ECLI:NL:RBAMS:2026:1862

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 januari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
781126 - FA RK 25/10097
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:4 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing zorgmachtiging wegens onvoldoende ernstig nadeel

De rechtbank Amsterdam behandelde op 19 januari 2026 het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging op grond van artikel 6:4 Wvggz Pro ten aanzien van betrokkene. Tijdens de mondelinge behandeling waren betrokkene, zijn advocaat, een psychiater en een verpleegkundige aanwezig. De officier van justitie was niet aanwezig omdat hij geen nadere toelichting nodig achtte.

De advocaat van betrokkene voerde aan dat er onvoldoende sprake is van ernstig nadeel. Hoewel in het verleden incidenten waren, zijn deze volgens haar het gevolg van betrekkingsideeën die nu zijn afgenomen. Betrokkene gaf aan dat het beter met hem gaat en dat hij bereid is in gesprek te blijven met behandelaren. De verpleegkundige meldde dat paranoïde gedachten nog aanwezig zijn maar afgenomen, en achtte een zorgmachtiging noodzakelijk vanwege medicatieweigering. De psychiater vond de situatie lastig, erkende afname van incidenten, maar kon verslechtering niet uitsluiten en sloot een zorgmachtiging niet uit.

De rechtbank oordeelde dat op basis van het dossier en de mondelinge behandeling onvoldoende onderbouwd is dat er momenteel ernstig nadeel is dat verplichte zorg rechtvaardigt. Betrokkene gebruikt geen medicatie, overlastmeldingen zijn afgenomen en hij toont bereidheid tot samenwerking. Er zijn geen recente incidenten die opname of verplichte zorg noodzakelijk maken. Daarom is een zorgmachtiging niet doelmatig en wordt het verzoek afgewezen.

De beschikking is op 19 januari 2026 mondeling gegeven en op 28 januari 2026 schriftelijk uitgewerkt. Tegen deze beschikking staat cassatie open.

Uitkomst: Het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging wordt afgewezen wegens onvoldoende ernstig nadeel.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd
zaaknummer / rekestnummer: C/13/781126 – FA RK 25/10097
kenmerk: ZM/IND/185703
Afwijzing machtiging tot het verlenen van verplichte zorg
Beschikking van 19 januari 2026van de rechtbank Amsterdam naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedag] 1968 te [geboorteplaats] (Suriname),
wonende te [woonplaats] , [adres] ,
zorgaanbieder: Arkin,
hierna te noemen: betrokkene,
advocaat: mr. D.M. Rupert te Amsterdam.

1.Procesverloop

1.1.
Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 29 december 2025.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 19 januari 2026 in het gebouw van de rechtbank. Tijdens de mondelinge behandeling waren aanwezig en heeft de rechtbank de volgende personen gehoord:
- betrokkene;
- bovengenoemde advocaat;
- mw. [persoon 1] , psychiater;
- dhr. [persoon 2] , verpleegkundige.
Omdat de officier van justitie een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig acht, is hij niet bij de mondelinge behandeling verschenen.

2.Beoordeling

2.1.
De advocaat heeft namens betrokkene afwijzing van het verzoek bepleit. Zij heeft daartoe aangevoerd dat onvoldoende sprake is van ernstig nadeel. Hoewel zich in het verleden incidenten hebben voorgedaan, waren deze volgens de advocaat het gevolg van betrekkingsideeën die inmiddels naar de achtergrond zijn verdwenen. Daarnaast heeft betrokkene verteld dat het beter met hem gaat en dat hij inziet dat het niet wenselijk is dat hij zoveel meldingen bij de politie doet. Hij probeert dit terug te brengen, door bijvoorbeeld met zijn advocaat te praten als hij zich zorgen maakt. Betrokkene heeft te kennen gegeven bereid te zijn om in gesprek te gaan met de behandelaren zodra hij merkt dat het minder goed met hem gaat.
2.2.
De verpleegkundige heeft tijdens de mondelinge behandeling medegedeeld dat bij betrokkene nog steeds sprake is van paranoïde gedachten en achterdocht, maar deze zijn in de afgelopen periode wel afgenomen. Volgens de verpleegkundige is het van belang dat betrokkene wordt ingesteld op medicatie om zijn toestandsbeeld te stabiliseren. Betrokkene is het daar niet mee eens en om die reden acht de verpleegkundige een zorgmachtiging noodzakelijk teneinde betrokkene voldoende te kunnen stabiliseren.
2.3.
De psychiater heeft tijdens de mondelinge behandeling medegedeeld dat zij het een lastige situatie vindt. De meldingen en incidenten doen zich nog steeds voor, maar zijn inderdaad wel afgenomen. In het verleden is gebleken dat het toestandsbeeld van betrokkene door het gebruik van medicatie opknapte. Volgens de psychiater is het echter moeilijk in te schatten of de situatie weer zal verslechteren. Zij heeft daarbij aangegeven dat zij betrokkene de ruimte wil geven om te laten zien dat hij bereid is mee te werken met de behandelaren, maar sluit de noodzaak van een zorgmachtiging evenmin uit.
2.4.
De rechtbank wijst het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging af. Op grond van het dossier en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is aangevoerd, is onvoldoende onderbouwd dat er momenteel nog sprake is van ernstig nadeel dat verplichte zorg rechtvaardigt. Betrokkene gebruikt momenteel geen medicatie en de overlastmeldingen lijken te zijn afgenomen en betrokkene heeft erover nagedacht hoe hij overlast kan verminderen en de meldingen – waarmee hij de politie onnodig belast - kan terugdringen. Tot op heden hebben zich geen incidenten voorgedaan die een opname of andere vormen van verplichte zorg noodzakelijk maakten. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom geen sprake van ernstig nadeel en kan een zorgmachtiging niet als doelmatig worden beschouwd. De rechtbank weegt daarbij mee dat betrokkene heeft ingezien dat hij in gesprek moet blijven met de behandelaren, en daar ook toe bereid is. Daarbij zal ook het gesprek gevoerd moeten worden over eventuele inname medicatie.

3.Beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is op 19 januari 2026 mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken door mr. K.M. van Hassel, rechter, bijgestaan door L.F. Datema als griffier en op 28 januari 2026 schriftelijk uitgewerkt en ondertekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.