AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Voorwaardelijke geldboete voor opzettelijk gebruik van valse visvangstregistraties
De rechtbank Amsterdam heeft op 19 februari 2026 uitspraak gedaan in twee aan elkaar gevoegde strafzaken tegen verdachte, die eigenaar is van het vaartuig [naam vaartuig 1]. Verdachte werd beschuldigd van het opzettelijk gebruik maken van valse geschriften door in het E-Lite vangstregistratiesysteem visreizen te registreren die niet met het betreffende vaartuig waren gemaakt.
De rechtbank stelde vast dat het vaartuig sinds 2021 niet meer had gevaren vanwege schade, maar dat visreizen toch op naam van dit vaartuig waren geregistreerd. De vangsten betroffen in werkelijkheid vis die met een ander vaartuig, [naam vaartuig 2], was gevangen. Hierdoor werd de controle op visquota door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland misleid.
De verdediging voerde aan dat er geen vals geschrift was gebruikt omdat de gegevens pas vals zouden zijn na verzending, en dat de vervolging op grond van artikel 225 SrPro niet passend was. De rechtbank verwierp deze verweren en oordeelde dat de ingevoerde gegevens als geschriften in de zin van de wet gelden vanaf het moment van invoer.
De rechtbank legde een geheel voorwaardelijke geldboete van €25.000 op met een proeftijd van drie jaar, mede gelet op de ontnemingsprocedure waarbij ruim €83.000 aan wederrechtelijk verkregen voordeel wordt teruggevorderd. De straf heeft vooral een preventief karakter om herhaling te voorkomen.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van €25.000 wegens het opzettelijk gebruik van valse visvangstregistraties.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 81.119064.23 (zaak A) en 81.116462.24 (zaak B) (ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 19 februari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
gevestigd op het adres [adres] .
1.Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 februari 2026.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. E. Visser, en van wat de vertegenwoordigers van verdachte, [persoon 2] en [persoon 3] , en haar raadsman, mr. D.C.O. Ayinla, naar voren hebben gebracht.
2.Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – na wijziging van de tenlastelegging op de zitting van 5 februari 2026 ten laste gelegd dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan het opzettelijk voorhanden hebben, afleveren en/of gebruik maken van valse geschriften, door in opgaven in het E-Lite systeem verschillende visreizen in 2021 en 2022 (zaak A) en 2023 (zaak B) van de [naam vaartuig 1] aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO) door te geven.
De uiteindelijke tekst van de volledige tenlasteleggingen zijn opgenomen in de bijlage bij dit vonnis.
3.Waardering van het bewijs
3.1.
Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. [1]
De dossiers van beide zaken bevatten verschillende uitdraaien uit het vangstregistratiesysteem ERS (E-Lite), waarin onder andere de volgende gegevens zijn geregistreerd:
[naam vaartuig 1] 9-10-2021 01:00:00 UTC 9-10-2021 15:00:00 UTC [2]
[naam vaartuig 1] 16-6-2022 06:00:00 UTC 17-6-2022 03:00:00 UTC [3]
[naam vaartuig 1] 27-6-2022 01:00:00 UTC 28-6-2022 10:00:00 UTC [4]
[naam vaartuig 1] 4-9-2023 06:00:00 UTC 9-9-2023 06:00:00 UTC [5]
[naam vaartuig 1] 11-9-2023 03:00:00 UTC 16-9-2023 14:00:00 UTC [6]
Verdachte is eigenaar van het vaartuig [naam vaartuig 1] , met de naam [naam vaartuig 1] . [7] Ter zitting is namens verdachte erkend dat dit vaartuig vanaf 2021 niet meer heeft gevaren, omdat deze kapot was. Maat [persoon 3] heeft als kapitein voornoemde visreizen geregistreerd. [8]
3.2.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie vindt bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan.
3.3.
Standpunt van de verdediging
De verdediging stelt dat verdachte geen vals geschrift voorhanden heeft gehad, heeft afgeleverd of hiervan gebruik heeft gemaakt, omdat pas van een (vals) geschrift sprake is nadat de gegevens die in het E-Lite systeem zijn ingevoerd, naar de RVO zijn verstuurd. Hooguit is sprake van het – niet tenlastegelegde – opmaken van een vals geschrift. De verdediging verzoekt daarnaast verdachte vrij te spreken van het medeplegen.
3.4.
Oordeel van de rechtbank
Alvorens de bewijsverweren van de verdediging te bespreken zal de rechtbank ter motivering van haar bewijsoordeel – voor zover relevant – het juridisch kader bespreken en ingaan op de aard en werking van het E-Lite systeem.
