleverd zouden gaan worden. Ten aanzien van de betaling van één van deze facturen van ruim € 559.000,- is een zeer gedetailleerde factuur opgesteld voor kennelijk geleverde producten, terwijl er in werkelijkheid geen producten zijn geleverd. De leningsovereenkomst, op grond waarvan de betalingen zouden zijn verricht, is bovendien pas opgesteld en ondertekend nadat vanuit de bank vragen werden gesteld en ziet op een ander geldbedrag. In de inbeslaggenomen administratie van [verdachte] B.V. zijn geen rentebetalingen en is geen correspondentie of onderliggende stukken betreffende deze lening aangetroffen. [52] Gelet hier op is sprake van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen.
[persoon] , indirect bestuurder van [verdachte] B.V. , heeft met betrekking tot dit geldbedrag verklaard dat sprake is van een lening die door [persoon 1] is geregeld. Dat er sprake zou zijn van een daadwerkelijke geldlening is naar het oordeel van de rechtbank echter hoogst onwaarschijnlijk, gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen over de onderzoeksbevindingen ten aanzien van de gestelde leningsovereenkomst en de omschrijvingen bij de overboekingen die bij de gestelde betalingen uit hoofde van die geldlening zouden horen. Gelet op het voorgaande is bewezen dat deze geldbedragen afkomstig zijn uit misdrijf.
De rechtbank acht ook bewezen dat [persoon] , indirect bestuurder van verdachte, minst genomen de aanmerkelijke kans op deze criminele herkomst heeft aanvaard. Bij aanvang van de geldstromen via [naam bankier 1] was [persoon] ermee bekend dat binnen [verdachte] B.V. sprake was van een criminele geldstroom, zoals hiervoor onder het kopje “kasontvangsten” is overwogen. Verder betrekt de rechtbank daarbij dat [persoon] vanuit zijn rol en werkzaamheden op de hoogte was van de geldstroom uit Dubai en het feit dat er geen verplichtingen tegenover deze betalingen stonden.
Witwassen via [naam bankier 2]
De rechtbank is van oordeel dat ook ten aanzien van de geldbedragen die via [naam bankier 2] zijn gelopen, sprake is van een vermoeden van witwassen. Het gaat om ongeveer 10,5 miljoen euro in contanten die in ruim een jaar tijd bij [naam bankier 2] zijn gebracht. Hiervan is $ 730.085,38 via China en/of Hongkong rechtstreeks bij [verdachte] B.V. terechtgekomen en € 6.266.209,84 en $ 1.104.938,78 via [naam bedrijf 11] B.V. Tegenover de geldbedragen die door het bancaire systeem gingen stond geen aantoonbare verplichting. Dit is zeer ongebruikelijk. De omstandigheid dat [persoon 1] , indirect bestuurder van [verdachte] B.V. , heeft verklaard dat hij in totaal 7 miljoen euro in contanten heeft geleend van ‘een externe partij’ die naar [naam bankier 2] zijn gebracht, maakt deze gang van zaken niet minder ongebruikelijk. Nu er geen andere verklaring is gegeven voor de herkomst van deze bedragen, acht de rechtbank bewezen dat het totaalbedrag van 10,5 miljoen afkomstig is uit misdrijf.
De rechtbank acht ook bewezen dat [persoon] , indirect bestuurder van [verdachte] B.V. dit wist, of in elk geval de aanmerkelijke kans daarop heeft aanvaard. Daarvoor is van belang dat [persoon] wist dat het om grote contante geldbedragen ging en dat hij wist hoe de geldstromen terug naar Nederland ( [verdachte] B.V. ) liepen. Dit is – zoals hij zelf heeft verklaard – niet gebruikelijk.
Toerekenen aan de rechtspersoon
Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat in de tenlastegelegde periode grote geldbedragen op de bankrekeningen van [verdachte] B.V. terecht zijn gekomen die uit misdrijf afkomstig waren. Gelet op de rol hierbij en de wetenschap hiervan van de (indirect) bestuurder(s) van [verdachte] B.V. , zijn de handelingen in redelijkheid aan [verdachte] B.V. toe te rekenen, zodat is bewezen dat [verdachte] B.V. deze geldbedragen vanaf 2 november 2017 (eerste afwijkende contante storting) heeft witgewassen.
Gewoontewitwassen
De rechtbank acht ook bewezen dat [verdachte] B.V. van het witwassen een gewoonte heeft gemaakt. Dit volgt uit de omvang en de intensiteit van het bewezen witwassen en de periode waarin dit heeft plaatsgevonden.
Medeplegen
De rechtbank leidt uit de feitelijke gang van zaken af dat [verdachte] B.V. nauw en bewust heeft samengewerkt met een of meer anderen, zoals [naam bankier 1] en [naam bankier 2] . De rechtbank acht dan ook bewezen dat [verdachte] B.V. als medepleger van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3.3 weergegeven bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
in de periode van 2 november 2017 tot en met 27 augustus 2020 in Nederland en/of in de Verenigde Arabische Emiraten en/of in Bulgarije en/of in België en/of in China en/of in Hong Kong, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,
voorwerpen, te weten
geldbedragen van in totaal (ongeveer) EUR 792.629,-, bestaande uit (ongeveer) EUR 136.250,- en (ongeveer) EUR 533.470 en (ongeveer) EUR 122.909,-)
en
geldbedragen van in totaal (ongeveer) EUR 855.946,-
en
geldbedragen van in totaal (ongeveer) USD 730.085,38 en (ongeveer) EUR 6.266.209,84 en (ongeveer) USD 1.104.938,78
voorhanden heeft gehad en/of heeft verworven en/of heeft omgezet en/of heeft overgedragen en/of van die geldbedragen gebruik heeft gemaakt
en
van die geldbedragen de werkelijke aard en/of herkomst heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen of verhuld wie de rechthebbende(n) op die geldbedragen waren,
terwijl zij, verdachte, wist dat die geldbedragen geheel of gedeeltelijk –onmiddellijk of middellijk– afkomstig waren uit enig misdrijf,
terwijl zij, verdachte, daarvan een gewoonte heeft gemaakt.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straf

