ECLI:NL:RBAMS:2026:185

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
13/247281-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling van een man voor winkeldiefstal met oplegging van de ISD-maatregel

Op 2 januari 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een 43-jarige man, die werd beschuldigd van winkeldiefstal. De rechtbank heeft vastgesteld dat er geen onherstelbare vormverzuimen waren in het proces. De verdachte had op 8 januari 2025 in Amsterdam een aantal douchegels en verzorgingsproducten gestolen uit de winkel Kruidvat. De rechtbank heeft de vordering van de officier van justitie, mr. P. de Haas, en de verdediging, vertegenwoordigd door mr. C.M.C. Laumanns, gehoord. De verdediging voerde aan dat er ernstige gebreken waren in het proces-verbaal van aangifte, waaronder ontbrekende handtekeningen en een kassabon. De rechtbank oordeelde echter dat de aangifte voldoende controleerbaar was en dat de signalering van de verdachte rechtmatig was. De rechtbank achtte de verdachte schuldig aan de ten laste gelegde winkeldiefstal en legde de ISD-maatregel op voor de duur van twee jaar, omdat de veiligheid van goederen dit eiste. De rechtbank overwoog dat de verdachte geen verblijfsrecht had in Nederland en dat er een hoog recidiverisico was, wat de oplegging van de maatregel rechtvaardigde.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Team Strafrecht
Parketnummer: 13/247281-25
Datum uitspraak: 2 januari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1982,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:
[BRP-adres] ,
op dit moment gedetineerd in: [penitentiaire inrichting] .

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 12 december 2025 en 2 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. P. de Haas, en van wat de gemachtigd raadsvrouw van verdachte, mr. C.M.C. Laumanns, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht. Daarnaast is [deskundige] , medewerker van Mentrum, als deskundige gehoord.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij:
op of omstreeks 8 januari 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een of meerdere douchegels(s) en/of verzorgingsproducten en/of een winkelmandje, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan winkelbedrijf Kruidvat, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

3.Voorvragen

3.1.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het dossier een aantal onherstelbare vormverzuimen bevat, die bij elkaar zouden moeten leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging. De raadsvrouw wijst hiertoe op gebreken in het proces-verbaal van aangifte. Zowel de handtekening van de aangever als die van de verbalisant ontbreekt, waardoor het proces-verbaal niet voldoet aan de eisen die in het Besluit digitale stukken strafvordering worden gesteld. Daarnaast ontbreekt de kassabon, waardoor zowel het aantal weggenomen goederen als het totale schadebedrag niet kan worden vastgesteld. Hierdoor kunnen de rechtsgeldigheid, betrouwbaarheid en het waarheidsgehalte van de aangifte niet worden getoetst. Bovendien voldoet het proces-verbaal niet aan de vereisten van artikel 152 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), nu het proces-verbaal niet ten spoedigste is opgemaakt maar pas bijna twee maanden na de gestelde elektronische indiening van de aangifte. Tot slot wordt aangevoerd dat de aangever de vermeende diefstal niet zelf heeft waargenomen.
Verder heeft de raadsvrouw aangevoerd dat zij twijfelt over de authenticiteit van de herkenningen van verdachte op de camerabeelden. Volgens de raadsvrouw staat het niet vast dat deze herkenningen daadwerkelijk door de betrokken verbalisanten zelf zijn ondertekend. De elektronische handtekening van verbalisant [verbalisant 1] zou slechts gedeeltelijk te zien zijn en de handtekening van verbalisant [verbalisant 2] lijkt te zijn overgeplakt van een ander dossier.
Ook heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de door verbalisant [verbalisant 3] opgemaakte processen-verbaal onbetrouwbaar zijn. Zo zouden de beelden volgens haar reeds op 3 maart 2025 zijn rondgestuurd, terwijl zij pas op 20 maart 2025 zijn opgevraagd. Tevens ontbreekt de ondertekening van het proces-verbaal waarin deze camerabeelden worden beschreven. In het aanvullende proces-verbaal verklaart verbalisant [verbalisant 3] dat zij het aanvankelijke proces-verbaal op 20 maart 2025 heeft opgemaakt, hetgeen strijdig is met haar eerdere verklaring dat zij de foto’s op dat moment heeft opgevraagd.
Tot slot heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de signalering van verdachte onrechtmatig is. Er zou geen onderliggend bevel tot aanhouding buiten heterdaad zijn gegeven, zodat de aanhouding van verdachte niet rechtmatig was.
3.2.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van onherstelbare vormverzuimen en heeft hiertoe het volgende aangevoerd.
