ECLI:NL:RBAMS:2026:1809

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
764620
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:106 BWArt. 6:119 BWArt. 32 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot vervanging houten vloer wegens geluidsoverlast in appartementsrecht toegewezen

De rechtbank Amsterdam behandelde een civiele zaak waarin de onderbuurvrouw vorderde dat de bovenburen hun houten vloer zouden vervangen vanwege geluidsoverlast. De vloer voldeed niet aan het Modelreglement, dat parketvloeren verbiedt tenzij aan specifieke voorwaarden wordt voldaan. De bovenburen beriepen zich op een uitzonderingsclausule, maar dit werd verworpen omdat de vloer na de splitsing in 2010 in 2013 was vernieuwd.

Akoestisch onderzoek door Geluidconsult bevestigde ernstige geluidshinder, met overschrijdingen tot 14 decibel boven de norm. De rechtbank oordeelde dat de vloer onvoldoende geluid isoleert en dat de bovenburen niet hadden aangetoond dat de vloer aan de vereiste normen voldeed. De vordering tot vervanging van de vloer werd daarom toegewezen met een redelijke termijn van twee maanden en een dwangsom bij niet-nakoming.

De rechtbank kende vergoeding toe voor de kosten van het aantonen van de geluidsoverlast, maar wees de immateriële schadevergoeding af wegens onvoldoende onderbouwing. Tevens werd verwezen naar een schadestaatprocedure voor overige schadeposten. De tegenvordering van de bovenburen tot vervanging van de vloer van de onderbuurvrouw werd afgewezen wegens gebrek aan belang. De proceskosten werden aan de bovenburen opgelegd.

In een aanvullend vonnis werd een kennelijke fout hersteld door een verwijzing naar de schadestaatprocedure expliciet in het dictum op te nemen. De uitspraak werd gedaan door rechter S.A.M. Groot en griffier N.T. Weessies op 28 januari 2026 en aangevuld op 18 februari 2026.

Uitkomst: Bovenburen worden veroordeeld tot vervanging van houten vloer binnen twee maanden wegens ontoelaatbare geluidsoverlast.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/764620 / HA ZA 25-453
Vonnis van 28 januari 2026
in de zaak van
[eiseres],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
gedaagde partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. A. van Dorsten,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

2.
[gedaagde 2],
beiden wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in voorwaardelijke reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. R.R. Beuker.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van [eiseres] van 4 februari 2025,
- de conclusie van antwoord tevens voorwaardelijke eis in reconventie van [gedaagden] van 2 april 2025,
- het tussenvonnis van 2 juli 2025 waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte overlegging producties tevens eiswijziging van [eiseres] ,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 1 augustus 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiseres] is sinds 2015 eigenaar van het appartementsrecht [adres 1] . [gedaagden] zijn vanaf 31 mei 2023 eigenaren van het appartement daarboven op [adres 2] . Zij wonen daar met hun dochter, die ten tijde van de mondelinge behandeling in deze zaak vijf jaar is.
2.2.
Het pand aan de [locatie] is in 1886 gebouwd en op 31 maart 2010 bij akte opgesplitst in drie appartementsrechten. Er is een vereniging van eigenaars (VvE) voor de drie appartementen.
2.3.
In de splitsingsakte is het Modelreglement uit 2006 (hierna: het Modelreglement) van toepassing verklaard. Artikel 26 van Pro het Modelreglement luidt als volgt:

1. De vloerbedekking van de privé gedeelten dient van een zodanige samenstelling te zijn dat contactgeluiden zo veel mogelijk worden tegengegaan. Met name is het niet toegestaan parket of stenen vloeren aan te brengen, tenzij dit geschiedt met inachtneming van normen die bij huishoudelijk reglement of door de vergadering zijn vastgesteld en zodanig dat geen onredelijke hinder kan ontstaan voor de overige eigenaars en/of gebruikers.
(…)
3. Bestaande situaties ten tijde van de splitsing dienen te worden geduld.”
2.4.
De in lid 1 genoemde normen zijn niet bij huishoudelijk reglement of de vergadering vastgesteld.
2.5.
In 2013 heeft de voormalige eigenaar van het appartement op [adres 2] een nieuwe houten vloer in het appartement laten plaatsen.
2.6.
Kort na de verhuizing van [gedaagden] heeft [eiseres] aan hen gemeld dat zij overlast ervaarde, met name door het rennen, springen en bonken door de dochter van [gedaagden] In de daaropvolgende maanden is hier tussen partijen meermaals contact over geweest. Op 22 februari 2024 heeft er een bemiddelingsgesprek plaatsgevonden tussen partijen begeleid door BeterBuren. In dit bemiddelingsgesprek hebben [eiseres] en [gedaagden] afgesproken samen te kijken naar technische oplossingen in de woning van [gedaagden] Kort daarna heeft [gedaagden] aan [eiseres] laten weten hiervan af te zien.
2.7.
Op 7 maart 2024 heeft [eiseres] een akoestisch onderzoek door KGI Groep laten uitvoeren naar de door [eiseres] ervaren geluidsoverlast. KGI Groep heeft na onderzoek, verricht vanuit de woning van [eiseres] , het volgende geconcludeerd:

