Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:1777

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
AWB - 25 _ 695
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1 WhtArt. 9.1 WhtArt. 1 Bpb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herbeoordeling kinderopvangtoeslag na te late aanvraag en toepassing hardheidsclausule

Eiseres heeft zich in april 2024 gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om herbeoordeling van kinderopvangtoeslag over 2006-2009. Verweerder wees de aanvraag af wegens te late indiening, zonder voldoende bijzondere omstandigheden voor uitzondering.

Eiseres stelde dat haar cumulatie van gezondheidsproblemen, financiële en persoonlijke omstandigheden, en taalbarrière haar doenvermogen ernstig aantastten. Verweerder erkende de impact maar vond de ruime aanmeldtermijn voldoende en zag geen reden voor toepassing van de hardheidsclausule.

De rechtbank constateerde dat verweerder niet had gewezen op de mogelijkheid tot herbeoordeling en dat eiseres niet tijdig was geïnformeerd. De aanvraag was niet onredelijk laat na bekendwording van de regeling. De cumulatie van omstandigheden rechtvaardigde toepassing van de hardheidsclausule.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, herroept het primaire besluit en gelast verweerder binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Tevens werd verweerder veroordeeld tot betaling van €1.868 aan proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en beveelt toepassing van de hardheidsclausule met een nieuw besluit binnen zes weken.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/695