Hoewel de officier van justitie met de raadsvrouw de constatering deelt dat in het dossier enkele handtekeningen ontbreken, stelt zij zich op het standpunt dat hieraan geen consequenties hoeven te worden verbonden. Het betreft een digitaal dossier, waardoor er geen natte handtekeningen aanwezig zijn. De processen-verbaal gelden daarmee als schriftelijke stukken.
De officier van justitie heeft aangegeven dat dit punt van de raadsvrouw over de authenticiteit van de herkenningen van verdachte op de betreffende camerabeelden terzijde moet worden geschoven omdat dit subjectieve aannames zijn.
Verder merkt de officier van justitie op dat hoewel de raadsvrouw stelt dat de beelden op 20 maart 2025 zijn opgevraagd, dit niet terug is te vinden in het procesdossier.
De officier van justitie merkt daarnaast op dat, hoewel onduidelijk is waarom niet is vastgesteld dat verdachte in detentie verbleef, dit niet af doet aan de rechtmatigheid van de signalering. Een signalering volgt op een mondeling bevel tot aanhouding en in deze zaak is de signalering verlengd. Het nalaten om de detentiestatus te controleren maakt de signalering en de daaropvolgende aanhouding niet onrechtmatig.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het dossier een aantal vormverzuimen bevat, die bij elkaar moeten leiden tot een niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie. Indien in het voorbereidend onderzoek sprake is van een onherstelbaar vormverzuim kan dat op grond van artikel 359a Sv leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, tot bewijsuitsluiting, of tot compensatie in de strafoplegging. Ook kan de rechter volstaan met het constateren van het verzuim zonder daar enig rechtsgevolg aan te verbinden.
Als eerste is in dit kader opgeworpen dat zowel de handtekening van de aangever als de elektronische handtekening van de verbalisant bij het proces-verbaal van aangifte ontbreekt. De officier van justitie heeft aangegeven dat inderdaad geconstateerd kan worden dat de handtekening ontbreekt bij de aangifte die via internet is gedaan en dat ook de elektronische handtekening van verbalisant onder deze aangifte ontbreekt. De rechtbank constateert hetzelfde, en is van oordeel dat de aangifte daarmee niet een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal betreft maar wel kan worden gezien als een schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344 lid 1 onder 5 Sv. De raadsvrouw stelt daarnaast dat de rechtmatigheid en het waarheidsgehalte van de aangifte niet te controleren valt omdat de aangifte mogelijk niet voldoet aan de vereisten genoemd in het Besluit digitale stukken strafvordering en omdat een bijgevoegde kassabon en een totaalaantal van de gestolen goederen ontbreken. In het dossier bevindt zich een proces-verbaal van camerabeelden, waarin wordt beschreven dat er een diefstal plaatsvindt van douchegels bij de Kruidvat-vestiging aan de [straatnaam] in Amsterdam op de datum en het tijdstip die genoemd zijn in de aangifte. De rechtbank is van oordeel dat daarmee het waarheidsgehalte en de rechtmatigheid van de aangifte voldoende te controleren zijn. Het feit dat de aangifte is gedaan door een medewerker van het hoofdkantoor doet hieraan niet af.
Het tweede punt dat wordt aangevoerd betreft de twijfels die de raadsvrouw heeft over de authenticiteit van de herkenningen van verdachte op genoemde camerabeelden. De rechtbank constateert dat het algemene informatiegedeelte onder de elektronische handtekening van verbalisant [verbalisant 1] niet juist is overgekomen in het elektronische dossier. Dat raakt wat de rechtbank betreft niet de – wel juist opgenomen – ondertekening van [verbalisant 1] . Aan de handtekening van [verbalisant 2] en de uitvergrote versie daarvan zoals die door de raadsvrouw is overgelegd kan de rechtbank geen bijzonderheid ontdekken.
De suggestie van de raadsvrouw dat beide stukken niet authentiek zijn, volgt de rechtbank niet. Een begin van aannemelijkheid dat er sprake zou zijn van onregelmatigheden is er niet, zodat ook op dit punt geen sprake is van een vormverzuim.
Ten derde wordt door de raadsvrouw aangegeven dat het dossier onbetrouwbaar is op het punt van de processen-verbaal die door verbalisant [verbalisant 3] zijn opgemaakt. De rechtbank is van oordeel dat de vragen die zijn opgekomen naar aanleiding van het proces-verbaal van 20 maart 2025 in het aanvullende proces-verbaal van 2 oktober 2025 voldoende zijn beantwoord. Dat er in eerste instantie wat onduidelijkheid was over de volgorde van aanleveren van beeldmateriaal en het uitkijken daarvan, maakt het dossier niet – in zijn geheel – onbetrouwbaar.