Aan de hand van opname en waarnemingen ter plaatse en voorliggende berekeningen is het aannemelijk om tot de conclusie te komen dat de ondervloer bij [adres 2] niet goed gelegd is of dat er een verkeerde ondervloer gebruikt is. Echter, het is niet 100% mogelijk om tot een objectieve beoordeling van de geluidsisolatie waarde van de desbetreffende vloer te komen vanuit [adres 1] . We adviseren daarom een vervolgonderzoek bij [adres 2] zodat een verder uitgewerkt advies gedaan kan worden hoe de geluidshinder beperkt kan worden.
Bij het vervolgonderzoek kunnen we de desbetreffende vloer van [adres 2] toetsen op de juiste akoestische waarde en montagevoorschriften.”
2.8.
Op 16 mei 2024 heeft [eiseres] [gedaagden] gesommeerd om de vloer van de woning aan te passen. [eiseres] heeft aangeboden om de helft van de kosten daarvoor te voldoen, mits [gedaagden] de helft van de tot dan toe aan de zijde van [eiseres] gemaakte kosten zou betalen.
2.9.
Gedurende de periode van 27 augustus 2024 tot en met 6 september 2024 heeft [eiseres] door Geluidconsult B.V. (hierna: Geluidconsult) een akoestisch onderzoek naar de ervaren overlast laten uitvoeren. Hierbij heeft Geluidconsult de volgende normen toegepast:
2.10.
Geluidconsult heeft 112 geluidopnamen gemaakt en deze als volgt samengevat:
2.11.
Geluidconsult heeft de meetresultaten als volgt geanalyseerd en beoordeeld:
“De klachten over rennen en stampen van de kinderen van de buren worden bevestigd. Dit is 61 maal gemeten met een hoogste overschrijding van 19 decibel
De klachten over stampen van volwassenen worden bevestigd. Het is 12 maal gemeten met een hoogste overschrijding van 10 decibel
De klachten over slaande deuren worden bevestigd. Dit is 9 maal gemeten met een hoogste overschrijding van 8 decibel
Daarnaast zijn nog 9 maal geluidpieken van de buren gemeten waarvan de soort en oorzaak onbekend is. De hoogste overschrijding bedroeg 8 decibel.
Alle pieken tezamen hebben een representatief beoordelingsniveau van 69 decibel. Dat ligt 14 decibel boven de grenswaarde. Dat valt in burenlawaaiklasse 3 van max 3 met omschrijving: meermalen ontoelaatbaar veel geluidhinder.
(…)
Doordat het gebouw, met name de vloer erg gehorig is moet van de 14 decibel overschrijding 5 decibel worden getolereerd. Dat maakt de hinder niet minder erg, maar vraagt wel incasseringsvermogen van de gehinderde bewoner.
(…)
Eindbeoordeling
Burenlawaaiklasse 3A van 3 Buren veroorzaken dagelijks ontoelaatbaar veel geluidhinder met een overschrijding van 14 decibel. De klager moet daarvan 5 decibel tolereren wegens gehorige bouwwijze van vloer/plafond constructie”
2.12.
Geluidconsult adviseert als maatregelen om binnenshuis pantoffels of schoenen met dikke verende zolen te dragen. Daarnaast wordt aanbevolen om na te gaan of de ondervloer van [gedaagden] van voldoende kwaliteit is zoals een ondervloer van 10 dB NSG certificaat en speelmatten van 1,5 cm dik kunststof schuimplaat te plaatsen op plekken waar veel gespeeld wordt. Verder kan volgens Geluidconsult de isolatie verbeterd worden door
het aanbrengen van 2 x 10 mm cementgebonden houtvezelplaten.
2.13.
Op 1 november 2024 berichten [gedaagden] per e-mail aan [eiseres] dat zij extra tapijten met schuimmatten eronder hebben geplaatst, dat het hele gezin zoveel als mogelijk pantoffels draagt en dat zij hun dochter aanmoedigen om minder luid te spelen. Na de aanpassingen heeft [eiseres] herhaaldelijk geluidsoverlast gemeld.
2.14.
Op 23 maart 2025 heeft Bewijsrapportage in opdracht van [gedaagden] een Notitie Geluidsonderzoek opgesteld, waarin de “
juistheid en de betrouwbaarheid” van het rapport van Geluidconsult is beoordeeld. Bewijsrapportage heeft geconcludeerd dat het rapport niet representatief is door de meetperiode in de zomervakantie en dat het rapport niet objectief is doordat de geluidsopnames niet kunnen worden gevalideerd. Geluidconsult heeft daarna middels twee notities inhoudelijk en puntsgewijs gereageerd op de bezwaren van [gedaagden] tegen het geluidsonderzoek en op het rapport van Bewijsrapportage.