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. L. Kasteren)
en

de Dienst Toeslagen, verweerder

Procesverloop

Met een besluit van 1 juli 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag afgewezen.
Met een besluit van 24 december 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2026. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en haar dochter, [naam dochter] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door een gemachtigde.
Wat aan deze procedure voorafging
1. Eiseres heeft zich op 23 april 2024 bij verweerder gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2006 tot en met 2009.
2. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres met het primaire besluit afgewezen, omdat zij deze te laat heeft ingediend. Eiseres kon zich tot en met 2 januari 2024 aanmelden en zij heeft onvoldoende redenen gegeven om hierop een uitzondering te maken. Met het bestreden besluit is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
3. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en is daartegen in beroep gegaan bij de rechtbank.
Beoordelingskader
4. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiseres heeft mogen afwijzen, omdat zij deze aanvraag te laat heeft ingediend en er geen bijzondere omstandigheden zijn om alsnog de aanvraag in behandeling te nemen.
5. Vaststaat dat eiseres haar aanvraag te laat heeft ingediend.
6. Staan blijft wel dat ouders die zich in een bijzondere en schrijnende situatie bevinden waardoor het niet eerder mogelijk was zich aan te melden, kans moeten hebben hun zaak te laten beoordelen. [1] De mogelijkheid om af te wijken van de aanmeldtermijn volgt uit het feit dat artikel 6.1 van de Wht expliciet wordt vermeld in de hardheidsclausule van artikel 9.1 van de Wht.
7. Eiseres voert aan dat zij sinds vier jaar een hernia een heeft en dat zij sinds 2023 met prikken in het ziekenhuis wordt behandeld aan armklachten. Zij is in het verleden kortdurend opgenomen in het ziekenhuis omdat zij wegens onderliggende mentale klachten nadat zij te weinig had gegeten is flauwgevallen. Verder stelt eiseres dat zij is getroffen door de toeslagenaffaire. Zij is geconfronteerd met terugbetalingsverplichtingen omdat zij ten onrechte aangemerkt is als fraudeur. Dit had ernstige gevolgen voor haar financiële situatie en welzijn. Toen zij geld moest terugbetalen had eiseres al grote moeite om rond te komen en dit heeft geleid tot ernstige schulden. Eiseres heeft ongeveer 14 jaren geleden suïcidale neigingen gehad en de problemen hebben zelfs geleid tot een scheiding. Dit alles heeft impact gehad op haar gezin. Ook spreekt eiseres niet goed Nederlands. Zij was niet op de hoogte van de mogelijkheid om een aanvraag te doen en de daarvoor geldende termijn. Eiseres kijkt niet naar het nieuws vanwege de taalbarrière en omdat zij angst heeft voor de belastingdienst. Vanwege deze cumulatie van problemen is het doenvermogen van eiseres aangetast. Verweerder heeft haar cumulatie van problemen niet in onderlinge samenhang bezien. Daarom vindt zij strenge toepassing van de aanmeldtermijn onbillijk.
8. Verweerder erkent dat de problemen van eiseres ingrijpend zijn geweest en dat dit impact op haar leven moet hebben gehad. Gelet op de impact van de toeslagenaffaire heeft de wetgever echter bewust een ruime aanmeldtermijn gekozen, zodat ouders genoeg tijd en ruimte hadden om zich aan te melden. Financiële problemen alleen vormen volgens verweerder, hoe ingrijpend ook, dan ook niet een bijzondere omstandigheid die het verschoonbaar maakt dat de aanvraag niet op tijd is ingediend. Verweerder heeft zich verder gemotiveerd op het standpunt gesteld dat ook de overige door eiseres genoemde omstandigheden onvoldoende zijn om de hardheidsclausule toe te passen.
9. De rechtbank stelt voorop dat verweerder niet heeft betwist dat eiseres in het verleden kinderopvangtoeslag heeft ontvangen en dus bij verweerder in de systemen bekend was. Ook heeft verweerder de stelling van eiseres dat zij ten onrechte is aangemerkt als fraudeur en daarom is geconfronteerd met terugvorderingen niet betwist.
10. Naar ter zitting door verweerder desgevraagd is bevestigd heeft verweerder geen brief aan eiseres gestuurd, waarin zij gewezen is op de mogelijkheid van herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag. Dit terwijl verweerder in het bestreden besluit heeft gesteld dat ouders waarvan verweerder wist dat zij mogelijk gedupeerd zijn een brief hebben ontvangen.
11. Op de zitting heeft verweerders gemachtigde wel opgemerkt dat als eiseres die brief zou zijn gestuurd, het maar de vraag is of eiseres zou hebben verzocht om herbeoordeling. Dat is bij een antwoord op een als-vraag vaak het geval vanwege de feitelijke onzekerheid daaromtrent. Wat wel met zekerheid valt te zeggen is dat verweerder geen brief aan eiseres heeft gestuurd, terwijl het staand beleid is dat dit had gemoeten, eens te meer in het licht van het feit dat verweerder de (gemotiveerde) stelling van eiseres dat zij gedupeerde is van de toeslagenaffaire niet heeft betwist. Dat sprake is geweest van een beperkt doenvermogen en de daarbij door eiseres geschetste omstandigheden zijn door verweerder verder niet betwist.
12. De gemachtigde van verweerder heeft op de zitting wel gesteld dat eiseres in 2021 al op de hoogte was van de mogelijkheid om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag te vragen. Die stelling vindt echter geen aanknopingspunten in het dossier. Eiseres heeft tijdens de hoorzitting verklaard dat haar dochter in 2021 een auto ongeluk heeft gehad en dat de advocaat die haar daarin heeft bijgestaan in januari 2024 (niet 2021) heeft gevraagd waarom zij zich niet hadden aangemeld.
13. De rechtbank is van oordeel dat de tijd tussen het bekend raken met de regeling en het vervolgens doen van de aanvraag om herbeoordeling in dit geval niet zodanig lang is dat de aanvraag niet onverwijld is te achten. De rechtbank betrekt daarbij wat haar meervoudige kamer heeft overwogen [2] , onder meer dat het bij de Wht gaat om een – eenmalige - aanvraag waarbij het herstel van geleden onrecht centraal staat, zodat een minder strikte benadering van de hardheidsclausule passend is.
14. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder de hardheidsclausule had moeten toepassen om van de uiterlijke aanvraagdatum van 1 januari 2024 af te wijken.
Conclusie en gevolgen
15. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en het primaire besluit herroepen. De rechtbank zal bepalen dat verweerder een nieuw besluit moet nemen op de aanvraag van eiseres.
16. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Bpb [3] vast op een bedrag van € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 934,- per punt en wegingsfactor 1). Het bezwaarschrift is niet ingediend door een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent en ook is niet gebleken van proceskosten in bezwaar zoals bedoeld in artikel 1 van Pro het Bpb die voor vergoeding in aanmerking komen. Voor de bezwaarfase krijgt eiseres daarom geen vergoeding van haar proceskosten. Verweerder hoeft niet het griffierecht aan eiseres te vergoeden omdat zij vanwege haar beroep op betalingsonmacht geen griffierecht heeft betaald.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het besluit van 1 juli 2024;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een inhoudelijk besluit moet nemen op de aanvraag van eiseres;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, in aanwezigheid van
mr. E.M. de Buur, griffier
.
Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2026
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit volgt uit de brief van de staatssecretaris van Financiën-Toeslagen en Douane aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 24 november 2023 met kenmerk 2023-0000266331.
2.Zie de uitspraken van 15 augustus 2025:6171, ECLI:NL:RBAMS:2025:6170 en ECLI:NL:RBAMS:2025:6171, rechtsoverweging 3.4.
3.Besluit proceskosten bestuursrecht.