Tot slot heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat de signalering van verdachte onrechtmatig is geweest. Daartoe is aangevoerd is dat er geen onderliggend bevel tot aanhouding buiten heterdaad zou zijn gegeven. De rechtbank ziet in het dossier een proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 3] met daarin de toestemming tot signalering door officier van justitie De Jongh en een toestemming tot verlenging van deze signalering door officier van justitie Bouhuijzen. Nu de officier van justitie ter zitting heeft aangegeven dat de algemene werkwijze is dat aan een signalering een mondeling bevel tot aanhouding buiten heterdaad vooraf gaat, gaat de rechtbank ervan uit dat dit bevel is gegeven voorafgaand aan de eerste signalering. Door de raadsvrouw zijn geen argumenten aangedragen die maken dat de rechtbank aan deze werkwijze in dit dossier zou moeten twijfelen.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er geen onherstelbare vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a Sv zijn vastgesteld, zodat het Openbaar Ministerie in de onderhavige zaak ontvankelijk is in de strafvervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft, in het geval dat de rechtbank niet komt tot de niet-ontvankelijkheidsverklaring van het Openbaar Ministerie, aangevoerd dat de in rubriek 3.1 genoemde onherstelbare vormverzuimen moeten leiden tot bewijsuitsluiting, waardoor onvoldoende bewijs aanwezig is om tot een bewezenverklaring te komen.
4.2.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, zoals vermeld in rubriek 3.2, geen sprake is van onherstelbare vormverzuimen en derhalve geen bewijsuitsluiting dient te volgen. Zij is van mening dat het feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
Verzoek tot bewijsuitsluiting
Gelet op de constatering van de rechtbank in rubriek 3.3 dat er geen onherstelbare vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a Sv zijn vastgesteld, gaat de rechtbank voorbij aan het subsidiaire verweer tot bewijsuitsluiting.
Bewezenverklaring winkeldiefstal
De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde winkeldiefstal.
Op 29 januari 2025 heeft [persoon] namens Kruidvat aangifte gedaan van een winkeldiefstal. Hij verklaarde dat op 8 januari 2025 een persoon met een mandje gevuld met 39 stuks douchegel de winkel heeft verlaten zonder te betalen, waardoor een schade van €229,- is ontstaan. Verbalisant [verbalisant 3] heeft de camerabeelden van 8 januari 2025 bekeken. Hierop is duidelijk te zien dat een man tientallen flessen douchegel in zijn mandje doet en vervolgens de winkel verlaat. Vervolgens hebben meerdere verbalisanten de persoon op de beelden herkend als verdachte.
Gelet op de aangifte, de waarneming van de diefstal op de camerabeelden en de herkenning door meerdere verbalisanten, acht de rechtbank bewezen dat verdachte de diefstal heeft gepleegd.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de
bijlage Ivervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
op 8 januari 2025 te Amsterdam douchegels of verzorgingsproducten en een winkelmandje die aan winkelbedrijf Kruidvat toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
6. Strafbaarheid van het feit
Het bewezen verklaarde feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar. Er zijn geen bijzondere omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

8.Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders

8.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaren.
8.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank primair verzocht af te zien van het opleggen van de ISD-maatregel.
De raadsvrouw heeft betoogd dat de vordering tot oplegging van de ISD-maatregel niet opnieuw mag worden gedaan nu deze vordering bij vonnis van 16 mei 2025, de laatste veroordeling van verdachte, reeds is afgewezen en verdachte sinds die veroordeling geen nieuw strafbaar feit heeft gepleegd. Nu het feit van 8 januari 2025 reeds bij het Openbaar Ministerie bekend was ten tijde van de eerdere zaak, had dit feit destijds gevoegd moeten worden behandeld. Door nu opnieuw de ISD-maatregel te vorderen, handelt het Openbaar Ministerie in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, de beginselen van een goede procesorde en het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Daarbij heeft het Openbaar Ministerie volgens de raadsvrouw de plicht om naast de letter van de wet ook de bedoeling van de richtlijn te volgen, die expliciet voorschrijft dat bij herhaalde ISD-vorderingen sprake dient te zijn van een nieuw strafbaar feit. Gelet hierop kan het Openbaar Ministerie de vordering tot oplegging van de ISD-maatregel niet nogmaals doen.
De raadsvrouw heeft verder aangevoerd dat het recidiverisico binnen twee jaar gemiddeld is, zoals blijkt het reclasseringsrapport van 2 december 2025. Uit de eerdere rapportage van 14 maart 2025 blijkt bovendien dat het recidiverisico is afgenomen.
Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte zich er niet van bewust was dat hij het land moest verlaten, aangezien het uitreikingsblad niet met een tolk is uitgereikt. Verdachte begreep van zijn vorige advocaat dat het hem vrijstond om in Nederland spullen op te halen. Gezien deze omstandigheden is het voor verdachte onbegrijpelijk dat hem uitsluitend vanwege zijn terugkeer naar Nederland een ISD-maatregel wordt opgelegd. Verdachte is nog steeds voornemens om terug te keren naar [land van herkomst] om zijn erfenis op te halen en wil daarna niet meer naar Nederland. Hij wil met zijn erfenis in Engeland een bestaan opbouwen, waar hij familie en vrienden heeft bij wie hij terecht kan.
Ook heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat verdachte nog steeds de mogelijkheid heeft om hulp te krijgen bij zijn verslaving via AMOC, waar hij nog steeds welkom is. Het staat, vanwege zijn onrechtmatigheid, niet op voorhand vast dat verdachte in de ISD-maatregel daadwerkelijk hulp voor zijn verslaving zal ontvangen. Bovendien is er, eveneens door zijn onrechtmatigheid, geen nazorgtraject beschikbaar waarbij hij ondersteuning krijgt bij huisvesting en een baan of dagbesteding. De kans op terugval na twee jaar is dan ook zeer reëel.
Subsidiair heeft de raadsvrouw gelet op de hiervoor beschreven persoonlijke omstandigheden van verdachte verzocht om de ISD-maatregel in voorwaardelijke zin op te leggen, met daarbij als bijzondere voorwaarde dat verdachte Nederland verlaat. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw gevraagd om de ISD-maatregel te beperken tot één jaar of om het voorarrest in mindering te brengen op de totale duur van de ISD-maatregel.
8.3.
Oordeel van de rechtbank
Voor zover de raadsvrouw aanvoert dat een herhaalde ISD-vordering betrekking moet hebben op een nieuw feit, merkt de rechtbank op dat deze opvatting geen steun vindt in de wet. Het enkele feit dat verdachte na 16 mei 2025 geen nieuw strafbaar feit heeft gepleegd, doet niet af aan de mogelijkheid om in een andere strafzaak, waarin aan de wettelijke voorwaarden is voldaan, alsnog de ISD-maatregel te vorderen. De rechtbank merkt op dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht niet van toepassing is op maatregelen. Het Openbaar Ministerie heeft dan ook de mogelijkheid om opnieuw de ISD-maatregel te vorderen, terwijl deze eerder door de rechtbank niet is opgelegd.
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende maatregel en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal. Dit is een hinderlijk feit dat in de maatschappij in het algemeen, en bij de winkelbedrijven in het bijzonder, overlast en schade veroorzaakt.
De persoon van verdachte
In het kader van de strafoplegging heeft de rechtbank gekeken naar het Uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte van 3 november 2025 (hierna: strafblad), waaruit blijkt dat hij al meerdere keren is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 2 december 2025, opgesteld door [deskundige] . Dit advies houdt - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende in.
Er is sprake van instabiliteit op meerdere leefgebieden. Verdachte is dak- en werkloos en gebruikt dagelijks heroïne. Er is sprake van een delictpatroon aangaande vermogensdelicten. Verdachte pleegt diefstallen om te voorzien in zijn levensonderhoud en middelengebruik, wat zorgt voor een vicieuze cirkel met betrekking tot justitiële contacten. De kans op recidive wordt ingeschat als gemiddeld. Het professionele oordeel van de reclassering wijkt hiervan af. Indien de situatie op het gebied van middelengebruik, gezondheid, huisvesting en dagbesteding onveranderd blijft, acht de reclassering het recidiverisico onverminderd hoog.
Verdachte voldoet aan de harde en zachte criteria van de ISD-maatregel. Hij heeft geen verblijfsrecht in Nederland en is op 23 augustus 2025 Nederland uitgezet. Verdachte is nadat hij teruggestuurd is naar [land van herkomst] om financiële redenen direct teruggekeerd naar Nederland. Hij gaf in gesprek met de reclassering aan liever in Nederland te blijven en open te staan voor hulp en alle geboden kansen. Indien dat niet mogelijk is, is zijn plan om terug te keren naar [land van herkomst] om daar aanspraak te maken op zijn erfenis en daarmee een toekomst in Londen op te bouwen.
