ECLI:NL:RBAMS:2026:1846

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
780651 - FA RK 25/9814
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:4 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing zorgmachtiging met mogelijkheid tot ECT-behandeling voor betrokkene met schizofreniespectrumstoornis

De rechtbank Amsterdam heeft op 6 januari 2026 een zorgmachtiging verleend aan betrokkene, geboren in 2004, die lijdt aan een schizofreniespectrumstoornis en katatonie, met een vermoeden van een licht verstandelijke beperking. De machtiging betreft verplichte zorg voor zes maanden, gericht op het afwenden van ernstig nadeel zoals levensgevaar en ernstige psychische schade.

Tijdens de mondelinge behandeling, gehouden bij de zorgaanbieder Arkin, locatie [locatie], was de officier van justitie afwezig omdat geen nadere toelichting nodig werd geacht. De rechtbank oordeelde dat vrijwillige zorg niet mogelijk is en dat verplichte zorg noodzakelijk is. De verplichte zorg omvat onder meer het toedienen van vocht, voeding, medicatie, medische controles, bewegingsbeperkingen, insluiting, toezicht, en opname in een accommodatie.

De advocaat van betrokkene voerde aan dat de mogelijkheid tot ECT-behandeling niet expliciet in het verzoekschrift stond en daarom niet mocht worden toegestaan. De rechtbank verwierp dit verweer omdat het verzoekschrift verwees naar het zorgplan waarin ECT expliciet als noodzakelijke behandeling is opgenomen. De rechtbank achtte de verplichte zorg evenredig en effectief, zonder minder bezwarende alternatieven.

De zorgmachtiging geldt tot uiterlijk 6 juli 2026 en geeft behandelaren de bevoegdheid om de genoemde zorgmaatregelen, inclusief ECT, toe te passen. Tegen deze beschikking staat cassatie open.

Uitkomst: De rechtbank wijst de zorgmachtiging toe inclusief de mogelijkheid tot ECT-behandeling voor zes maanden.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd
zaaknummer / rekestnummer: C/13/780651 – FA RK 25/9814
kenmerk: ZM/IND/188682
Machtiging tot het verlenen van verplichte zorg
Beschikking van 6 januari 2026van de rechtbank Amsterdam naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedag] 2004 te [geboorteplaats] (Niger),
wonende te [woonplaats] , [adres 1] ,
verblijvende te [verblijfplaats] , [adres 2] ,
zorgaanbieder: Arkin, locatie [locatie] ,
hierna te noemen: betrokkene,
advocaat: mr. J.M.M. Heilbron te Amsterdam.

1.Procesverloop

1.1.
Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 19 december 2025.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 6 januari 2026 in de accommodatie van Arkin, locatie [locatie] . Tijdens de mondelinge behandeling waren aanwezig en heeft de rechtbank de volgende personen gehoord:
- betrokkene, bijgestaan door een tolk Frans;
- bovengenoemde advocaat;
- mw. [persoon] , arts.
Omdat de officier van justitie een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig acht, is hij niet bij de mondelinge behandeling verschenen.

2.Beoordeling

2.1.
Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, in de vorm van een schizofreniespectrumstoornis en katatonie. Daarnaast bestaat het vermoeden op een licht verstandelijke beperking.
2.2.
Deze stoornis leidt tot ernstig nadeel, gelegen in levensgevaar, ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische schade, ernstige verwaarlozing en maatschappelijke teloorgang.
2.3.
Om het ernstig nadeel af te wenden of de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen of de door de stoornis bedreigde of aangetaste fysieke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen, heeft betrokkene zorg nodig.
2.4.
Gebleken is dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. Om die reden is verplichte zorg nodig. De arts heeft tijdens de mondelinge behandeling medegedeeld dat het weliswaar beter gaat met betrokkene, maar dat hij door deze verbetering meer weerstand biedt tegen de behandeling. Volgens de arts is het belangrijk dat het toestandsbeeld van betrokkene gemonitord blijft en er vervolgens gekeken kan worden naar een passende vervolgplek.
2.5.
Van de in het verzoekschrift genoemde vormen van zorg, die zijn gebaseerd op het zorgplan en het advies van de geneesheer-directeur, alsmede gelet op hetgeen bij de mondelinge behandeling naar voren is gekomen acht de rechtbank de volgende vormen van verplichte zorg noodzakelijk gedurende zes maanden:
  • toedienen van vocht, voeding en medicatie;
  • het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening,
  • beperken van de bewegingsvrijheid;
  • insluiten,
  • uitoefenen van toezicht op betrokkene,
  • onderzoek aan kleding of lichaam;
  • onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen;
  • controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen;
  • aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen en het nakomen van afspraken met het ambulant behandelteam;
  • opnemen in een accommodatie.
De advocaat heeft aangevoerd dat de mogelijkheid tot het toepassen van ECT-behandeling niet expliciet is opgenomen in het verzoekschrift van de officier van justitie. Volgens haar dient deze vorm van zorg uitdrukkelijk in het verzoek te worden vermeld en kan niet worden volstaan met een enkele verwijzing naar het zorgplan. De advocaat stelt zich dan ook op het standpunt dat de rechtbank hierover geen beslissing kan nemen en dat toepassing van ECT-behandeling niet is toegestaan.
De rechtbank is van oordeel dat de mogelijkheid tot ECT-behandeling voldoende kenbaar valt onder de vorm van verplichte zorg: ‘
het verrichten van andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening.In het verzoekschrift van de officier van justitie wordt immers uitdrukkelijk verwezen naar het bijbehorende zorgplan (“Zie zorgplan onder 7b”) In het zorgplan is onder voornoemde vorm van zorg expliciet opgenomen:

Indien ECT-behandeling als noodzakelijk wordt ingeschat, met als doel de katatonie en schizofrenie te herstellen.’.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de mogelijkheid van ECT-behandeling voldoende kenbaar onderdeel uitmaakt van het verzoek en dat met deze machtiging de behandelaren bevoegd zijn deze behandeling toe te passen. Het verweer van de advocaat wordt daarom verworpen.
2.6.
De verplichte zorg is evenredig en naar verwachting effectief. Uit de stukken blijkt dat bij het bepalen van de juiste zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben.
2.7.
Hetgeen namens en door betrokkene als verweer is aangevoerd doet aan het voorgaande niet af.
2.8.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De zorgmachtiging zal worden verleend voor de verzochte duur van zes maanden.

3.Beslissing

De rechtbank:
verleent een zorgmachtiging ten aanzien van [betrokkene] , geboren op [geboortedag] 2004 te [geboorteplaats] (Niger), inhoudende dat gedurende de looptijd van de machtiging bij wijze van verplichte zorg de in rechtsoverweging 2.5 genoemde maatregelen kunnen worden getroffen;
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met uiterlijk 6 juli 2026.
Deze beschikking is op 6 januari 2026 mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken door mr. E. Diepraam, rechter, bijgestaan door L.F. Datema als griffier en op 13 januari 2026 schriftelijk uitgewerkt en ondertekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.