3.Het geschil

De vorderingen van [eiseres] (conventie)
3.1.
[eiseres] vordert – samengevat – na vermeerdering van eis om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
Primair
1. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen om binnen 14 dagen de huidige vloer te verwijderen op straffe van een dwangsom van € 500 per dag met een maximum van € 50.000,
2. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen om binnen 14 dagen een nieuwe ondervloer en/of nieuwe vloer te plaatsen die van zodanige samenstelling is dat contactgeluiden zo veel mogelijk worden tegengegaan op straffe van een gelijke dwangsom,
Subsidiair
3. [gedaagden] hoofdelijk te verbieden om de geluidswaarden van onderstaande tabel te overschrijden op straffe van een dwangsom:
Beschrijving
07:00-23:00
19:00-23:00
23:00-07:00
LAeq in woon of slaapkamer
35
30
25
LAeq op de gevel van de woning, woonwijk in de stad
50
45
40
LAeq op de gevel, rustige woonwijk
45
40
35
LAeq op de gevel, landelijke omgeving
40
35
30
Primair en subsidiair
4. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 50,00 per dag vanaf 1 juni 2023 totdat aan de veroordeling onder punt 1,2 en /of 3 is voldaan,
5. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding nader op te maken bij staat,
6. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van:
- € 2.117,50 voor de kosten van Geluidconsult d.d. 18 oktober 24,
- € 1.207,58 voor de kosten KGI Groep,
- € 817,50 voor de [naam schildersbedrijf] ,
- € 328,00 voor de aanschaf van een koptelefoon,
- € 1.452,00 voor de kosten van Geluidsconsult d.d. 1 mei 2025,
alle bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente,
7. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
[eiseres] legt aan de vorderingen ten grondslag dat zij onredelijke of onrechtmatige hinder in de vorm van geluidsoverlast ondervindt door geluidsoverlast afkomstig van [gedaagden] De geluidsoverlast wordt volgens [eiseres] veroorzaakt doordat in de woning van [gedaagden] in strijd met de splitsingsakte een parketvloer ligt die onvoldoende geluid isoleert. Dat er sprake is van ontoelaatbare geluidsoverlast volgt uit de rapportages van Geluidconsult. Naast vervanging van de vloer, moet [gedaagden] ook de kosten die [eiseres] hieromtrent heeft gemaakt vergoeden en een schadevergoeding betalen voor het verminderde woongenot.
3.3.
[gedaagden] voeren verweer. [gedaagden] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.
De voorwaardelijke tegenvordering van [gedaagden] (reconventie)
3.4.
In het geval dat [gedaagden] worden veroordeeld tot verwijdering en vervanging van hun vloer, vorderen zij dat [eiseres] daartoe ook wordt veroordeeld onder dezelfde voorwaarden als [gedaagden] Zij heeft immers eveneens een houten vloer, aldus [gedaagden]
3.5.
[eiseres] vindt dat de tegenvordering van [gedaagden] moet worden afgewezen wegens gebrek aan belang. [gedaagden] hebben namelijk geen overlast ervaren door de vloer van [eiseres] . Bovendien voldoet de vloer aan de vereisten, omdat deze zwevend is gelegd, aldus [eiseres] .
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