Nu verdachte geen verblijfsrecht heeft, is een re-integratietraject in het kader van een voorwaardelijke ISD-maatregel geen optie. Verdachte heeft immers geen recht op hulpverlening en voorzieningen die hem in staat stellen een maatschappelijk aanvaardbaar bestaan in Nederland op te kunnen bouwen. Derhalve is een onvoorwaardelijke ISD-maatregel een passende maatregel die gericht moet zijn op een terugkeer naar het land van herkomst. De uitvoering van een onvoorwaardelijke vreemdelingen ISD-maatregel (ISD-VRIS) heeft naast bescherming van de maatschappij als doel re-integratie in het land van herkomst, waarbij verdachte voor deze terugkeer wordt gemotiveerd. Daartoe worden trainingen en begeleiding door meerdere organisaties intramuraal aangeboden.
De deskundige, [deskundige] , heeft voornoemd advies op de terechtzitting bevestigd.
Oplegging van de ISD-maatregel
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van het bewezenverklaarde aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Daarnaast is hij gedurende de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane misdrijf ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl het in dit vonnis bewezen verklaarde feit is begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen.
Uit het hiervoor genoemde reclasseringsadvies en het strafblad blijkt dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Ook is voldaan aan de eisen die de ‘Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers’ van het Openbaar Ministerie stelt.
Hoewel verdachte meerdere keren heeft aangegeven vrijwillig naar [land van herkomst] te willen terugkeren, heeft de rechtbank twijfels bij deze bewering. Nadat verdachte naar [land van herkomst] was uitgezet keerde hij immers direct terug naar Nederland vanwege financiële redenen, terwijl hij blijkens het reclasseringsadvies van 22 september 2025 op de hoogte was van zijn onrechtmatige verblijfstatus. Bovendien heeft verdachte herhaaldelijk bij de reclassering aangegeven dat hij liever in Nederland wil blijven. Bij het niet opleggen van de ISD-maatregel bestaat aldus het risico dat verdachte weer in zijn vreemdelingrechtelijke, perspectiefloze situatie zal belanden en moet stelen om in zijn levensonderhoud en verslaving te voorzien. Het belang van de samenleving, dat verdachte geen overlast en schade meer zal veroorzaken, staat nu voorop. De veiligheid van goederen eist daarom de oplegging van de ISD-maatregel.
De rechtbank neemt bovendien in aanmerking dat, gelet op de vreemdelingrechtelijke status van verdachte, begeleiding door de reclassering buiten de ISD-VRIS praktisch niet uitvoerbaar wordt geacht. Verdachte heeft onder andere vanwege zijn verslavingsproblematiek hulp en begeleiding nodig. Binnen de ISD-VRIS maatregel kan gewerkt worden aan terugkeer naar het land van herkomst met een ‘zachte landing’ en aan het vergroten van de motivatie van verdachte daartoe, maar ook kan er gewerkt worden aan de (verslavings)problematiek van verdachte zodat de kans op recidive in de toekomst (al dan niet in het buitenland) verminderd wordt. Als verdachte hieraan meewerkt, zal van een kale detentie geen sprake zijn. Mocht verdachte niet meewerken aan de geboden interventies dan zal de ISD-maatregel enkel dienen ter bescherming van de maatschappij. Dat verdachte wegens zijn illegale status niet zal kunnen deelnemen aan een extramuraal traject en dat geen sprake kan zijn van resocialisatie in de Nederlandse samenleving brengt aldus niet mee dat van oplegging van de ISD-maatregel moet worden afgezien.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte de ISD-maatregel dient te worden opgelegd. Het is van groot belang dat er voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. De maatschappij dient optimaal te worden beschermd en er moet worden bijgedragen aan een oplossing voor zijn problematiek. Ook is er voldoende tijd nodig om een verantwoorde terugkeer naar het land van herkomst alle kans te geven. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaar opleggen. Bij een eventuele repatriëring wordt de ISD-maatregel door de minister van Justitie en Veiligheid opgeheven. De snelheid waarmee een dergelijke repatriëring met zachte landing kan worden georganiseerd is mede afhankelijk van de mate waarin verdachte ontvankelijk is voor de geboden interventies. Verdachte heeft daarmee invloed op de duur van zijn maatregel. De tijd door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht wordt niet in mindering gebracht op de duur van de maatregel. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om de maatregel in voorwaardelijke zin op te leggen.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Het bewezenverklaarde levert op:
-
Diefstal
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Legt op de
maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige dadersvoor de duur van
2 (twee) jaren.
Dit vonnis is gewezen door
mr. I. Timmermans, voorzitter,
mrs. H.E. Hoogendijk en C.C.J. Maas-van Es, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. de Groot, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 januari 2026.
[...]