Op grond van artikel 104a van de Uitvoeringsregeling Zeevisserij (hierna: de Uitvoeringsregeling) dient een vissersvaartuig kleiner dan 10 meter, binnen 24 uur na aanlanding via het zogenaamde E-lite systeem, opgave te doen aan het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van een aantal gegevens met betrekking tot gemaakte visreizen met het vissersvaartuig.
Op grond van artikel 141 vanPro de Uitvoeringsregeling dienen de gegevens, zoals verplicht gesteld in artikel 104 a van de regeling, volledig en naar waarheid te worden bijgehouden of verstrekt.
In het E-lite systeem dient onder meer opgegeven te worden de naam van de kapitein, het letterteken en nummer van het vissersvaartuig waarmee gevist is, de haven van vertrek, aankomst en aanlanding, de datum en tijdstippen van vertrek en aankomst, het gebruikte vistuig en de hoeveelheid en soort gevangen vis.
De gegevens uit het E-lite systeem worden onder meer gebruikt voor de bewaking van de uitputting van individuele contingenten en quota. Onder meer de uitputting per houder van een zogenaamde zeebaarsmachtiging, dit is een toestemming om te vissen op zeebaars met een bepaald vaartuig en vistuig, wordt hiermee bewaakt.
Vals geschrift
De rechtbank merkt het samenstel van de door de verdachte in het E-lite systeem ingevoerde gegevens, hoewel die elektronisch zijn ingevuld, aan als een geschrift in de zin van artikel 225 WetboekPro van Strafrecht (hierna: Sr). Van een geschrift is al sprake op het moment dat de gegevens in het systeem zijn ingevoerd en niet, zoals de verdediging heeft betoogd, pas als de ingevoerde gegevens zijn verstuurd.
De door verdachte in het E-lite systeem ingevoerde visreizen zijn niet gemaakt met het vaartuig [naam vaartuig 1] , met de naam [naam vaartuig 1] . De geschriften zijn dus vals.
Bestemd tot bewijs
Het geschrift wordt gebruikt als bewijs voor de gemaakte visreis en wordt onder meer gebruikt door de overheid voor het bijhouden van de uitputting van het individueel (vis) quotum van de invuller van de gegevens in het E-lite systeem. Gelet hierop dient het gezien te worden als een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen.
Gebruikmaken
Door het versturen van de valse geschriften via het E-lite systeem aan RVO (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland), worden vangsten van zeebaars geregistreerd op de zeebaarsmachtiging van een vaartuig dat niet heeft gevist, terwijl de betreffende zeebaars met een ander vaartuig is gevangen, die al dan niet in het bezit is van een andere zeebaarsmachtiging. De controlerende instantie wordt daarmee misleid en belemmerd in haar taak om de uitputting van de per houder toegestane quota te bewaken. De rechtbank merkt dit aan als gebruikmaken van een vals geschrift in de zin van artikel 225 lid 2 SrPro.
Conclusie
De rechtbank acht bewezen dat verdachte opzettelijk in strijd met de waarheid vaarreizen van de [naam vaartuig 1] in het digitale E-Lite systeem heeft ingevoerd en elektronisch heeft verstuurd aan de RVO. Het doorgeven is feitelijk gebeurd door een van de maten van de maatschap en dit handelen is aan de maatschap toe te rekenen. Het tenlastegelegde feit is bewezen, met uitzondering van het bestanddeel medeplegen.
4.Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
Zaak A
op of omstreeks 9 oktober 2021 en in of omstreeks de periodes van 16 juni 2022 tot en met 17 juni 2022 en 27 juni 2022 tot en met 28 juni 2022, in Nederland,
van valse geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten: opgaven in het E-Lite systeem met het vissersvaartuig [naam vaartuig 1] ( [naam vaartuig 1] ) voor de visreizen van 9 oktober 2021 en 16 juni 2022 tot en met 17 juni 2022 en 27 juni tot en met 28 juni 2022,
opzettelijk gebruik heeft gemaakt als ware die echt en onvervalst,
door voornoemde opgaven, met daarin valselijk en in strijd met de waarheid visreizen opgegeven met de [naam vaartuig 1] ( [naam vaartuig 1] ), terwijl dat schip die visreizen niet had gemaakt, (digitaal) op te sturen naar de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland;
Zaak B
in of omstreeks de periodes van 4 september 2023 tot en met 9 september 2023 en 11 september 2023 tot en met 16 september 2023, in Nederland,
van valse geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten: opgaven in het E-Lite systeem voor het vissersvaartuig [naam vaartuig 1] ( [naam vaartuig 1] ) voor de visreizen van 4 september 2023 tot en met 9 september 2023 en 11 september 2023 tot en met 16 september 2023
opzettelijk gebruik heeft gemaakt als ware die echt en onvervalst,
door voornoemde opgaven, met daarin valselijk en in strijd met de waarheid visreizen opgegeven met de [naam vaartuig 1] ( [naam vaartuig 1] ), terwijl dat schip die visreizen niet had gemaakt, (digitaal) op te sturen naar de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5.De strafbaarheid van de feiten
5.1.