De vorderingen van [eiseres] (conventie)
4.1.
De kernvraag van het geschil is of de parketvloer in de woning van [gedaagden] zoveel geluid doorlaat en daarmee geluidsoverlast veroorzaakt en kan veroorzaken bij [eiseres] dat zij die moeten aanpassen in overeenstemming met de bepalingen daaromtrent in het Modelreglement. De rechtbank komt tot het oordeel dat dit het geval is en dat [gedaagden] hun vloer en/of ondervloer moeten vervangen. Dit zal hieronder worden toegelicht.
toetsingskader
4.2.
Primair beroept [eiseres] zich op schending van artikel 26 lid 1 van Pro het Modelreglement waarin is bepaald dat de vloer van een zodanige samenstelling moet zijn dat contactgeluiden zo veel mogelijk worden tegengegaan. Het is het niet is toegestaan om een parketvloer aan te brengen, tenzij (i) hierbij normen die bij huishoudelijk reglement of door de vergadering zijn vastgesteld in acht zijn genomen en (ii) de vloeren zodanig zijn dat geen onredelijke hinder kan ontstaan bij de andere eigenaren (zie 2.3). Lid 3 bepaalt dat bestaande situaties ten tijde van de splitsing in 2010 moeten worden geduld.
4.3.
[eiseres] en [gedaagden] zijn het er over eens dat de vloer in het appartement een parketvloer is in de zin van artikel 26 lid 1 van Pro het Modelreglement. [gedaagden] voeren aan dat hun vloer ondanks het verbod in lid 1 toegestaan is, vanwege de uitzonderingsbepaling van lid 3, omdat in hun appartement net als ten tijde van de splitsing een houten parketvloer ligt. Dit verweer slaagt niet. Vast staat immers dat in 2013, dus enkele jaren na de splitsing, een nieuwe vloer in de woning van [gedaagden] is geplaatst. Dit betekent dat daarmee de “
bestaande situatie ten tijde van de splitsing” zoals bepaald in lid 3 is opgeheven en een nieuwe situatie is ontstaan. Dat er opnieuw een houten vloer is geplaatst maakt dat niet anders. Dit betekent dat de uitzondering van artikel 26 lid 3 van Pro het Modelreglement niet van toepassing is en de vloer moet voldoen aan het in lid 1 bepaalde.
4.4.
Zoals hiervoor weergegeven is in lid 1 van artikel 26 van Pro het Modelreglement expliciet bepaald dat parket of stenen vloeren niet zijn toegestaan. Dergelijke vloeren zijn slechts toegestaan als voldaan is aan de twee hiervoor onder 4.2. weergegeven voorwaarden. Ten aanzien van de voorwaarde onder (i) staat vast dat er geen normen zijn vastgesteld door de vergadering of bij huishoudelijk reglement. Wat onder het begrip “onredelijke hinder” in de voorwaarde onder (ii) moet worden verstaan is niet in het splitsingsreglement gespecificeerd en evenmin heeft de VvE bij huishoudelijk reglement of een vergaderbesluit nader invulling gegeven aan dit begrip.
parketvloer is (in beginsel) niet toegestaan wegens onredelijke hinder
4.5.
[eiseres] beroept zich voor de onderbouwing van haar standpunt dat de parketvloer niet is toegestaan en dat er sprake is van onredelijke hinder (door deze vloer) op de rapportages van Geluidconsult. Geluidconsult heeft voor de beoordeling de normen gehanteerd die zijn neergelegd in de Handleiding meten en rekenen Burenlawaai 2007 (de Handleiding) (zie 2.9) en geconcludeerd dat er dagelijks sprake is van ontoelaatbaar veel geluidhinder (zie 2.11).
4.6.
[gedaagden] hebben dit rapport ter beoordeling voorgelegd aan Bewijsrapportage. Volgens [gedaagden] blijkt uit de notitie van Bewijsrapportage dat het onderzoek door Geluidconsult niet zorgvuldig is geweest en de conclusie onbetrouwbaar is. Zo is de meetperiode niet representatief, doordat Geluidconsult heeft gemeten in de zomerperiode. Dit is een periode waar hun dochter bovengemiddeld veel thuis is. Die periode hebben [gedaagden] hun dochter ook minder begrensd, omdat zij wisten dat [eiseres] niet thuis was. Daarnaast zijn de meetresultaten niet te valideren zonder geluidsfragmenten, zijn de straffactoren willekeurig toegepast, is er slechts sprake van sporadische en zeer beperkte geluidsoverschrijding en worden leefgeluiden mogelijk als hinderlijk ervaren door de constructie van het gebouw en niet door de (normale) gedragingen van de bewoners. [gedaagden] hebben ter zitting op vragen van de rechter beaamd dat Bewijsrapportage in haar notitie heeft vermeld dat zij geen opmerkingen heeft over de gehanteerde normwaarden voor burenlawaai en bevestigd dat die tabel als norm kan worden aangehouden.
4.7.
In reactie op deze notitie heeft Geluidconsult nader gerapporteerd en heeft [eiseres] ter zitting op basis hiervan nader toegelicht dat slechts 19,5% van de gemeten uren in de vakantie vallen, de grootste overschrijdingen zijn gemeten in de avonduren, dus buiten de schooluren, dat de overlast niet wordt veroorzaakt door het gebouw en dat het niet om hoorbare leefgeluiden gaat, maar om ernstige geluidshinder als bonken, rennen, dreunen en gillen die de grenswaarden met vaak 10 decibel overschrijden. Daarnaast heeft [eiseres] toegelicht dat de trillingswaarden aan het plafond zijn gemeten, deze gecombineerd met de geluidsopnamen zijn geregistreerd en heeft zij uitgelegd hoe de straffactoren zijn toegepast. Uit deze registraties blijkt volgens haar dat van de 110 metingen 91 maal sprake is van een overschrijding van 14 decibel en daarmee sprake is van Burenlawaaiklasse 3, hetgeen inhoudt dagelijks ontoelaatbaar veel geluidshinder.