7.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft primair gevorderd dat de onder verdachte in beslag genomen banktegoeden (met een totale waarde van € 83.917,95) verbeurd worden verklaard. Indien de rechtbank niet tot verbeurdverklaring overgaat, wordt een geldboete van € 83.900,- gevorderd.
7.2.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de inbeslaggenomen banktegoeden van verdachte verbeurd verklaren en daarnaast geen andere straf aan verdachte opleggen. Daarvoor vindt de rechtbank het volgende van belang.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het op grote schaal witwassen van criminele gelden. Verdachte was als onderneming de plaats waar de witgewassen gelden daadwerkelijk een bestemming kregen in het legale betalingsverkeer. Enerzijds doordat het geld werd aangewend voor de verdere ontwikkeling van de onderneming en anderzijds doordat vanaf de rekeningen van verdachte betalingen zijn gedaan voor privéaankopen, zoals onroerend goed en luxe voertuigen, door de grootaandeelhouder van verdachte.
Deze rol van verdachte rechtvaardigt een substantiële straf en – omdat verdachte een rechtspersoon is – in de vorm van een vermogensstraf. De rechtbank houdt bij het bepalen van deze straf rekening met de omstandigheden dat de activiteiten van de onderneming inmiddels zijn gestaakt en dat op de resterende banktegoeden beslag is gelegd.
Deze banktegoeden zijn voorwerpen met betrekking tot waarmee het bewezen geachte feit is begaan en komen om die reden voor verbeurdverklaring in aanmerking. De rechtbank zal deze banktegoeden daarom verbeurd verklaren.
Gelet op de huidige bedrijfsomstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om naast de bijkomende straf van verbeurdverklaring nog een andere straf aan verdachte op te leggen.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 33 en Pro 33a van het Wetboek van Strafrecht.

9.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
medeplegen van van witwassen een gewoonte maken.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte] B.V., daarvoor strafbaar.
Verklaart verbeurd:
  • € 2.158,97 (beslaglijst onder 1)
  • € 89,91(beslaglijst onder 2)
  • € 88,52 (beslaglijst onder 3)
  • € 15.109,26 (beslaglijst onder 5)
  • € 66.471,29 (beslaglijst onder 6)
Dit vonnis is gewezen door
mr. F. Dekkers, voorzitter,
mrs. J.M. van Hall en M. Wiewel, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C. Wolswinkel, griffier
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 februari 2026.
Bijlage
[...]

Voetnoten

1.Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de digitale nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Tenzij anders vermeld, zijn de met DOC aangeduide bewijsmiddelen geschriften.
2.[verdachte] B.V. heette voorheen [verdachte] , maar handelde toen ook al onder de naam [verdachte] . Voor de leesbaarheid schrijft de rechtbank steeds [verdachte] B.V. , ook als het gaat over de periode van voor de naamswijziging.
3.DOC-020, p. 3348 & 3350.
4.DOC-020, p. 3351.
5.DOC-017, p. 3335.
6.DOC-020, p. 3349.
7.DOC-013, p. 3321.
8.V-05-01, p. 710.
9.AMB-074, p. 1674.
10.AMB-097, bijlage 1, p. 5022-5023.
11.AMB-074, p. 1675.
12.AMB-074, p. 1676.
13.AMB-074, p. 1678.
14.AMB-074, p. 1680.
15.AMB-074, p. 1671.
16.AMB-074, p. 1672.
17.V-05-01, p. 712.
18.V-05-008, p. 783.
19.AMB-063, p. 1502, in samenhang met het Exceloverzicht met banktransacties van [bankrekeningnummer] .
20.AMB-063, p. 1504.
21.AMB-063, p. 1502.
22.DOC-106, p. 3939-3943.
23.AMB-063, p. 1504.
24.DOC-108, p. 3950-3952.
25.DOC-090, p. 3706.
26.DOC-090, p. 3706-3707.
27.DOC-090, p. 3709.
28.DOC-090, p. 3711.
29.DOC-090, p. 3711-3712.
30.DOC-090, p. 3713.
31.DOC-120, p. 4048.
32.DOC-122, p. 4061-4067.
33.DOC-107, p. 3945, en DOC-108, p. 3950-3953.
34.V05-009, p. 813.
35.V09-001, p. 830.
36.V05-009, p. 791.
37.V05-009, p. 794.
38.V05-009, p. 795.
39.V-01-02, p. 645.
40.V05-009, p. 801.
41.V05-009, p. 803.
42.AMB-052, p. 1315.
43.V05-009, p. 806.
44.V05-008, p. 787.
45.AMB-052, p. 1322-1325.
46.AMB-052, p. 1350.
47.AMB-052, p. 1326-1328.
48.G-01-01, p. 854.
49.Proces-verbaal van verhoor getuige [persoon 3] bij de rechter-commissaris, blad 5.
50.V05-009, p. 806.
51.V05-009, p. 794-795.
52.AMB-73, p. 1542 en 1545.