Standpunt van de verdediging
De verdediging stelt dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat artikel 225 SrPro, waarop de tenlastelegging is toegesneden, buiten toepassing moet worden verklaard. De verdediging stelt dat de artikelen 104a en 141 van Uitvoeringsregeling gezien moeten worden als een geprivilegieerde logische specialis, subsidiair als een systematische specialis van artikel 225 SrPro, de generalis. De verdediging stelt dat bij de bepalingen uit de Uitvoeringsregeling sprake is van een bijzondere vorm van valsheid in geschrift, namelijk valsheid in geschrift van specifieke gegevens. Door het vervolgen voor de generalis wordt verdachte benadeeld, omdat het overtreden van de bepalingen van de Uitvoeringsregeling geen misdrijf, maar een overtreding met een lagere strafbedreiging opleveren.
5.2.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt dat geen sprake is van een specialis-verhouding, omdat beide bepalingen verschillende belangen dienen.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een generalis-specialisverhouding.
Voor een (geprivilegieerde) logische specialis is vereist dat de specialis alle bestanddelen van de generalis bevat en daarnaast nog één of meer bijzondere bestandsdelen. Daarvan is geen sprake, in het bijzonder ontbreekt in de bijzondere bepaling een bestandsdeel dat opzet impliceert.
Als geen sprake is van een logische specialis kan sprake zijn van een systematische specialis. Dat daarvan sprake is moet worden opgemaakt uit de bedoeling van de wetgever, bijvoorbeeld door aanwijzingen in de wetgeschiedenis, samenhang van de betreffende strafbepalingen of de materieelrechtelijke kwalificatie van de delicten. De wetgeschiedenis van de Uitvoeringsregeling geeft echter geen aanwijzingen dat de wetgever een specialis-verhouding heeft beoogd ten opzichte van valsheid in geschrift. Daarnaast is het doel van beide regelingen anders. Het doel van de Uitvoeringsregeling is met name het monitoren van de visstand, terwijl de strafbaarstelling van valsheid in geschrift in het bijzonder het vertrouwen van burgers (en overheid) in de juistheid van geschriften beschermt.
Het verweer van de verdediging wordt dan ook verworpen. De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6.De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7.Motivering van de straffen en maatregelen
7.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 25.000,-, waarvan € 15.000,-voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar.
Bij het bepalen van de hoogte van zijn strafeis heeft de officier van justitie er rekening mee gehouden dat hij in de ontneming ten aanzien van zaak A het wederrechtelijk verkregen voordeel van in totaal ruim € 83.000,- terugvordert.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht een geheel voorwaardelijke geldboete op te leggen. De verdediging heeft daarbij verzocht om in de strafmaat rekening te houden met een vormverzuim, omdat voorafgaand aan de verkrijging van een bevel tot stelselmatige observatie al stelselmatig is geobserveerd. Daarnaast heeft de verdediging verzocht rekening te houden met de beperkte strafwaardigheid van het feit, omdat slechts sprake is van een administratieve slordigheid. Tot slot heeft de verdediging verzocht rekening te houden met de moeilijke economische omstandigheden in de visserijbranche.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
Geen strafvermindering voor vormverzuim
De veronderstelde stelselmatige observatie ziet erop dat in de periode van 24 mei 2022 tot en met 8 juni 2022 gekeken is bij de bekende ligplaats op de wal van de [naam vaartuig 1] , in totaal vijftien keer in de genoemde periode. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat door het vijftien keer bij de locatie van een boot kijken de persoonlijke levenssfeer van de maatschap is geschonden waardoor zij nadeel zou hebben geleden. Voor enige vorm van compensatie bestaat dan ook geen aanleiding en dus ook niet voor strafvermindering.
Strafwaardigheid van het feit
De officier van justitie en de verdediging verschillen sterk van mening over de context van de zaak en het eigenlijke verwijt dat aan de maatschap wordt gemaakt. De rechtbank zal in het kader van de strafwaardigheid van het feit daarop ingaan.
De verdediging stelt dat is gevist met de oorspronkelijke bijboot van de [naam vaartuig 1] en het enkele verwijt dat verdachte gemaakt kan worden is dat die bijboot pas in een zeer laat stadium (namelijk in 2024) als de nieuwe [naam vaartuig 1] is geregistreerd. Als dat voorafgaand aan de eerste verweten visreis was gebeurd, was de maatschap geen verwijt te maken.