4.8.
De rechtbank is van oordeel dat [eiseres] met de zeer uitvoerige rapportages van Geluidconsult en haar toelichting daarop voldoende heeft onderbouwd dat er sprake is van onredelijke geluidshinder vanuit de woning van [gedaagden] Dat daarbij ten dele in de vakantie is gemeten, of de dochter minder is begrensd, doet daar niet aan af, omdat ook in de vakantie en weekenden onredelijke hinder niet is toegestaan en de vloer gezien de meetresultaten kennelijk onvoldoende geluidsisolatie bevat. Dit betekent dat [eiseres] voldoende heeft onderbouwd dat het gaat om een parketvloer waardoor onredelijke hinder kan ontstaan voor de overige eigenaars en die in beginsel niet is toegestaan op grond van artikel 26 van Pro het Modelreglement.
beroep op tenzij-clausule artikel 26 lid 1 Modelreglement Pro slaagt niet
4.9.
[gedaagden] voeren aan dat desondanks de parketvloer is toegestaan, omdat de vloer volgens de voormalige eigenaar en de aannemer die de vloer heeft gelegd voldoende is geïsoleerd met een ondervloer van groene platen. Bovendien hebben [gedaagden] matten en tapijten in de woonkamer en slaapkamer gelegd voor extra geluidsisolatie.
4.10.
Nu [gedaagden] zich op deze uitzonderingsclausule beroepen is het aan [gedaagden] om te stellen en te bewijzen dat de parketvloer van een zodanige samenstelling is dat contactgeluiden zoveel mogelijk worden tegengegaan en zodanig is aangebracht dat geen onredelijke geluidshinder kan ontstaan voor de andere eigenaars. Daarin zijn [gedaagden] niet geslaagd. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
4.11.
In het bemiddelingsgesprek met BeterBuren op 22 februari 2024 hebben partijen afgesproken samen te kijken naar de technische oplossingen aan de vloer in de woning van [gedaagden] [eiseres] heeft daarop een voorstel gedaan voor het inschakelen van technisch advies, waar [gedaagden] in eerste instantie mee instemden, maar enkele dagen later toch van hebben afgezien. Desondanks heeft [eiseres] het technisch onderzoek doorgezet, met dien verstande dat dit onderzoek zonder de toestemming van [gedaagden] slechts in de woning van [eiseres] kon plaatsvinden. Op basis van dit onderzoek door KGI Groep (zie 2.7) werd geconcludeerd dat het aannemelijk is dat de ondervloer in de woning van [gedaagden] niet goed gelegd is of dat er een verkeerde ondervloer is gebruikt. KGI Groep heeft een vervolgonderzoek geadviseerd in de woning van [gedaagden] om de geluidsisolatiewaarde vast te stellen. Deze conclusie sluit aan bij de door Geluidconsult geadviseerde maatregelen om de geluidhinder tegen te gaan (zie 2.12).
4.12.
Ondanks de conclusies in de rapportages van Geluidconsult en KGI Groep over de vloer van [gedaagden] , hebben zij hun stelling dat er afdoende isolatiemaatregelen zijn getroffen om onredelijke hinder te voorkomen niet onderbouwd. Zo ontbreken technische specificaties van de isolatiewaarden en eigenschappen van de aangebrachte vloer en ondervloer en van de door [gedaagden] aangebrachte matten en tapijten. Dit betekent dat niet is komen vast te staan dat de parketvloer zodanig is aangebracht dat geen onredelijke hinder kan ontstaan voor de overige eigenaars en dat de huidige parketvloer, bestaande uit de vloer en ondervloer, als zodanig niet is toegestaan.
conclusie
4.13.
Vorenstaande leidt tot de conclusie dat [gedaagden] de bestaande vloer zal moeten vervangen door een vloer die voldoet aan het bepaalde in artikel 26 van Pro het Modelreglement. Nu de VvE daartoe geen normen heeft bepaald, zal de rechtbank aansluiting zoeken bij de gelijkluidende standpunten die partijen daarover hebben ingenomen. [gedaagden] hebben tijdens de zitting bevestigd dat de tabel “normwaarden maximum geluidsniveaus tengevolge van burenlawaai” (zie 2.9) en de door Geluidconsult genoemde isolatiewaarde van 10 decibel als uitgangspunt dienen te gelden. De rechtbank bepaalt daarom dat de door [gedaagden] (op)nieuw aan te leggen vloer en/of ondervloer aan die normen dient te voldoen.
4.14.
De door eiser gevorderde termijn van veertien dagen acht de rechtbank evenals [gedaagden] te kort om de vloer te kunnen (laten) vervangen. Een termijn van twee maanden na betekening van dit vonnis komt de rechtbank redelijk voor.
4.15.
