Uitspraak
zorgaanbieder: Arkin,
Rechtbank Amsterdam
De rechtbank Amsterdam behandelde op 19 januari 2026 het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging op grond van artikel 6:4 Wvggz Pro ten aanzien van betrokkene. Tijdens de mondelinge behandeling waren betrokkene, zijn advocaat, een psychiater en een verpleegkundige aanwezig. De officier van justitie was niet aanwezig omdat hij geen nadere toelichting nodig achtte.
De advocaat van betrokkene voerde aan dat er onvoldoende sprake is van ernstig nadeel. Hoewel in het verleden incidenten waren, zijn deze volgens haar het gevolg van betrekkingsideeën die nu zijn afgenomen. Betrokkene gaf aan dat het beter met hem gaat en dat hij bereid is in gesprek te blijven met behandelaren. De verpleegkundige meldde dat paranoïde gedachten nog aanwezig zijn maar afgenomen, en achtte een zorgmachtiging noodzakelijk vanwege medicatieweigering. De psychiater vond de situatie lastig, erkende afname van incidenten, maar kon verslechtering niet uitsluiten en sloot een zorgmachtiging niet uit.
De rechtbank oordeelde dat op basis van het dossier en de mondelinge behandeling onvoldoende onderbouwd is dat er momenteel ernstig nadeel is dat verplichte zorg rechtvaardigt. Betrokkene gebruikt geen medicatie, overlastmeldingen zijn afgenomen en hij toont bereidheid tot samenwerking. Er zijn geen recente incidenten die opname of verplichte zorg noodzakelijk maken. Daarom is een zorgmachtiging niet doelmatig en wordt het verzoek afgewezen.
De beschikking is op 19 januari 2026 mondeling gegeven en op 28 januari 2026 schriftelijk uitgewerkt. Tegen deze beschikking staat cassatie open.
Uitkomst: Het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging wordt afgewezen wegens onvoldoende ernstig nadeel.