Volgens de officier van justitie zijn de visreizen op de [naam vaartuig 1] doorgegeven om zeebaars die was gevangen met een ander vaartuig, de [naam vaartuig 2] die de maten van verdachte via [naam bedrijf] B.V. exploiteren, , te kunnen registreren als vangst van de [naam vaartuig 1] . De zeebaars die met de [naam vaartuig 2] werd gevangen en boven het maximum van haar zeebaarsmachtiging uitkwam, had volgens de regels teruggezet moeten worden en kon dus niet verkocht worden. De [naam vaartuig 2] beschikte namelijk over een (beperkte) machtiging voor de onvermijdelijke bijvangst van zeebaars tijdens het vissen met staand want, terwijl de [naam vaartuig 1] een ruimere machtiging had voor het vangen van zeebaars met handlijn en/of hengelsnoer.
De rechtbank gaat op basis van het dossier en de behandeling op de terechtzitting mee in visie van de officier van justitie en gaat ervan uit dat de op de [naam vaartuig 1] weggeschreven zeebaars in werkelijkheid vangst van de [naam vaartuig 2] betrof. Daarvoor is van belang dat de lezing van verdachte niet is onderbouwd en daarvoor in het dossier verder ook geen aanwijzingen voorhanden zijn.
Voor de lezing van de officier van justitie bevat het dossier wel aanwijzingen. Zo is tijdens de visreis van 11 tot en met 16 september 2023 twee keer per dag gekeken of de bijboot lag afgemeerd bij de Noordervoorhaven van de sluis van Hansweert, wat steeds het geval was. De stelling van de verdediging dat deze boot precies op tijdstippen is gebruikt waarop niet is gecontroleerd, acht de rechtbank ongeloofwaardig. Deze waarnemingen bevestigen ook de anonieme meldingen in het dossier dat met de [naam vaartuig 2] grote hoeveelheden zeebaars worden gevangen. Van die visreizen hebben verbalisanten vastgesteld dat geen grote zeebaars-vangsten geregistreerd zijn op de [naam vaartuig 2] , maar wel op de (kapotte) [naam vaartuig 1] .
De rechtbank zal hiermee rekening houden in de strafmaat.
Strafmaat
De rechtbank legt aan verdachte een geheel voorwaardelijke geldboete op van € 25.000,-. Daarvoor is het volgende van belang.
Verdachte heeft gedurende een langere periode niet gemaakte visreizen door de [naam vaartuig 1] doorgegeven aan de RVO en heeft vervolgens zeebaarsvangsten van de [naam vaartuig 2] op de ten onrechte geregistreerde visreizen weggeschreven. Verdachte is zo in staat geweest om zeebaars die door de [naam vaartuig 2] gevangen is alsnog te verkopen, terwijl die volgens de vismachtiging voor zeebaars van de [naam vaartuig 2] niet verkocht kon worden. Daarmee is sprake van sterk financieel gedreven delicten. Dat verdachte de (opgetelde) totaalquota van de [naam vaartuig 1] en [naam vaartuig 2] niet heeft overschreden doet aan die conclusie niet af.
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank, net als de officier van justitie, ermee rekening dat ook sprake is van een ontnemingsprocedure waarin de rechtbank een betalingsverplichting voor het wederrechtelijk verkregen voordeel aan verdachte oplegt. Gelet daarop is voor de rechtbank het voornaamste doel van de op te leggen straf om verdachte er in de toekomst van te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een onvoorwaardelijk strafdeel in aanvulling op de ontnemingsmaatregel. Gelet daarop zal de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straf geheel voorwaardelijk aan verdachte opleggen.
8.Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23 (oud), 51, 57 en 225 Sr.
9.Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Zaak A en zaak B, telkens:
opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd
Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 25.000,-(vijfentwintigduizend euro).
Bepaalt dat deze geldboete niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.M.R. Vastenburg, voorzitter,
mrs. M. Smit en M. Nieuwenhuijs, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C. Wolswinkel, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 februari 2026.
[...]
Voetnoten
1.Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan de zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste (document)nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. De met DOC aangeduide bewijsmiddelen zijn, tenzij anders vermeld, geschriften.
2.DOC 3001, p. 143 (zaak A).
3.DOC 7002, p. 182 (zaak A)
4.DOC 9001, p. 188 (zaak A).
5.Bijlage 9, p. 71 (zaak B; een geschrift).
6.Bijlage 13, p. 89 (zaak B; een geschrift).
7.Proces-verbaal, p. 4 (zaak A).
8.Verklaring van de vertegenwoordiger van verdachte, [persoon 3] , op de zitting van 5 februari 2026.