De rechtbank ziet aanleiding om aan nakoming van de veroordeling een dwangsom te verbinden vanwege het volgende. Begin 2024 heeft er een bemiddelingsgesprek plaatsgevonden, waarbij [gedaagden] heeft toegezegd mee te werken aan een technisch onderzoek naar hun parketvloer. Daar zijn zij op teruggekomen. Daarna heeft [eiseres] diverse onderzoeken laten doen om te onderbouwen dat er daadwerkelijk sprake is geluidshinder door de parketvloer en heeft zij zelfs aangeboden te delen in de kosten van een nieuwe vloer. Desondanks heeft [gedaagden] geen technisch onderzoek of technische aanpassingen aan de parketvloer willen doen. Aangezien dit geschil inmiddels jaren voortsleept, ziet de rechtbank belang in het opleggen van een dwangsom om [gedaagden] aan te sporen tijdig aan de veroordeling te voldoen. De dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd als in de beslissing vermeld.
gevorderde materiële schadevergoeding
4.16.
[eiseres] vordert verder vergoeding van de kosten die zij heeft moeten maken voor het aantonen van de geluidsoverlast, bestaande uit de kosten voor Geluidconsulent van € 2.117,50 inclusief btw (€ 1.750 exclusief btw) en € 1.452 inclusief btw (€ 1.200 exclusief btw), de kosten voor KGI Groep van € 1.207,58, de kosten voor [naam schildersbedrijf] van € 817,50. Ook vordert zij de kosten voor de aanschaf van een noise cancelling koptelefoon à € 328.
4.17.
Nu vaststaat dat de parketvloer van [gedaagden] niet is toegestaan op grond van het Modelreglement acht de rechtbank de kosten die [eiseres] vordert voor het aantonen van de geluidsoverlast in beginsel toewijsbaar. Dit betreft de kosten voor Geluidconsulent en KGI Groep. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze in redelijkheid gemaakt om aan te tonen dat de parketvloer niet toegestaan is en [gedaagden] daarmee overlast veroorzaken. De kosten vinden daarmee hun grondslag in artikel 6:96 lid 2 BW Pro. Ten aanzien van de kosten voor Geluidconsulent zal de rechtbank het bedrag exclusief BTW toewijzen, nu [eiseres] deze facturen op naam van haar bedrijf heeft laten zetten, kennelijk met de bedoeling de btw terug te krijgen. Dit betekent dat een bedrag van € 4.157,58 (€ 1.750 + € 1.200 + € 1.207,58) zal worden toegewezen. Voor de overige schadeposten heeft [eiseres] onvoldoende onderbouwd op grond van welke wettelijke verplichting [gedaagden] tot vergoeding verplicht zijn. Daarom zullen die worden afgewezen.
gevorderde immateriële schadevergoeding
4.18.
[eiseres] vordert immateriële schadevergoeding ter hoogte van € 50,00 per dag vanaf 1 juni 2023 totdat er een nieuwe vloer is geplaatst. [eiseres] heeft hiertoe aangevoerd dat er sprake is van derving van woongenot door de geluidshinder vanuit het huis van [gedaagden] Volgens [eiseres] heeft zij moeten verhuizen door de overlast en heeft de geluidshinder ernstige gevolgen gehad voor haar privésituatie.
4.19.
Voor vergoeding van immateriële schade is noodzakelijk dat aan de strenge maatstaven van artikel 6:106 BW Pro wordt voldaan. In dit artikel is bepaald dat voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, de benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien (onder meer) de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen of de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad dan wel op andere wijze in zijn persoon is aangetast. [eiseres] heeft onvoldoende gesteld om vast te kunnen stellen dat hier sprake van is. Dit deel van de vordering zal daarom worden afgewezen.
verwijzing naar de schadestaatprocedure
4.20.
Voorts vordert [eiseres] verwijzing naar de schadestaatprocedure wat betreft de gestelde gederfde huurinkomsten uit de recreatiewoning, kosten verband houdend met een dubbele verhuizing, alsmede kosten voor werken buitenshuis en het noodgedwongen buitenshuis moeten eten.
4.21.
Voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is voldoende dat [eiseres] de mogelijkheid dat schade is geleden aannemelijk heeft gemaakt. [1] Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiseres] voldoende gesteld voor toewijzing van deze vordering. In de schadestaatprocedure zullen dan onder meer de grondslag, de hoogte van de schade en de causaliteit aan de orde komen.
proceskosten in conventie
4.22.
[gedaagden] zijn wat betreft de kern van deze zaak in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
144,47
- griffierecht
1.374,00
- salaris gemachtigde
1.228,00
(2 punten × € 614,00)
- nakosten
278,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
3.023,47
De tegenvordering van [gedaagden] (reconventie)
[eiseres] hoeft haar (onder)vloer niet te vervangen
4.23.
De voorwaardelijke reconventionele vordering van [gedaagden] wordt afgewezen. [gedaagden] hebben namelijk ter onderbouwing van deze vordering slechts gesteld dat zij hier een belang bij hebben, omdat er anders geen gelijke behandeling is. Zij hebben niet gesteld dat zij geluidshinder hebben ondervonden als gevolg van de vloer van [eiseres] . De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat [gedaagden] onvoldoende belang hebben bij de vordering in reconventie.
proceskosten in reconventie worden gecompenseerd
4.24.
In reconventie worden de proceskosten begroot op nihil, omdat [eiseres] geen conclusie van antwoord in reconventie heeft ingediend en de vordering nauw samenhangt met de vordering in conventie.

