ECLI:NL:RBAMS:2026:1767

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
13-316765-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 22 OLWArt. 23 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel voor gekwalificeerde diefstal en explosie

De rechtbank Amsterdam behandelde op 4 februari 2026 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Oostenrijkse justitiële autoriteit op 21 oktober 2025. De opgeëiste persoon, geboren in 1998 en met de Nederlandse nationaliteit, werd verdacht van deelname aan een criminele organisatie en gekwalificeerde diefstal, strafbare feiten volgens het Oostenrijkse recht.

De verdediging stelde dat de overlevering alleen werd gevraagd voor deelname aan een criminele organisatie, maar uit aanvullende informatie bleek dat de overlevering uitsluitend werd gevraagd voor gekwalificeerde diefstal en het veroorzaken van een explosie. De officier van justitie handhaafde dat de lijstfeiten in redelijkheid waren aangekruist.

De rechtbank oordeelde dat de strafbare feiten onder de lijst van bijlage 1 bij de Overleveringswet vallen, waardoor een onderzoek naar dubbele strafbaarheid achterwege kan blijven. Er waren geen weigeringsgronden en de procedure voldeed aan de wettelijke eisen. Daarom werd de overlevering toegestaan.

De uitspraak werd gedaan door voorzitter C. Klomp en rechters L. Baroud en J.T.H. Zimmerman op 18 februari 2026, en is onherroepelijk volgens artikel 29, tweede lid, van de Overleveringswet.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Oostenrijk toe voor de strafbare feiten zoals omschreven in het Europees aanhoudingsbevel.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-316765-25
Datum uitspraak: 18 februari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 4 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 21 oktober 2025 door het
Staatsanwaltschaft Wien[Openbaar Ministerie Wenen] – met goedkeuring van het
Landesgericht für Strafsachen Wien, Oostenrijk (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 4 februari 2026, in aanwezigheid van mr. N. Lemmers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. N.M. Delsing, advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een gerechtelijk bevel tot aanhouding van [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] -1998, van 21 oktober 2025 met kenmerk 709 St 25/25t.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Oostenrijks recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid: feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om in de uitspraak op te nemen dat de overlevering van de opgeëiste persoon
nietwordt gevraagd voor de deelname aan een criminele organisatie. Uit de aanvullende informatie van 23 januari 2026 blijkt namelijk dat de overlevering enkel wordt gevraagd ten aanzien van de gekwalificeerde diefstal en het veroorzaken van een explosie.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de lijstfeiten in redelijkheid zijn aangekruist.
Oordeel van de rechtbank
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie;
georganiseerde of gewapende diefstal.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Oostenrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
Het is aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om, aan de hand van het recht van die lidstaat, te beoordelen of het strafbare feiten waarvoor overlevering wordt verzocht onder de hiervoor genoemde lijst vallen. Uitgangspunt is dat de rechtbank aan het oordeel van de uitvaardigende justitiële autoriteit is gebonden. [4]
De rechtbank stelt vast dat de overlevering van de opgeëiste persoon wordt gevraagd voor de feiten zoals omschreven in onderdeel e) van het EAB. Uit de aanvullende informatie van 23 januari 2026 blijkt dat de overlevering niet wordt gevraagd voor feit 3 zoals beschreven in het EAB en enkel voor feiten 1 en 2. De rechtbank overweegt dat feit 1 de gekwalificeerde diefstal als onderdeel van een criminele organisatie behelst en daarmee de overlevering wel wordt gevraagd ten aanzien van de deelneming aan een criminele organisatie en de verdenking jegens de opgeëiste persoon ten aanzien van de in dat kader gepleegde feiten. Derhalve verwerpt de rechtbank het verweer.

5.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

6.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

7.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan het
Landesgericht für Strafsachen Wien, Oostenrijk, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. C. Klomp, voorzitter,
mrs. L. Baroud en J.T.H. Zimmerman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.C. Hooibrink, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 18 februari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Vgl. HvJ EU 6 oktober 2021, C-136/20, ECLI:EU:C:2021:804 (LU (Recouvrement d’amendes de circulation routière)), punt 42.