5.De beslissing

De rechtbank
ten aanzien van de vordering van [eiseres] (conventie)
5.1.
veroordeelt [gedaagden] , ieder hoofdelijk, om binnen twee maanden na betekening van dit vonnis de vloer die zich bevindt in de woning staande en gelegen aan [adres 2] , te hebben vervangen door een ondervloer en/of vloer die van zodanige samenstelling is dat contactgeluiden zoveel mogelijk worden tegengegaan waarbij de uitgangspunten gelden zoals weergegeven onder 4.13,
5.2.
veroordeelt [gedaagden] , ieder hoofdelijk, aan [eiseres] een dwangsom te betalen van € 200,00 voor iedere dag dat zij niet aan de in 5.1 uitgesproken veroordeling voldoet, tot een maximum van € 30.000,00 is bereikt,
5.3.
veroordeelt [gedaagden] , ieder hoofdelijk, tot betaling aan [eiseres] van de kosten ter vaststelling van de aansprakelijkheid van € 4.157,58, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag met ingang van 4 februari 2025 tot de dag van volledige betaling,
5.4.
veroordeelt [gedaagden] , ieder hoofdelijk, in de proceskosten van € 3.023,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
verklaart dit vonnis tot hier uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af,
ten aanzien van de tegenvordering van [gedaagden] (reconventie)
5.7.
wijst de vorderingen van [gedaagden] af,
5.8.
veroordeelt [gedaagden] , ieder hoofdelijk, in de proceskosten, die aan de zijde van [eiseres] worden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.A.M. Groot, rechter, bijgestaan door mr. N.T. Weessies, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.
RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/764620 / HA ZA 25-453
Aanvullend vonnis van 18 februari 2026
in de zaak van
[eiseres],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
gedaagde partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. A. van Dorsten,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

2.
[gedaagde 2],
beiden wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in voorwaardelijke reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. R.R. Beuker.

6.Het verzoek tot aanvulling

6.1.
Op 30 januari 2026 heeft mr. A. van Dorsten namens [eiseres] de rechtbank verzocht het op 28 januari 2026 in deze zaak gewezen vonnis aan te vullen, door in het dictum een verwijzing naar de schadestaatprocedure toe te voegen.
6.2.
Op 5 februari 2026 heeft mr. Beuker namens [gedaagden] op het verzoek gereageerd. Volgens [gedaagden] zijn in rechtsoverweging 4.17 van het vonnis “
de overige schadeposten” afgewezen, waardoor er geen plaats is voor verwijzing naar de schadestaatprocedure. Als het dictum conform de wens van [eiseres] zou worden aangepast, dan zou dit in strijd zijn met rechtsoverweging 4.17. Er is geen sprake van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent, aldus [gedaagden]

7.De beoordeling

7.1.
Op grond van artikel 32 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vult de rechter te allen tijde op verzoek van een partij zijn vonnis aan als hij heeft verzuimd te beslissen over een onderdeel van het gevorderde.
7.2.
De rechtbank oordeelt dat in het vonnis van 28 januari 2026 is verzuimd te beslissen over het onderdeel van de vordering zoals mr. Van Dorsten op 30 januari 2026 heeft omschreven. Een redelijke uitleg van het vonnis brengt met zich dat de afgewezen posten die genoemd zijn onder het kopje “
overige schadeposten”, waar rechtsoverweging 4.17 naar verwijst, zien op de in 4.16 genoemde gevorderde kosten voor [naam schildersbedrijf] en de noise cancelling koptelefoon. De toewijzing van de verwijzing naar de schadestaatprocedure in 4.21, die onder een volgende kopje
“verwijzing naar de schadestaatprocedure”staat beschreven, ziet op de in 4.20 opgesomde gestelde kosten waarvoor verwijzing naar de schadestaatprocedure is gevorderd, namelijk: gederfde huurinkomsten uit de recreatiewoning, kosten verband houdend met een dubbele verhuizing, kosten voor werken buitenshuis en het noodgedwongen buitenshuis moeten eten. Dat het hier verschillende schadeposten betreft is mede door het gebruik van de verschillende kopjes helder en het ontbreken van de verwijzing naar de schadestaatprocedure in het dictum is daarmee een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent. De rechtbank wijst daarom het verzoek tot aanvulling van het vonnis als volgt toe.

8.De beslissing

De rechtbank
8.1.
bepaalt dat na de veroordeling onder randnummer 5.1 van het op 28 januari 2026 tussen partijen gewezen vonnis randnummer 5.2 als volgt komt te luiden, met dien verstande dat de verdere randnummering vanaf 5.3 overeenkomstig wordt voortgezet,
“veroordeelt [gedaagden] , ieder hoofdelijk, tot vergoeding van de door [eiseres] geleden schade als gevolg van de vloer van [gedaagden] , nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,”
8.2.
bepaalt dat deze aanvulling onder de vermelding van de datum 18 februari 2026 wordt vermeld op de minuut van het vonnis van 28 januari 2026,
8.3.
verzoekt de partij die de grosse heeft ontvangen, voor zover zij dit niet al heeft gedaan, de ontvangen grosse van het vonnis van 28 januari 2026 na ontvangst van deze aanvullende beslissing aan de griffie van de rechtbank terug te sturen.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.A.M. Groot, rechter, bijgestaand door mr. N.T. Weessies, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad 8 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7435.